Dit artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van Albanië.
Oudheid thumb|links|De Illyrische koning Glaucias (periode 335 tot 295 v.Chr.) afgebeeld naast zijn gemalin Beroea. Het gebied dat overeenkomt met het huidige Albanië werd historisch gezien bewoond door de Indo-Europese volkeren Pelasgen, oud Grieken (ookwel Epiroten) en Illyriërs. De Illyriërs vormden aanvankelijk geen verenigd volk of staat, maar bestonden uit verschillende stammen en entiteiten en waren berucht om hun zeeoorlogen. Vanaf de 4e eeuw v.Chr. nam de invloed van Illyrische heersers toe. Het Illyrisch koninkrijk, waar Bardylis I de eerste erkende koning van was, bereikte onder koning Agron een aanzienlijke omvang en het grootste gedeelte van het westelijke gebied op de Balkan. Na zijn dood in 230 v.Chr. volgde zijn vrouw, koningin Teuta, de heerschappij op. Onder haar bewind breidde de Illyrische invloed zich verder zuidwaarts uit. Tijdens de Illyrische heerschappij werden ook Griekse kolonies in het huidige Albanië gesticht. De toenemende Illyrische invloeden brachten het koninkrijk in conflict met het Romeinse Rijk. Vanaf 229 v.Chr. begonnen de Illyrische oorlogen en de daaropvolgende Romeinse campagnes. De Illyriërs werden verslagen en verloren een aanzienlijk deel van hun invloed. De Romeinse overheersing werd in de daaropvolgende eeuwen verder uitgebreid. In 167 v.Chr., na de nederlaag van koning Gentius, kwam het Illyrische koninkrijk definitief onder Romeinse heerschappij. Na de verdeling van het Romeinse Rijk als gevolg van de dood van keizer Theodosius I in 395 kwam het gebied onder bestuur van het Byzantijnse Rijk. links|miniatuur|Illyrische gebieden voor de Romeinse overheersing.|250x160px Vanaf de 7e eeuw vestigden Slavische stammen zich in verschillende delen van de Balkan. Het huidige Albanië werd daarbij, vergeleken met andere gebieden relatief kleinschalig, vooral noordelijke en oostelijke gebieden, geconfronteerd met Slavische migratie. De Slavische politiek versterkte hun macht in de regio echter wel; in de 9e eeuw kwamen delen van huidig Albanië onder heerschappij van het Eerste Bulgaarse Rijk. In de 11e eeuw werden delen van Noord-Albanië onderdeel van het Slavische vorstendom Duklja. Onder župan Stefan Vojislav werd Shkodër benoemd tot hoofdstad. De Byzantijnen herstelden vervolgens hun gezag. Gedurende de daaropvolgende eeuwen wisselde de politieke macht over het gebied regelmatig.
Middeleeuwen Inscriptie met de namen van stamvader Progon en zijn zoons, de prinsen Gjin en Dhimitër|thumb De oorsprong van de Albanezen en de ontwikkeling van hun etnische identiteit in de vroege middeleeuwen zijn onderwerp van wetenschappelijk debat. Zij worden in verband gebracht met verschillende vroegere inheemse Balkanvolkeren, waaronder voornamelijk de Illyriërs, Thraciërs en Daciërs, dan wel met een vermenging van deze bevolkingsgroepen. Het Albanees vormt een zelfstandige tak binnen de Indo-Europese taalfamilie. De Albanese bevolking ontwikkelde zich in een omgeving waarin onder meer Latijn, Grieks en Slavische talen werden gesproken.
De vroegste vermelding het Albanese volk dateert uit Byzantijnse bronnen van de 11e eeuw. Daarin komen benamingen voor als "Albanoi" en "Arbanitai". Het christendom had zich onder de Albanese bevolking reeds in de late oudheid verspreid. Het noorden stond in sterke verbinding met de Latijnse katholieke wereld, terwijl in het zuiden de oosters-orthodoxe traditie een belangrijke rol speelde. thumb|Het vorstendom Arbër in 1210. De eerste bekende Albanese politieke entiteit ontstond aan het einde van de 12e eeuw in Centraal-Albanië. In 1190 vestigde de Albanese archont Progon het vorstendom Arbër met Krujë als belangrijkste centrum. Progon werd opgevolgd door zijn zoons Gjin en later Dhimitër Progoni. Onder prins Dhimitër bereikte het vorstendom Arbër zijn grootste politieke betekenis en territoriale omvang. Dhimitër onderhield betrekkingen met verschillende regionale machthebbers. Na de Vierde Kruistocht van 1204 veranderde de politieke situatie in de westelijke Balkan ingrijpend. Verschillende Byzantijnse opvolgerstaten en andere regionale machten streden om de controle over de gebieden waarin Albanese gemeenschappen leefden.
