Verhalen van een vampier is een verhalenbundel (raamvertelling), vertaald uit het Sanskriet door prof. dr. Willem Caland.
De Nederlandse vertaling verscheen in 1923 en bevat drie vierde van "de vijfentwintig verhalen van den Wetāla" (वेतालपञ्चविंशति); onderdeel van de "Oceaan van vertelling-rivieren" (कथासरित्सागर; een verzameling van legendes, sprookjes en volksverhalen uit India) van dichter Somadewa (11e eeuw).
Inleiding (aanvang der raamvertelling) thumb|Waringin, Wereldmuseum Amsterdam thumb|Een Wetāla hangt aan een boom Aan de oever van de Godāwari ligt het land Pratishthāna met als vorst Triwikramasena, zoon van Wikramasena. Bhikshoe Kshāntiśīla komt dagelijks met een vrucht voor de vorst en deze gift geeft de vorst daarna aan de schatmeester. Op een dag wordt de vrucht aan een aap gegeven en deze bijt hem doormidden, waarna een prachtige parel zichtbaar wordt. De vorst vraagt de Bhikshoe waarom hij deze rijkdommen krijgt en hoort dan dat de Bhikshoe hem nodig heeft een queeste te volbrengen. De vorst moet op de eerstvolgende dag van de maandhelft van afnemende maan bij het vallen van de nacht aan de voet van een waringin bij het grote crematorium komen. De vorst hoort daar van de Bhikshoe, die een tovercirkel trekt, dat hij zuidwaarts moet gaan om het lijk van een man van een eenzame Śimśapāboom te halen.
De vorst gaat zuidwaarts en haalt het lijk van de boom, maar het lijk schaterlacht. Als de koning hierover spreekt, hangt het lijk onmiddellijk weer aan de boom. De vorst haalt het lijk opnieuw van de boom en de WetālaWetāla wordt gewoonlijk vertaald met vampier maar het gaat om een spook dat zich verbergt in een lijk. in het lijk vertelt een verhaal om de weg terug korter te maken.
Eerste verhaal - De prins, die door zijn vriend in 't bezit zijner geliefde gesteld werd In de stad Wārānasī is Pratapamoekoeta koning. De zoon van de koning, Wājramoekoeta, is bevriend met de zoon van minister Boeddhiśarīra. Ze gaan samen op jacht en komen in een woud, waar een schone maagd zich met haar gevolg gaat baden. Ze worden verliefd en Wājramoekoeta is bedroefd als hij weer thuis is, maar de ministerszoon heeft tekenen van de maagd gezien: Ze stak een lotus in haar oorze woont in het rijk van koning Karnotpala (karna = oor / utpala = lotus) Ze bewerkte haar tanden – ze is dochter van een ivoorbewerkerin het Sanskriet is het woord voor tanden en ivoor hetzelfde Ze bekranste zich met een lotushaar naam is Padmāwatī De prins gaat met de ministerszoon naar Kalingaland en ze komen bij een oude vrouw die de min was van de maagd en nu als dueñaOudere vrouw als gezelschapsdame aan haar is toegevoegd. Ze gaat niet vaak naar de maagd, want haar zoon is dobbelaar en steelt haar overkleden. De ministerszoon vraagt deze vrouw om Padmāwatī te vertellen dat de koningszoon haar bemind. Als de oude vrouw terugkomt, vertelt deze dat ze op beide wangen is geslagen door de met kamfer besmeerde handen van de dochter van de ivoorbewerker. De ministerszoon legt uit dat de koningszoon moet wachten, de tien maanlichte nachten van de maanhelft der wassende maan zijn niet geschikt voor een samenkomst.
De ministerszoon verkoopt goud en laat voor het geld een maaltijd bereiden en begerig gaat de oude vrouw weer naar de dochter van de ivoorbewerker. Ze wordt met drie vingers, besmeerd met lak, op haar borst geslagen. De ministerszoon legt uit dat ze drie dagen ongesteld is en na drie dagen keert de oude vrouw opnieuw terug. Ze wordt deze keer vriendelijk ontvangen en als ze 's avonds terug wil keren, kan dat niet via de openbare weg. Er is namelijk een olifant losgebroken en daarom wordt ze met een bankje uit het raam gelaten en moet over de muur klimmen. De ministerszoon legt uit dat de prins via dezelfde weg naar de dochter van de ivoorbewerker moet gaan en het paar sluit een Gandharwa-huwelijk.dit is een van de acht vormen van huwelijk, alleen wederzijds goedvinden is hiervoor nodig
Na enkele dagen wil de prins zijn vriend bezoeken en de dochter van de ivoorbewerker vraagt of de vriend haar tekenen ontcijferd heeft. De prins vertelt dat de ministerszoon alles heeft uitgelegd, hijzelf begreep niets. De ministerszoon vertelt dat dit niet de juiste manier is geweest om te antwoorden. De volgende dag wordt door een dienares van de dochter van de ivoorbewerker voedsel en een betel gebracht en de ministerszoon geeft het voedsel aan een hond, die daarop sterft. De ministerszoon waarschuwt dat de vrouw de prins op deze manier voor zich alleen wil houden. Dan horen ze dat de jonge zoon van de koning is omgekomen en de ministerszoon stuurt de prins met een bedwelmende drank naar de dochter van de ivoorbewerker. Als de vrouw slaapt, moet hij een drietand in het vuur leggen en haar een merkteken aan de ronding van de heup geven, hij moet al haar sieraden stelen en dan terugkeren.
