De staatsschuldencrisis van de Verenigde Staten van 2011 is de aanduiding voor een (voorlopig kortstondige) financiële crisis die zich voordeed rond de financiering van de Amerikaanse federale overheid.
De crisis kan gezien worden als een (laat) uitvloeisel van de kredietcrisis: een deel van de problemen vonden hun oorsprong in de kosten van maatregelen die de Amerikaanse (federale) overheid (alsmede de Federal Reserve) ter bestrijding van de kredietcrisis hadden genomen.
Achtergronden Hoewel de crisis zich (betrekkelijk) plotseling voordeed, kunnen een aantal reeds langer spelende macro-economische omstandigheden genoemd worden die tot het ontstaan van de crisis hebben bijgedragen, alsmede een aantal aspecten die betrekking hebben op de financiering van de Amerikaanse (federale) staatsschuld.
De crisis zoals die zich in de zomer van 2011 voordeed had niet direct betrekking op een wegvallen van het vertrouwen van beleggers zoals zich dat bij bijvoorbeeld Griekenland voordeed, doch op een politiek conflict over de merites van bezuinigingen van de Amerikaanse overheid, dat speelde onder (grote) druk van het nagenoeg bereikt zijn van het wettelijk plafond aan door de Amerikaanse federale overheid op te nemen leningen. Diepgaande verschillen van inzicht tussen de Democraten en de Republikeinen (met name de conservatieve vleugel daarvan) speelden hierbij een rol.
Macro-economische aspecten; na-ijl van de in 2007 begonnen recessie thumb|Ontwikkeling van het bbp (Engels: GDP) van de VS vanaf 2007
De conjunctuur van de Verenigde Staten was door de kredietcrisis in het vierde kwartaal van 2008 in een recessie beland, doch reeds in het tweede kwartaal 2009 was de groei weer positief.De grafiek toont “geannualiseerde” kwartaalcijfers: het groeicijfer over een kwartaal wordt met vier vermenigvuldigd. Dit is in de VS niet ongebruikelijk bij economische statistieken. In Europa worden bbp-cijfers meestal gepresenteerd als de percentuele verandering ten opzichte van dezelfde periode één jaar geleden: “op jaarbasis”. Hier is de weergave door het Bureau of Economic Analysis aangehouden. Het positieve groeicijfer maskeerde echter een aantal ontwikkelingen die reeds langere tijd speelden, en die tot gevolg hadden dat de Amerikaanse economie minder “robuust” was dan uit dat enkele groeicijfer zou kunnen worden afgeleid. Vanaf het begin van 2011 was sprake van een geleidelijke afname van de groei.
Inkomensverschillen De inkomensverschillen in de Verenigde Staten, die reeds sinds jaar en dag duidelijk groter waren dan bijvoorbeeld in Europa, waren in de loop der jaren (ook reeds geruime tijd voordat de kredietcrisis begon) significant toegenomen. In 1980 had 11,7% van de Amerikaanse gezinnen een inkomen boven $ 100.000 (gerekend in dollars van 2007); in 2007 was dit 25,8%, zie nevenstaande grafiek. De toegenomen welvaart was daardoor voornamelijk bij de meerverdienende Amerikanen terechtgekomen.In 2010 had de rijkste 1% van de Amerikaanse bevolking 24% van het totale inkomen; in 1976 was dit 9%, zie De koopkracht van de middenklasse was niet navenant meegegroeid. Dit hing mede samen met het gestage proces van verplaatsing van industriële productie naar lagelonenlanden: voor zover in de VS al sprake was van compenserende werkgelegenheid was dit vaak in de duidelijk slechter betaalde delen van de dienstensector.Hierbij valt te denken aan de bereiding van fastfood en dergelijke functies.
