thumb|350px|De Toren van Babel wordt vaak gebruikt als het symbool van de veelheid aan talen die de wereld rijk is. Ook onder makers van kunsttalen is het een geliefd icoon. Een kunsttaal is een taal die in tegenstelling tot etnische talen niet historisch is gegroeid als onderdeel van een historisch bestaande cultuur, maar is ontworpen door één persoon of een kleine groep personen. Er werden meer dan duizend kunsttalen ontworpen, die kunnen worden onderverdeeld in diverse soorten en zijn gemaakt om diverse redenen: sommige stellen zich ten doel als cultureel onbeladen taal de communicatie tussen de volken te bevorderen, andere dienen ter illustratie van een fictief land, weer andere zijn uitsluitend gemaakt voor het eigen plezier van de maker.
Iemand die zich om een of meer van de bovengenoemde redenen met het vormen van een kunsttaal bezighoudt wordt een ideolinguïst genoemd. Een discipline binnen de taalwetenschap die onderzoek doet rond kunsttalen heet interlinguïstiek.
Kunsttaal versus natuurlijke taal Over het algemeen kan worden gesteld dat een natuurlijke taal door de eeuwen heen op natuurlijke wijze is gegroeid, terwijl een kunsttaal door een of enkele personen is bedacht. Toch is het niet altijd even eenvoudig een scherpe grens te trekken tussen natuurlijke talen en kunsttalen.
Standaardtalen Aan de ene kant zijn er de standaardtalen. Dit zijn natuurlijke talen die op een bepaald moment gestandaardiseerd zijn. Vaak is een standaardtaal een samensmelting van verschillende dialecten en worden zowel grammatica als woordenschat door een gezaghebbende instantie gereguleerd. Van sommige standaardtalen kan worden gesteld dat zij in een relatief jong verleden zijn gestandaardiseerd; dit geldt bijvoorbeeld voor het Hebreeuws, het Indonesisch, het Nynorsk en het Rumantsch Grischun. Standaardtalen blijven niettemin natuurlijke talen die ook blijven evolueren onder invloed van hun gebruikers. Nieuwe woorden vinden ingang en vaak veranderen ook uitspraak en spelling.
Esperanto, van project tot levende taal Aan de andere kant kan worden vastgesteld dat in ieder geval één kunsttaal, het Esperanto, inmiddels ook een aantal moedertaalsprekers heeft, zij het op een zeer beperkte schaal. Ook de vorming van neologismen gebeurt in deze taal op een natuurlijke manier. Daarmee kan de ontwikkeling van Esperanto op sommige gebieden net zo "natuurlijk" genoemd worden als die van andere talen. "Some people think that, as it is a constructed language, Esperanto must be somehow “worse” than languages like English or Spanish or German. This is not the case; Esperanto is a fully developed language. Although it started as a theoretical construct, it has had an active community of users ever since its creation, and the language naturally absorbed new words and new ways to express things as people were using it, just like a natural language would". Bron : Bill Chapman, Over A Hundred Years of Esperanto In Chiswick, 2 juni 2017
Geschiedenis Het spelen met taal, variërend van het bedenken van nieuwe woorden in de eigen taal tot het creëren van een nieuwe, is als fenomeen ongetwijfeld zo oud als de taal zelf. Van de vele theorieën die de ronde doen over de Schijf van Phaistos, een op Kreta gevonden, uit de 18e eeuw v.Chr. daterende ronde steen met tot op heden niet ontcijferde tekens, is één dat het een kunsttaal zou zijn. Bewijs hiervoor bestaat echter niet; het zou evengoed een onbekende natuurlijke taal, een schrijfoefening, een tekening of zelfs een bordspel kunnen zijn. Als oudste overgeleverde kunsttaal geldt dan ook de Lingua Ignota, een in het Latijn ingebedde woordenlijst van de hand van de Duitse abdis en mystica Hildegard von Bingen, die zij vermoedelijk gebruikte om haar aantekeningen onleesbaar te maken voor de buitenwereld.
