Socialisme is een politieke maatschappijvorm, en ook een economische filosofie gebaseerd op socialisatie en het collectief eigendomsrecht van de productiemiddelen. Kerngedachte binnen deze stromingen is dat het collectief de hoogste beslissingsbevoegdheid heeft over de verdeling van macht en goederen. Arbeiderszelfbestuur staat centraal bij verscheidene socialistische theorieën.

Of de samenleving gevormd moet worden door overheidsingrijpen of door individueel initiatief is van oudsher een strijdpunt binnen de socialistische beweging. Een meerderheid van sociaaldemocraten, institutionalisten, marxisten-leninisten, fabianen en anderen zien heil in ingrijpen in economie en maatschappij door politieke partijen en regeringsdeelname, terwijl anarchistisch en links-communistisch georiënteerde socialisten doorgaans fel gekant zijn geweest tegen staatsmacht, vooral waar die als ondemocratisch wordt ervaren.

Oorsprong van het woord socialisme Het woord socialisme stamt af van de Latijnse woorden socius en socialis. Het woord socius betekent deelgenoot of gemeenschappelijk, terwijl socialis op zijn beurt kameraadschappelijk of het behoren tot een gezelschap betekent.A. Constandse en W. van Dooren: Atheïsme, Humanisme en Socialisme; 1975.

Het oudste bekende gebruik van de term socialist is in een Italiaanse krant uit 1803 gevonden, maar daar werd het niet gebruikt in een politieke of economische betekenis.G.D.H. Cole: Socialist Thought: Volume 1: The Forerunners 1789 – 1850; 1953; hoofdstuk 1. Het oudste gevonden politieke gebruik van het woord socialist was in 1827 in de Britse krant Co-operative Magazine dat werd uitgegeven door de aanhangers van Robert Owen.Max Beer: Algemene geschiedenis van het socialisme; Deel 4: De tijd van 1750-1860; Nederlandse vertaling 1927; hoofdstuk 28. In 1832 werd het woord socialisme gebruikt in een artikel van Pierre Leroux in Le Globe, waar hij het woord socialisme gebruikte om de denkbeelden van Saint-Simon te beschrijven. Het woord socialisme werd in 1833 gebruikt in de krant The Poor Man’s Guardian, dat werd uitgegeven door Owen-aanhanger Henry Hetherington.Thomas Kirkup: A History of Socialism; 1913; hoofdstuk 1. Ook is bekend dat de term socialisme in 1835 werd gebruikt door aanhangers van Owen.

Theorieën Politiek-theoretisch valt het socialisme te herleiden tot de werken van Henri de Saint-Simon. In de negentiende eeuw werd dit doorgezet door Karl Marx, Pierre Joseph Proudhon en Auguste Comte. Marx herinterpreteerde de filosofie van Hegel en herformuleerde zijn idealistisch stelsel op basis van zijn eigen historisch materialisme dat grofweg samengevat kan worden als de theorie dat economische relaties de samenleving verdelen in groepen waarbinnen door soortgelijke omstandigheden gemiddeld andere politieke en sociale ideeën populair worden. Tussen deze groepen bestaat een klassenstrijd, bijvoorbeeld wanneer werknemers en werkgevers overleggen over arbeidsomstandigheden. Aangenomen wordt dat de twee groepen aan verschillende kanten staan, wat klassenstrijd genoemd wordt. Dit leidt tot ontwikkelingen waarin verschillende types samenleving ontstaan waaronder slavernij, feodalisme, kapitalisme en socialisme. Marx voorspelde dat kapitalisme door communisme/socialisme vervangen zou worden.Dr. Richard Wolffs lezing “Intro to Marxian Economics”. Playlist hier Lenin differentieerde deze termen omdat de term socialisme in zijn tijd duidelijk andere connotaties had, de eerste fase van het communisme werd nu socialisme genoemd.