Volgens Joseph Stiglitz ging in 2011 bijna 25% van het totale Amerikaanse inkomen naar de 1% met de hoogste inkomens; 25 jaar ervoor was dat 12%; 40% van de bezittingen was in handen van deze 1%, wat 25 jaar ervoor 33% was. Of the 1%, by the 1%, for the 1%
"Jobless recovery" thumb|Ontwikkeling huizenprijzen in de VS
Een deel van de middenklasse had in de jaren voor het uitbreken van de kredietcrisis de gevolgen van het niet met de kosten van levensonderhoud meestijgende inkomen ten dele kunnen opvangen door het lenen van geld tegen onderpand van de gestegen waarde van de eigen woning, doch dit proces stagneerde door de daarna (soms zeer sterk) gedaalde woningprijzen. (Zie De Amerikaanse woning- en hypotheekmarkt de oorzaak en de aanleiding van de Kredietcrisis voor een meer gedetailleerde behandeling hiervan.) Medio 2009 werd een dieptepunt bereikt, doch na een bescheiden herstel trad vanaf eind 2010 weer een daling in.
thumb|Ontwikkeling werkloosheid VS (U3) vanaf 1970 thumb|Gemiddelde werkloosheidsduur VS thumb|Ontwikkeling werkloosheid VS volgens verschillende definities
Als gevolg van de crisis nam niet alleen de werkloosheid toe tot een niveau dat in circa 30 jaar niet meer voorgekomen was: ook de gemiddelde werkloosheidsduur was opmerkelijk hoog. Opgemerkt wordt dat in de VS diverse definities van werkloosheid gebruikt worden: in de eerste grafiek wordt “U3” weergegeven. Indien tevens rekening gehouden wordt met werklozen die niet (meer) actief naar werk zoeken, en met werkenden die meer zouden willen werken dan ze doen (“U6”), lagen deze percentages aanmerkelijk hoger. De ontwikkeling van U3 versus U6 wordt in de derde grafiek weergegeven.
Voorts werden deze cijfers vertekend doordat een deel van de ondervraagden verklaarde zich niet meer tot de beroepsbevolking te rekenen, en daarmee ook niet meer als werkloos werd beschouwd. Het IMF noemde dit aspect in zijn World Economic Outlook van april 2011: IMF World Economic Outlook, April 2011, p. 60
Voor deze situatie, waarbij een herstel van de conjunctuur niet gepaard ging met een herstel van de werkgelegenheid, raakte de term "jobless recovery" in zwang.
thumb|Ontwikkeling deelnemers in SNAP-programma
Een stijgend aantal Amerikanen deed een beroep op de voedselhulp van het "Supplementary Nutritional Assistance Program", in de wandeling bekend als “food stamps”. In 2011 bereikte dit een omvang die, ook gecorrigeerd voor de bevolkingsgroei, nog nooit voorgekomen was.
(De aanduiding “food stamps” verwijst naar de oorspronkelijke vorm van deze steun: men kreeg bonnen uitgereikt waarmee, tot de er op aangegeven waarde, etenswaren betaald konden worden. Inmiddels zijn de bonnen vervangen door een met een bankpas te vergelijken systeem geheten Electronic Benefit Transfer. Of men aanspraak kan maken op deze hulp hangt af van het inkomen (waarbij inkomen uit arbeid deels wordt vrijgesteld), de gezinsgrootte, medische kosten en woonkosten (boven een bepaalde grens). Een rekenvoorbeeld op de website van de met de uitvoering belaste instantie leidde, bij een gezin van 4 personen met een inkomen uit arbeid van $ 1.500 en $ 550 aan “social security”, tot een SNAP-uitkering van $ 321 per maand, in het fiscale jaar van 1 oktober 2009 tot 30 september 2010.)
thumb|Ontwikkeling spaarquote VS
De inkomenspositie van een groot deel van de Amerikaanse bevolking stond dus al enige jaren onder druk, en de crisis verergerde de toestand. De mogelijkheid om terug te vallen op financiële reserves was voor een groot deel van de Amerikaanse bevolking gering. De geneigdheid tot sparen was in de VS, internationaal gezien, al niet groot te noemen, en de combinatie van een hausse op de huizenmarkt, gevolgd door een instorting ervan, bracht een toenemend aantal Amerikaanse huishoudens in financiële moeilijkheden.
Een toenemend aantal Amerikaanse particulieren vroeg faillissement aan (“Chapter 7”), of deed een beroep op een schuldsaneringsregeling (“Chapter 13”). Voorts werd vermoed dat er een toenemend aantal huiseigenaren was dat, gebukt onder hoge hypotheeklasten, ophield hun hypotheek te betalen. Banken hadden inmiddels een zodanige achterstand bij het uitwinningsproces dat het vaak maanden kon duren voordat men, na te zijn gestopt met betalen, het huis kwijtraakte. (In die gevallen dat de bank eerst een rechterlijke machtiging tot veiling nodig had, kwamen de achterstanden bij de rechtbanken daar nog bij.)