In 1272 stichtte Karel I van Napels het Koninkrijk Albanië. Het koninkrijk was verbonden met de Anjou-dynastie maar ook lokale Albanese edelen werden in de politieke structuur opgenomen. In de eerste helft van de 14e eeuw breidde het Keizerrijk Servië zich sterk uit. Onder tsaar Stefan Dušan kwam het grootste gedeelte van huidig Albanië onder Servische heerschappij. Na zijn dood in 1355 verzwakte het Servische rijk en konden verschillende lokale Albanese edelen hun zelfstandigheid uitbreiden waarna verschillende Albanese vorstendommen ontstonden. Tot de belangrijkste dynastieën behoorden gedurende deze periode de adellijke geslachten van Muzaka, Thopia, Dukagjini en Balsha. De prins van Berat Andrea II Muzaka breidde zijn macht aanzienlijk uit na het verslaan van Servische troepen in Pelister. De Thopia-dynastie verwierf grote invloed in Centraal-Albanië. Prins Karl Thopia veroverde in 1368 Durrës, waarmee hij de Anjou's uit de regio verdreef. De Balsha-dynastie breidden hun macht vanuit Noord-Albanië uit over Zeta en aangrenzende gebieden. De Dukagjini-dynastie breidde hun macht eveneens vanuit het noorden van Albanië uit richting delen in huidig Montenegro en Kosovo. thumb|250px|Albanese vorstendommen, ca. 1390 De twee Albanese krijgsheren Pjetër Losha en Gjin Shpata voerden na expansie uit Zuid-Albanië invloed uit in Epirus en andere delen in West-Griekenland en verdeelden daar twee vorstendommen onder elkaar. Na de dood van Pjetër Losha kreeg Gjin Shpata in 1374 de titel van despoot van Arta nadat hij de twee Albanese rijken onderbracht als geheel. Vanaf het einde van de 14e eeuw nam de Ottomaanse invloed in de Albanese gebieden toe. Een belangrijk keerpunt in de middeleeuwse Albanese geschiedenis was de Slag bij Savra in 1385, nabij Lushnjë waarbij een Ottomaanse eenheid betrokken werd in het conflict tussen de twee dynastieën Thopia en Balsha. De veldslag leidde tot een geallieerde overwinning van Thopia en het Ottomaanse Rijk waarna de Ottomanen een sandjak uitriepen in Centraal-Albanië, welke door Albanese edelen werd erkend vanwege politieke privileges.
In 1389 vond de Slag op het Merelveld plaats in Kosovo tussen Servië en het Ottomaanse Rijk. Aan de zijde van de Servische vorst Lazar Hrebeljanović namen verschillende regionale machthebbers deel, waaronder Albanese edelen. Onder hen aanwezig was prins Teodor II Muzaka, die volgens de historische traditie tijdens de veldslag sneuvelde. In de jaren vanaf 1430 kwamen verschillende Albanese edelen in opstand tegen de toenemende Ottomaanse heerschappij. De opstanden hielden verband met de centralisatie van het bestuur, belastingheffing en de vermindering van de autonomie van lokale Albanese machthebbers. Onder de belangrijkste Albanese leiders bevonden zich de edelen Gjergj Arianiti en Gjon Kastrioti. De opstanden werden uiteindelijk in 1436 onderdrukt, maar het verzet tegen de Ottomaanse expansie bleef bestaan. Gjergj Arianiti bleef een belangrijke regionale machthebber en verzetsleider gedurende deze opstanden. thumb|rechts|Fresco van het huis Kastrioti, heersers van Albanië van 1444 tot 1468 De belangrijkste Albanese adellijke familie in de 15e eeuw was de Kastrioti-dynastie. De zoon van landsheer Gjon Kastrioti, Gjergj Kastrioti Skanderbeg, werd als kind door de Ottomanen gegijzeld en kreeg een militaire opleiding binnen het Ottomaanse hof. In 1443 keerde hij terug naar Albanië en zette hij zich af tegen het Ottomaanse Rijk. Op 2 maart 1444 kwamen verschillende Albanese edelen bijeen in Lezhë. Tijdens deze bijeenkomst werd de Liga van Lezhë opgericht. Het was een politieke en militaire alliantie van verschillende Albanese heersers en adellijke families en wordt door historici beschouwd als bakermat van een territoriaal Albanië. Skanderbeg werd leider van de Liga van Lezhë en kroonde zichzelf tot "heer van Albanië". Skanderbeg voerde als opperbevelhebber een lang succesvolle oorlog het Ottomaanse Rijk. De Liga van Lezhë kwam ook kort in conflict met Venetië. Het korte conflict eindigde in een Albanese overwinning.
