Kanker, in medisch Latijn: neoplasma malignum: 'kwaadaardig, nieuwgevormd weefsel', is een ziekte die zich als volgt uit: er zijn cellen in een bepaald lichaamsweefsel die zich onbeheerst vermenigvuldigen en dit blijven doen, waardoor er in het weefsel een celklomp of tumor wordt gevormd; de groeiende tumor breidt zich uit in omliggend weefsel en richt daar schade aan: de invasieve groei of infiltratie door een tumor; de woekerende cellen verspreiden zich ook naar plaatsen elders in het lichaam: zogeheten metastasering of uitzaaiing; uitzaaiingen die zich verspreiden via de lymfevaten zijn de lymfogene, die via het bloed de hematogene metastasen. Bij bijvoorbeeld darmkanker kunnen kankercellen, vanuit de tumor in de dikke darmwand, in de - in de darmwand aanwezige - haarvaten terechtkomen. Van daaruit belanden ze, via de leverpoortader, in de lever, waar ze kunnen uitgroeien tot een nieuwe tumor; daarnaast kunnen darmkankercellen door de darmwand heen in de buikholte terechtkomen en daar leiden tot buikvlieskanker.

Nagenoeg alle medische specialismen houden zich bezig met de behandeling van kanker, maar met name medisch specialisten in de oncologie en de radiotherapie. In 2008 was kanker in Nederland voor het eerst de belangrijkste doodsoorzaak.

thumb|Preparaat van adenocarcinoom thumb|Lezing door dr. Kishan Naipal (Erasmus MC) over kanker - Universiteit van Nederland

Etymologie Het woord "kanker" is afgeleid van het klassiek Latijnse woord "cancer", met dezelfde betekenis, dat vanuit het Grieks werd vertaald door de Romeinse encyclopedieschrijver Celsus.Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2010)"kanker"

Betekenis Kanker is een aandoening die wordt gekenmerkt door de onbeheerste groei van nieuw, abnormaal weefsel of neoplasie, als gevolg van een aanhoudende, ongecontroleerde celdeling. Gezonde cellen in het lichaam delen (prolifereren) enkel wanneer dat nodig is, zoals wanneer bepaalde organen aan vernieuwing of herstel toe zijn. Tijdens de celproliferatie krijgen de cellen een specifieke vorm en grootte, afhankelijk van hun functie: het proces van de celdifferentiatie. Deze deling en differentiatie staan onder invloed van extracellulaire, van buiten de cel afkomstige factoren als hormonen, chemische stoffen, virussen en van inwendige, intracellulaire signalen. Beide soorten factoren bevorderen de aanmaak van specifieke eiwitten, onder invloed van specifieke regel-genen binnen de cel, die een stimulerende of juist remmende invloed op de celdeling uitoefenen. Inwendige of intracellulaire signalen zijn het werk van cellulaire signaalstoffen, respectievelijk groeifactoren en groeiremmers.

Wanneer één of meerdere cellen ontsnappen aan deze regulerende mechanismen, kan, door ongecontroleerde celdeling of celwoekering, een lokaal gezwel of tumor ontstaan. Er is dan sprake van de ontregeling van het complexe samenspel van groeibevórderende en groeirémmende factoren, in het voordeel van de groeibevordering. De delende cellen (nieuwgroei of neoplasie) hebben vaak hun normale vorm en functie verloren. Er is pas echt sprake van een kanker in het geval van kwaadaardige (of maligne) gezwellen. Deze zijn, in tegenstelling tot goedaardige (of benigne) gezwellen, in staat om het orgaan waarin ze zijn ontstaan te vernietigen en niet enkel te beschadigen. Bovendien kunnen ze zich verspreiden: door een invasie van de omgeving kunnen ze uitgroeien tot in het omringende weefsel. Eventueel kunnen ze ook uitzaaien, via de bloed- en lymfestroom en zo in andere organen terechtkomen.

Epidemiologie (mate van vóórkomen) In Nederland werden in 2016 volgens de Nederlandse kankerregistratie ruim 108.400 gevallen van kanker vastgesteld. Er stierven in 2014 43.214 mensen aan kanker.

In België kregen in 2013 65.487 mensen kanker,Stichting Kankerregister 34.542 bij mannen (53%) en 30.945 bij vrouwen (47%). Het risico om te overlijden aan kanker daalt jaar na jaar en mensen met kanker overleven ook langer.