De invloed van de teruglopende financiële ruimte had een duidelijk negatief effect op de economische groei: consumentenbestedingen vormden circa 60% van de totale bestedingen. Het consumentenvertrouwen daalde vanaf de zomer van 2010.
thumb|Ontwikkeling herstel werkgelegenheid in VS gedurende 5 recessies
Hoewel de in 2007 begonnen recessie formeel al in juni 2009 weer voorbij was, leidde dit niet tot een herstel van de werkgelegenheid. Niet alleen was deze recessie dieper dan voorgaande perioden van economische krimp, het banenverlies zette zich ook gedurende een (veel) langere tijd door. In nevenstaande grafiek is voor een aantal recessies het banenverlies weergegeven vanaf het begin van de recessie (maand nul), uitgedrukt als percentage van de (toenmalige) beroepsbevolking. Opmerkelijk was dat bij iedere latere recessie het herstel van de werkgelegenheid aanmerkelijk trager verliep: bij de recessie die in 2007 begon was van een volledig herstel zelfs geen sprake meer.
thumb|Ontwikkeling financiële verplichtingen Amerikaanse huishoudens als percentage besteedbaar inkomen
Op zich was de kredietcrisis voor de Amerikaanse burgers reden hun schulden terug te brengen. Ook de gedaalde rente leidde ertoe dat hun financiële positie, gemiddeld genomen, verbeterde: een duidelijk geringer deel van hun inkomen ging op aan rente en aflossing. Achter dit gemiddelde ging, uiteraard, echter een duidelijke spreiding schuil.
Samenvattend kan gesteld worden dat zich achter het op zich positieve bbp-groeicijfer een meer genuanceerde en vaak minder gunstige economie bevond. Ieder van de hierboven genoemde omstandigheden voor zich had zich eerder voorgedaan, een dergelijke combinatie van factoren echter niet.
De financiële positie van de Amerikaanse overheid thumb|Ontwikkeling Amerikaanse federale schuld
Bij het begin van deze crisis kon de financiële positie van de Amerikaanse (federale) overheid als volgt geschetst worden. De staatsschuld als percentage van het bbp (Engels: GDP) was in de loop van de kredietcrisis sterk gestegen, en bevond zich op circa 70% van het bbp.Dit is de "net debt held by the public", waarbij federale schuld in handen van andere overheidsorganen niet is meegenomen. De "gross debt" was aanmerkelijk groter. Een dergelijk cijfer was in de "developed world" geenszins ongebruikelijk. Het overheidstekort lag echter op ruim 9% van het bbp, wat verhoudingsgewijs als hoog te beschouwen was .
Opmerkelijk was dat de Amerikaanse staatsschuld voor een wat groter deel met kortlopende leningen was gefinancierd dan in andere landen, bijvoorbeeld Duitsland, Italië en het Verenigd Koninkrijk, het geval was. Bij de keuze voor kortlopende of langlopende leningen zal een overheid een afweging moeten maken tussen enerzijds het rentevoordeel dat bij kortlopende leningen (bij een normale yieldcurve behaald wordt, en anderzijds de grotere kwetsbaarheid voor een verslechterende marktperceptie ("rollover risk"). Men moet veel frequenter een beroep op de financiële markten doen voor de herfinanciering van vervallende leningen. In het kader van de Kredietcrisis moesten, zoals bekend, overheden op grote schaal steun verlenen aan financiële instellingen. De daarmee gemoeide bedragen moesten uiteraard geleend worden: overheden hebben nu eenmaal geen miljarden "op de plank liggen". Die steun was, in beginsel, bedoeld als van tijdelijke aard: verstrekte leningen zouden moeten worden terugbetaald; deelnemingen in het aandelenkapitaal waren bedoeld om, na verloop van tijd, weer afgestoten te worden. De financiering van die steun vond derhalve vaak plaats met betrekkelijk kort lopende leningen. Bij ongeveer alle overheden die dergelijke steun verleenden kon een (relatieve) toename van de korte financiering waargenomen worden, maar bij de VS was dit in duidelijk sterkere mate het geval.