Skanderbeg overleed op 17 januari 1468 vrij plotseling. Zijn dood verzwakte het Albanese verzet tegen de Ottomanen, hoewel verschillende Albanese machthebbers de strijd tegen de Ottomanen voortzetten. Onder anderen prins Lekë Dukagjini speelde in deze periode een belangrijke rol. De Ottomanen voerden vervolgens nieuwe campagnes uit tegen de resterende Albanese machtscentra. In 1478 viel Krujë na een langdurig beleg. In 1479 capituleerde ook Shkodër, na een belegering. Met de val van Shkodër kwam een einde aan het Albanese verzet en aan de zelfstandige politieke macht van de Albanese edelen. De Ottomaanse verovering luidde een nieuwe periode in de Albanese geschiedenis in. De Albanese gebieden en gemeenschappen kwamen gedurende de daaropvolgende eeuwen grotendeels binnen het Ottomaanse Rijk te liggen. miniatuur|242x242px|Gjergj Kastrioti Skanderbeg voert de Albanese troepen aan tijdens de Albanees-Ottomaanse oorlog. Sterk geidealiseerde wandschildering in het Nationaal Skanderbegmuseum in Krujë (jaren 1970).|rechts
Ottomaans Albanië thumb|200px|Sandjak van Albanië (1431) De Ottomaanse periode zou in Albanië met enkele onderbrekingen en verschillen per gebied, ruim vier eeuwen duren. Vanaf de 17e eeuw bekeerden de Albanezen zich grootendeels van het christendom tot de islam. De bekeringen hielden onder meer verband met de politieke en maatschappelijke positie van moslims binnen het Ottomaanse systeem, waarin moslims bepaalde juridische en bestuurlijke voordelen genoten. Ook economische en sociale motieven speelden een rol. Bovendien vielen Albanezen voor de islamisering onder verschillende kerkelijke jurisdicties (zoals Servische, Griekse en Bulgaarse). De afwezigheid van een zelfstandige Albanese kerkelijke structuur wordt soms genoemd als een factor die de latere de islamisering heeft vergemakkelijkt. miniatuur|De aankomst van Albanezen in Italië. Veel aan het christendom trouw gebleven Albanezen ontvluchtten het gebied gedurende de Ottomaanse bezetting en zochten hun heil in kerkelijke gebieden in met name Zuid-Italië, waar zij hedendaags tot de Arbëreshë gemeenschap horen en in Dalmatië, destijds Republiek Venetië, nu Kroatië. Ook trokken veel Albanezen naar Griekenland (Arvanieten).
De naar de islam bekeerde Albanese edelen konden belangrijke bestuurlijke functies bekleden en invloed verwerven in gebieden die tegenwoordig tot Kosovo, Montenegro, Servië, Noord-Macedonië en Griekenland behoren. In de late 18e en het begin van de 19e eeuw ontstonden in de Albanese gebieden en aangrenzende regio's semi-autonome Albanese pasjaliks. Tot de belangrijkste daarvan behoorden het Pasjalik van Shkodër en het Pasjalik van Janina. Het Pasjalik van Shkodër werd vanaf het midden van de 18e eeuw geregeerd door de Bushati-dynastie, met Kara Mahmud Bushati als belangrijkste bestuurder. In het zuiden wist Ali Pasja een onafhankelijke machtspositie op te bouwen. Deze pasja's erkenden formeel de soevereiniteit van de Ottomaanse sultan, maar beschikten in de praktijk over een aanzienlijke mate van autonomie. Ook binnen de centrale Ottomaanse politiek waren personen van Albanese afkomst invloedrijk. Verschillende Albanezen bereikten hoge militaire, ambtelijke en bestuurlijke functies, waaronder die van grootvizier. De bekendste groep was de Köprülü-familie, die in de 17e eeuw meerdere grootviziers voortbracht. thumb|Albanese pasjaliks tijdens de Ottomaanse heerschappij (1790-1795)|250px