Binnen het socialisme bestaan er verschillende houdingen tegenover religie. Enerzijds bestaan er het christensocialisme en het religieus-socialisme, maar anderzijds is religie strijdig met de atheïstische beginselen van het marxistisch en blanquistisch socialisme. Religies als het christendom en de islam hebben in hun sociale leer, bijvoorbeeld die van de katholieken, elementen met het socialisme gemeen. Volgens de opvatting van de antireligieuze socialisten, gebruikten de religieuze leiders het kerksysteem om de bevolking angst aan te jagen en financieel uit te buiten. Dit zouden zij doen via een valselijk gecreëerd godsbeeld, namelijk dat van een alziende en straffende God.

Het Duitse fascistoïde nationaalsocialisme uit de Tweede Wereldoorlog wordt niet algemeen als een socialistische stroming beschouwd. Volgens sommigen, voornamelijk zij die actief overheidsingrijpen in de economie als 'socialistisch' beschouwen, komt het nationaalsocialisme hiervoor wel in aanmerking.

Geschiedenis van het socialisme

Voorlopers

Voor 1789 waren er al denkers en groeperingen die als voorlopers van het socialisme kunnen worden beschouwd, zoals Lycurgus, Plato, de radicale vleugel van de taborieten, Thomas Müntzer, de wederdopers van Münster en Jean Morelly. Ook waren er schrijvers die fictieve boeken hebben geschreven over samenlevingen die socialistische kenmerken bezaten, zoals Thomas More met zijn boek Utopia en Tommaso Campanella met het boek De Zonnestaat.

Opkomst van het utopisch socialisme

Het socialisme kwam werkelijk op in de tijd van de Franse Revolutie en de daarop volgende industriële revolutie (eind 18e, begin 19e eeuw). De eerste socialistische gedachtegoederen worden het utopisch socialisme genoemd. De stichters van deze utopische bewegingen plaatsen zichzelf als de bewegers van de geschiedenis, zij hadden dé oplossing voor de problemen van de mensheid, die had ook 500 jaar eerder gevonden kunnen worden maar dat was niet gebeurd. Nu was het simpelweg een kwestie van dit geniale denkbeeld uitdragen.

William Godwin wordt gezien als een voorloper van de anarchisten. Volgens Godwin wordt de menselijke geest vooral door haar omgeving gevormd. Politieke autoriteit was gebouwd op geweld en zonder politiek zou de behoefte voor politiek verdwijnen. Hetzelfde telde voor economische dominantie die gepaard gaat met privaateigendom. Godwin steunde het gebruik van geweld om politieke verbetering te krijgen niet, Godwins socialisme was puur vrijwillig.

Sylvian Maréchal combineerde utopisch, agrarisch socialisme met materialistische filosofie. Maréchal was een militant atheïst en was redacteur bij de revolutionaire krant Revolutions de Paris. Later werkte hij samen met Babeuf. Hij wordt beschouwd als voorganger van de anarchisten.

Gracchus Babeuf en Filippo Buonarroti wilden in 1796 in Frankrijk de macht grijpen. Na de staatsgreep wilden zij grote onteigeningen uitvoeren en het erfrecht afschaffen, zodat uiteindelijk alles staatseigendom zou worden. Alle geproduceerde goederen zouden worden opgeslagen in lokale magazijnen, waaruit de overheid aan iedere burger goederen zou verdelen. In 1797 werd Babeuf ter dood veroordeeld.G.D.H. Cole: Socialist Thought: Volume 1: The Forerunners 1789 – 1850; 1953; hoofdstuk 2.Max Beer: Algemene geschiedenis van het socialisme; Deel 4: De tijd van 1750-1860; Nederlandse vertaling 1927; hoofdstuk 25.

Babeuf en Bounarroti geloofden dat een volksbeweging succesvol kon zijn, maar achtten dat deze in het geval van de Franse Revolutie gefaald had. Een "educatieve dictatuur" was nodig om het volk weer op het goede pad te krijgen, een idee dat zeer populair werd in de tijd van Babeuf en later Blanqui.