In de 18e eeuw begonnen, als voortvloeisel uit de opmars van de logica, verschillende wetenschappers zich toe te leggen op het vervaardigen van kunsttalen. Bekende voorbeelden zijn Gottfried Wilhelm Leibniz, die met zijn Characteristica Universalis (1677) een taal beoogde te maken die elke gedachte met wiskundige precisie kon uitdrukken, en de Analytical language (1668) van bisschop John Wilkins. Deze talen waren zonder uitzondering filosofische talen, talen waarvan de woordenschat volgens een stramien van categorieën is samengesteld.
thumb|Logo van de Volapükbeweging In de 19e eeuw begon de opmars van de internationale hulptalen. Deze talen waren een direct antwoord op het groeiende nationale zelfbewustzijn van de Europese volkeren. Om de etnische spanningen die hiervan het gevolg waren te bestrijden en de verschillen te overbruggen, stelden de makers ervan talen voor, die vrij van enige culturele lading en gemakkelijk te leren waren. Het oudste daarvan was het Volapük, dat echter veel minder succesvol bleek te zijn dan het Esperanto, dat in 1887 met die doelstelling werd gemaakt door de Poolse oogarts Ludovich Zamenhof. Vele honderden talen van dit type zijn sindsdien ontwikkeld, maar geen enkele heeft ooit het succes bereikt van het Esperanto. Latere pogingen om het Esperanto te "verbeteren" (zoals het Ido) sloegen nooit echt aan.
In de 20e eeuw zou de wereld ook kennismaken met artistieke talen. Kenmerkend voor deze talen is dat zij in eerste instantie ontwikkeld zijn voor de schoonheid ervan en voor het plezier van het maken ervan, en pas in tweede instantie (kunnen) worden aangewend in werken van fictie. Het beroemdste voorbeeld zijn de elfentalen Quenya en Sindarijns van J.R.R. Tolkien. Ook het Klingon, dat zijn bekendheid dankt aan de populariteit van de serie Star Trek, kan tot deze categorie worden gerekend.
De verspreiding van het internet gedurende de jaren 1990 heeft de kunsttaal een impuls gegeven. Honderden reeds bestaande kunsttalen werden aan de anonimiteit ontrukt, die op hun beurt weer als inspiratie dienden voor honderden nieuwe. Meer dan welke andere kunstvorm dan ook heeft de kunsttaal van deze ontwikkeling kunnen profiteren. De reden hiervoor is tweeledig. Ten eerste was het voordien zeer moeilijk een kunsttaal onder een breder publiek bekend te maken. In het geval van een artistieke taal ging dat uitsluitend via inbedding in een breder werk van fictie, waardoor de taal zelf meestal slechts als een bijzaak werd ervaren, terwijl men voor een internationale hulptaal een uitgever moest overreden iets te publiceren waarvoor de markt uiterst klein was. Ten tweede was het bouwen van kunsttalen een bezigheid waar door velen met een scheef oog naar werd gekeken, zodat de beoefenaars ervan het zelfs onder intimi liever niet ter sprake brachten. Tolkien zelf spreekt in dit verband over zijn secret vice.
Terminologie Mede doordat het fenomeen kunsttaal op een klein aantal uitzonderingen na pas vanaf de jaren negentig tot een breder publiek is doorgedrongen, is de naamgeving hieromtrent in het Nederlands nog allerminst uitgekristalliseerd. Het aantal betrokkenen is nog altijd klein, en daar de wereldwijde communicatie erover zich doorgaans in het Engels en Esperanto voltrekt, zijn veel van de gebruikte termen rechtstreeks aan die taal ontleend, al doen ook in het Engels nog verschillende termen de ronde.
Als equivalent voor kunsttaal komt men in het Engels tegen: constructed language (dikwijls ingekort tot conlang), artificial language (artlang), planned language en model language. Deze betekenen grofweg hetzelfde, al worden de eerste twee soms specifiek gebruikt voor artistieke talen, terwijl planned language meestal van toepassing is op internationale hulptalen. Al met al lijkt constructed language het te gaan winnen.
Naast kunsttaal komen al deze termen ook in het Nederlands voor: geconstrueerde taal, artificiële taal, plantaal, geplande taal, modeltaal. Het vervaardigen van kunsttalen wordt ook wel aangeduid als linguafictie, een woord dat niet ten onrechte een verwantschap suggereert met het begrip geofictie. In de jaren negentig bestond er ook een Nederlands Genootschap voor Linguafictie.