Bij mannen komen met name de volgende typen kanker voor: prostaatkanker, longkanker en darmkanker. Bij vrouwen komen het meest voor: borstkanker, darmkanker en longkanker. Kankersoorten die bij kinderen en jongeren het meest frequent voorkomen zijn leukemie, lymfomen en hersentumoren.

Andere soorten kanker zijn:

Pathogenese (oorzaken) Genmutaties door verschillende oorzaken Centraal in de pathogenese (het ontstaan) van kanker staan defecten in het DNA, door genmutaties. Genmutaties ontstaan door erfelijke aanleg of door verwerving door milieu-invloeden.Wie kanker krijgt, heeft botte pech Trouw, 2 januari 2015

Overgeërfde genmutaties Erfelijke mutaties. Er zijn mutaties bekend die overgeërfd kunnen worden en een sterk verhoogd risico geven op het ontstaan van kanker. In dit verband wordt wel gesproken van erfelijke kanker. Voorbeelden zijn het BRCA1-gen en het BRCA2-gen. Vrouwen met een dergelijke, overgeërfde mutatie hebben een sterk verhoogd risico op het krijgen van borstkanker of ovariumcarcinoom.

Mutaties door omgevingsinvloeden (verwerving) Infecties. Verschillende biologische ziekteverwekkers worden in verband gebracht met het ontstaan van bepaalde typen kanker.Infectie oorzaak 1 op 6 kankers NOS, 9 mei 2012. Gearchiveerd op 1 oktober 2022. Enkele voorbeelden hiervan zijn: humaan papillomavirus en het cervixcarcinoom en peniscarcinoom schistosomiasis en het blaascarcinoom Epstein-Barrvirus en het burkittlymfoom de bacterie helicobacter pylori en maagkanker het merkelcelpolyomavirus dat aangetoond werd in het merkelcelcarcinoom

Roken, gebruik van alcohol en consumptie van rood vlees (maar ook bewerkt vlees) hebben een oorzakelijk verband met verschillende vormen van kanker. Ook met chemische bestrijdingsmiddelen is er een verband.

Fysische factoren. Ultraviolette en ioniserende straling kunnen mutaties en dus kanker veroorzaken.

Chemische stoffen. Van verschillende chemische stoffen is bekend dat ze kanker kunnen veroorzaken, de zogeheten carcinogenen. Voorbeelden van stoffen en het daaraan gekoppelde, verhoogde risico op een bepaalde vorm van kanker zijn: asbest en het mesothelioom benzopyreen in rook en het bronchuscarcinoom aromatische aminen in verf en blaaskanker

Van mutatie naar kanker Om daadwerkelijk kanker te krijgen moeten de mutaties optreden in genen die betrokken zijn bij het reguleren van de celdeling. De volgende genen zijn met name van belang: proto-oncogenen; tumorsuppressorgenen; genen die de apoptose regelen; genen die de DNA-repair regelen.

Kanker treedt pas op wanneer in een aantal van de bovengenoemde genen mutaties zijn opgetreden. Verder is het zo dat met iedere mutatie de kans op nieuwe mutaties steeds verder toeneemt. Mutaties in proto-oncogenen en tumorsuppressorgenen maken het mogelijk dat cellen ongebreideld kunnen delen. Bij iedere deling is er altijd (ook bij gezonde cellen) een kans op mutaties. Dat mutaties in DNA-repairgenen de kans op nieuwe mutaties verhoogt, spreekt voor zich. Dankzij onderdrukking van de apoptose wordt de cel niet vernietigd.

Bij de ontwikkeling van kanker blijft het echter niet bij mutaties in bovengenoemde genen. Naarmate het kankerproces voortschrijdt, zullen er ook mutaties optreden waardoor: nieuwe bloedvaten aangelegd kunnen worden naar de tumor in ontwikkeling (angiogenese); de ontaarde cellen het omliggende weefsel binnen kunnen dringen (invasie); de ontaarde cellen zich los kunnen maken uit hun omgeving en kunnen terechtkomen in andere plaatsen in het lichaam waar ze verder uitgroeien tot een tumor (metastasering); de ontaarde cellen 'onsterfelijk' worden; normaal gesproken kan een cel niet vaker dan ongeveer 60 maal delen (Hayflick-limiet), kankercellen kennen deze limiet niet.