Saint-Simon Henri de Saint-Simon wordt vaak gezien als de stichter van het socialisme. Saint-Simon verafschuwde revolutie maar achtte de Franse Revolutie de onvermijdelijke conclusie van de vernietiging van nu verouderde instituties. Hij werd gefascineerd door moderne technologie en wilde productie op een rationele manier plannen om zo een industriële samenleving te creëren. In zo’n samenleving zouden leiders geselecteerd worden niet op basis van afkomst of democratische verkiezingen maar door een meritocratie. De details van hoe zo’n samenleving er uit zou zien heeft Saint-Simon vaak veranderd, Saint-Simon maakte geen allesomvattend systeem maar een collectie gedachten over hoe de samenleving het beste vooruit kon.

Zoals de militaristische oudheid en de religieuze middeleeuwen hun eigen typen instituties hadden voorspelde Saint-Simon dat de komende industriële periode ook een nieuw type organisatie zou krijgen. Deze periode zou vernieuwde eenheid hebben na het versplinteren van de sociale wereld tijdens de reformatie, religie en wetenschap zouden verenigd worden en iedereen zou berecht worden onder dezelfde wetten. Er zou in de industriële samenleving gefocust worden op productie in plaats van oorlog, de economie zou de oorlog voorbijsteken als de belangrijkste politieke factor.

Saint-Simon zag de samenleving als verdeeld in drie klassen: de eerste klasse bestond uit wetenschappers, kunstenaars en de liberale denkers van de revolutionaire periode (na met de liberalen gebroken te hebben werden zij niet meer in deze categorie geplaatst), de tweede bestond uit "nietsnutten", de politieke en economische leiders van voor de revolutie die verdienden zonder iets bij te hoeven dragen, de derde klasse waren de gewone mensen. Saint-Simon stelde voor om de transformatie van de samenleving te beginnen met een systeem om de derde klasse de armoede uit te sleuren. Klassen 1 en 3 waren samen de industriële klassen (arbeiders).G.D.H. Cole: Socialist Thought: Volume 1: The Forerunners 1789 – 1850; 1953; hoofdstuk 4.

Saint-Simon zag steun van de elite als cruciaal voor een vredige overgang naar een moderne samenleving, daarom riep hij de 2e klasse op om te abonneren op zijn dienst en zo hun prominente rol in de samenleving vast te houden. Dit zou leiden tot een langzame nivellering waardoor de “nietsnutten” uiteindelijk hun invloed kwijt zouden raken. Saint-Simon probeerde daarom ook steeds leden van de elite voor zijn onderneming te rekruteren waaronder NapoleonG.D.H. Cole: Socialist Thought: Volume 1: The Forerunners 1789 – 1850; 1953; hoofdstuk 4. pp. 42 en Lodewijk XVIII. Saint-Simon zag een verenigd Europa van samenwerkende maar onafhankelijke landen als de beste manier om vrede binnen Europa te behouden na de Coalitie Oorlogen. Om dit te bereiken stelde hij de overwinnaars voor een Europese Unie, geleid door een Europees parlement dat verkozen zou worden door de bezit-hebbende, geletterde bevolking, voor. Het Europese parlement zou bestaan uit een hogerhuis en een lagerhuis, die de wetgevende macht zouden hebben, terwijl een Europese koning de uitvoerende macht zou krijgen. Deze Europese Unie zou een grondwet gebaseerd op de Britse krijgen die vrijheid van meningsuiting en religieuze vrijheid gegarandeerd zouden worden. Het Internationale Congress in Wenen overwoog dit plan echter niet.

Saint-Simon probeerde politiek op een wetenschappelijke manier uit te werken door eerst een a priori stelling (een reflectie van het algemene goed) op te zetten en die daarna a posteriori te testen met de werkelijkheid. Deze wetenschappelijke methode zou ook de basis van het politieke systeem Saint-Simons Europese Unie zijn. Volgens Saint-Simon moest de gehele sociale wereld op wetenschappelijke manier bestudeerd worden, dit noemde hij sociale natuurkunde, later werd de term van Saint-Simons discipel Comte gebruikt, sociologie. De wetenschappelijke analyse van politiek en moraliteit noemde hij politieke wetenschap en morele wetenschap respectievelijk. Onder morele wetenschap telde Saint-Simon niet alleen traditionele moraalfilosofen, die vergeleek hij met alchemisten, maar vooral artiesten die trachtten "sentimenten" objectief te benaderen om zo emoties aan te halen met hun werken.