Het arrest Dzodzi is een uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 18 oktober 1990 (gevoegde zaken C-297/88 en C-197/89), inzake twee verzoeken uit België om een prejudiciële beslissing naar aanleiding van dezelfde casus van de Togolese mevrouw Dzodzi, weduwe van een Belgische man. Haar is een verblijfsvergunning geweigerd. Dit is een interne aangelegenheid zonder aanknopingspunt voor de directe toepassing van gemeenschapsrecht; ze kan geen beroep doen op het beginsel van het vrije verkeer van werknemers.

Richtlijnen

Casus en procesverloop De Togolese Massam Dzodzi had reeds voor het overlijden van haar Belgische echtgenoot een vergunning voor verblijf in België aangevraagd.

Zodoende ontving het Hof van Justitie in dezelfde casus tweemaal een verzoek om een prejudiciële beslissing. Deze zaken zijn gevoegd in het onderhavige arrest.

Artikel 40 Dzodzi beroept zich rechtstreeks op het gemeenschapsrecht alsook op het volgende Belgische wetsartikel.

Rechtsvragen Biedt het gemeenschapsrecht steun om een verblijfsvergunning of een recht op verblijf af te dwingen? (Neen.) Kan het Hof behulpzaam zijn bij de indirecte toepassing van gemeenschapsrecht via dit artikel 40? (Neen.) Biedt het gemeenschapsrecht steun om een voorlopige voorziening af te dwingen? (Neen.)

Uitspraak Hof hoofdvraag De casus biedt geen aangrijpingspunt voor een rechtstreeks beroep op het gemeenschapsrecht. Als echtgenote en weduwe van een Belgische werknemer kan zij in België geen beroep doen op het beginsel van het vrije verkeer van werknemers.

Wat betreft de genoemde richtlijn en verordeningen:

subsidiaire vraag Wat betreft de (indirecte) toepassing van gemeenschapsrecht via genoemd artikel 40 is het Hof zeer terughoudend:

bijkomende vragen De bijkomende vragen van het Hof van Beroep gaan over het ontbreken van voorlopige maatregelen (lees: een voorlopige verblijfsvergunning voor de duur van de procedure). Het Hof volgt dezelfde redenering: Dit is een interne aangelegenheid van België zonder aanknopingspunt voor de directe toepassing van gemeenschapsrecht; Dzodzi kan geen beroep doen op het beginsel van het vrije verkeer van werknemers.

Tot besluit Omdat de Belgische echtgenoot van Dzodzi in België woonde is het gemeenschapsrecht, althans het beginsel van vrije vestiging van een werknemer en diens echtgenoot niet van toepassing. Indien hij (tijdelijk) in een andere lidstaat had gewoond, dan zou dit beginsel van vrije vestiging aldaar wél van toepassing zijn geweest. Alsdan zou de echtgenote het recht van vrije vestiging van een werknemer kunnen uitoefenen. Dit staat bekend als de EU-route. Daarna kan het echtpaar weer in België gaan wonen.

Volgens eenzelfde redenering kan een werknemer met de nationaliteit van een andere lidstaat in België op grond van het gemeenschapsrecht bepaalde rechten uitoefenen, waar een Belg in België geen aanspraak op kan maken. Dit kan gezien worden als omgekeerde discriminatie. Genoemd artikel 40 was bedoeld als reparatie, om een Belgische werknemer in België dezelfde rechten te geven.

Dzodzi, Massim