Indien de ontaarde cellen uiteindelijk voldoen aan de kenmerken van kanker (ongebreideld kunnen delen, infiltreren in de omgeving en kunnen metastaseren), is er sprake van kanker. Kankercellen zullen zich dan ook niet of nauwelijks nog met hun oorspronkelijke functie bezighouden, maar al hun energie aanwenden om te kunnen delen.

Er zijn verschillende soorten mutaties mogelijk: Allereerst is er de puntmutatie bij tumorsuppressorgenen. Bij amplificatie worden er één of meerdere kopieën van het gen genomen. Hierdoor ontstaat er een teveel aan groeibevorderende genen die het evenwicht met de tumorsuppressorgenen uit balans brengen. Een andere mogelijkheid is die van de chromosoomtranslocatie. Bij deze reciproque of wederzijdse translocatie komt het proto-oncogen op een andere plaats of eventueel op een ander chromosoom te liggen. Hierdoor wordt het gen onttrokken aan de invloed van zijn normaal regulerende genen. Het gen kan bijvoorbeeld terechtkomen naast een gebied waar regulerende DNA-sequenties liggen, die zijn expressie juist sterk doen toenemen, zoals het geval is bij het burkittlymfoom en bij chronische myeloïde leukemie. Door de samensmelting tussen verschillende genen kan er een nieuw fusiegen ontstaan, zoals het Philadelphiachromosoom, dat zich als actief en gevaarlijk oncogen gaat gedragen.

Tumorsuppressorgenen Deze genen zorgen er gewoonlijk voor dat cellen niet ongebreideld door kunnen gaan met delen. Wanneer in tumorsuppressorgenen een mutatie optreedt kan de regulering op de deling van de cel verdwijnen. Zodoende kan de cel ongestoord verdergaan met delen. Naast mutaties kunnen tumorsuppressorgenen ook op andere manieren uitgeschakeld worden. Sommige genen kunnen ook uitgeschakeld worden door hyper-methylering van de promotor-regio van het gen.

Proto-oncogenen Proto-oncogenen zijn gewoonlijk betrokken bij het stimuleren van normale celdelingen; het zijn groeibevorderende genen die zorgen voor de groei en deling van cellen. Wanneer nodig, kunnen ze organen of weefsel in omvang doen toenemen, door het stimuleren van de celdeling. Indien een mutatie optreedt in een proto-oncogen verwordt deze tot een oncogen. Een onco-gen zet de cel aan tot overmatige of zelfs onbeperkte deling.

Apoptose-genen Wanneer een cel niet meer op normale wijze functioneert, treedt er een 'zelfvernietigingsmechanisme' in werking waardoor de cel te gronde gaat. Bij kanker zijn de genen die daarvoor zorgen vaak uitgeschakeld.

DNA-repairgenen Lichaamscellen hebben de beschikking over een DNA-herstelsysteem. Hiermee kunnen afwijkingen in het DNA hersteld worden. Wanneer er een mutatie optreedt in een DNA-herstelgen worden fouten in het DNA niet meer voldoende hersteld. Daardoor kunnen er steeds meer defecten ontstaan in het DNA.

Chemische invloeden Sommige chemicaliën zouden betrokken zijn voor 80 – 90% van alle kankergevallen die bij mensen voorkomen. De chemicaliën werken dan mutageen wat wil zeggen dat ze nieuwe mutaties kunnen opwekken. Dat gebeurt in de chromosomen, genomen maar ook in de genen kunnen ze de mutatiefrequentie opdrijven. Let wel op dat niet alle mutaties kanker opwekken, factoren die met zekerheid kanker kunnen genereren noemen we carcinogenen. Alle carcinogeen is dus mutageen maar niet omgekeerd.

De reden voor de grote betrokkenheid van chemicaliën is dat ze gemakkelijk een verbinding aangaan met DNA. Mutagene chemicaliën worden daarom ook wel elektrofiele stoffen genoemd. We maken een onderscheid tussen reeds actief mutagene stoffen en promutagenen of stoffen die pas mutageen worden onder invloed van bepaalde enzymen in het lichaam.