Nog moeilijker is het een Nederlands equivalent te vinden voor de persoon die het maken van kunsttalen beoefent. Het Engels heeft het woord conlanger, het Frans glossopoète, het Italiaans glottoteta en het Spaans ideolingüista. Omdat woorden als "kunsttalenmaker" en "linguaficticus" nauwelijks bruikbaar zijn, wordt in het Nederlands meestal het Engelse conlanger gehanteerd. Ook de term ideolinguïst komt voor.
Soorten kunsttalen Kunsttalen kunnen worden ingedeeld langs verschillende scheidslijnen. Hierbij valt te denken aan criteria als: doel (waarom is de taal gemaakt?), medium (hoe wordt de taal gepresenteerd?) en ook de taal zelf (wat is de voornaamste bron van woordenlijst en grammatica?). Om miskwalificatie te voorkomen is het van belang dat deze criteria niet door elkaar worden gebruikt, al blijft het zelfs dan niet altijd eenvoudig om een taal eenduidig in te delen. Zo komt het regelmatig voor dat de auteur van een in wezen artistieke taal deze aan de man probeert te brengen door hem als hulptaal te presenteren, terwijl sommige auteurs van logische talen hun werk voorzien van een geofictie.
A priori versus a posteriori thumb|Solresol Een belangrijk en veel gebruikt criterium om kunsttalen van elkaar te onderscheiden is de bron van het materiaal, in het bijzonder de woordenlijst (of althans het merendeel ervan) en de grammatica. A-prioritalen zijn talen waarin deze grotendeels zijn ontsproten aan het brein van de auteur zelf, hetzij als product van zijn fantasie, hetzij als resultaat van een door hem aangestuurd, al dan niet geautomatiseerd, toevalsproces. Tot de a-prioritalen behoren: onspreekbare talen. Hierbij valt te denken aan voor internationaal gebruik vervaardigde gebarentalen, maar ook aan pasigrafieën (beeldtalen) en muziektalen. Een vermeldenswaardig voorbeeld van een muziektaal is Solresol; filosofische talen, ook wel aangeduid als categorische talen. Dit zijn talen waarvan de woordenschat langs schematische weg tot stand is gekomen: woorden die tot dezelfde categorie behoren, hebben gemeenschappelijke kenmerken, zodat een woord eenvoudig kan worden herkend als een familielid, een telwoord, een kleur, enz. Dergelijke talen waren bijzonder populair in de 18e eeuw, al komen zij ook in de moderne tijd (Ro, Ygyde) nog wel voor; naturalistische a-prioritalen. Deze worden gekenmerkt door het feit dat zij veel kenmerken vertonen van natuurlijke talen, al hebben zij dikwijls de neiging complexer of ten minste ongebruikelijker te zijn. Tot deze categorie behoren zowel het Klingon als de talen van J.R.R. Tolkien, maar ook modernere werken als het uit 1962 daterende Teonaht van de Amerikaanse schrijfster en taalkundige Sally Caves en het Láadan van de eveneens Amerikaanse sciencefictionschrijfster Suzette Haden Elgin.
A-posterioritalen daarentegen zijn gebaseerd op voorgevormd materiaal, meestal in de vorm van een of meer natuurlijke talen maar mogelijkerwijs ook een reeds bestaande kunsttaal. Tot deze categorie behoren: talen die in meer of mindere mate gebaseerd zijn op één bestaande taal. Soms geschiedt dit in de vorm van aan een natuurlijke taal toegevoegd vocabulaire, zoals Nadsat, een deels op het Russisch gebaseerd Engels "kunstslang" dat door Anthony Burgess werd gebruikt in zijn boek A Clockwork Orange. Ook het omgekeerde komt voor: talen die juist bestaan uit een beperkt deel van een bestaande taal. Het bekendste voorbeeld hiervan is het Basic English. Tot deze categorie kunnen ten slotte ook gerekend worden kunstdialecten, ideeën over hoe een taal er in de 26e eeuw uitziet, alsmede alternatieve spellingen; denkbeeldige leden van een bestaande taalfamilie. Dit zijn vrijwel zonder uitzondering artistieke talen. Het meest talrijk zijn fictieve Romaanse talen, zoals het Brithenig, het Wenedyk en het Talossaans. Ook de kleine groep Noord-Slavische talen behoort tot deze categorie;