De volgende ochtend kleedt de ministerszoon zich als asceet en gaat naar de crematieplaats. De prins kleedt zich als zijn discipel en moet een parelsnoer verkopen. Maar hij moet zo'n hoge prijs vragen, dat iedereen het ziet maar niemand het koopt. De prins wordt door stadsbewakers naar de magistraat gebracht en vertelt dat hij het sieraad van zijn leraar heeft gekregen. De magistraat hoort van de asceet dat hij op het crematieterrein van alle kanten een groep heksen zag komen en ze staken het hart van een prins door en boden dit als offergave aan Bhairawa.Śiwa; zie ook Mahakala Een van de heksen wilde de rozenkrans van de asceet ontroven en hij maakte hem met een toverspreuk gloeiend en merkte haar heup en nam het parelsnoer van haar af. Dit sieraad is niet passend voor een asceet en daarom wilde hij het verkopen.
De koning hoort het verhaal en vraagt de asceet welke straf passend zou zijn, waarna Padmāwatī uit de stad verbannen wordt. De prins en ministerszoon pikken haar op en nemen haar mee, waarna ze gelukkig verder leven. De ivoorbewerker sterft van verdriet en zijn vrouw volgt hem in de dood.
De Wetāla wil dan van de koning weten wie schuldig is aan de dood van het echtpaar; de ministerszoon, de prins of Padmāwatī. Als de koning niet eerlijk antwoord geeft, zal zijn hoofd in honderd stukken splijten. Bang voor deze vloek antwoordt de koning dat geen van drieën schuldig is, maar koning Karnotpala. De ministerszoon behartigde alleen de belangen van zijn heer, de prins en de vrouw waren door Amors pijlen gepijnigd. De koning ging af op spionnen en kende de regels van praktische politiek niet. Het juiste antwoord is breken van stilzwijgen en het lijk verdwijnt van de schouder van de koning.
Tweede verhaal - De schoone Mandārawatīl, die door hare drie aanbidders in 't leven teruggeroepen werd Vorst Triwikramasena gaat opnieuw naar de Śimśapāboom om de Wetāla te halen. Het lijk ligt knorrend op de grond in het licht van de brandstapel en de koning neemt het op zijn schouder. De Wetāla vertelt een verhaal om hem te verstrooien.
Aan de oever van de Yamoenā ligt het landgoed Brahmasthala. De Brahmaan Agniswāmin woont daar, hij heeft de Weda bestudeerd. Er wordt een mooie dochter geboren met de naam Mandārawatī. Als ze de huwbare leeftijd bereikt, komen drie mannen om haar hand vragen. Elk van deze mannen gunt haar geen andere man en de vader geeft haar aan geen van drieën, uit vrees dat de anderen zelfmoord plegen. Het meisje sterft en de drie cremeren haar. Een van de mannen blijft daar en bouwt een hutje en leeft van liefdesgaven. De tweede gaat met haar botten naar de Ganges en de derde wordt asceet en doolt rond. Deze asceet komt in Wakrolaka en eet bij een Brahmaan. Een kind begint te huilen en als het niet stopt, gooit de huisvrouw het kind in een vlammenvuur.
De asceet zegt in het huis van boosaardige demonen, meestal reuzen,Rākshasas gekomen te zijn. De Brahmaan pakt een toverformulierboek en strooit stof, belezen met een toverspreuk, over de as. Het jongetje leeft weer en de asceet eet met de Brahmaan. Ze gaan slapen, maar de asceet pakt stiekem het toverformulierboek en gaat naar de crematieplaats van Mandārawatī. Hij vertelt zijn plan en strooit stof, belezen met de spreuk, op de as. Mandārawatī herrijst met grotere glans dan daarvoor. Ze is in het vuur gelegd en lijkt uit goud gevormd. De drie mannen twisten wie haar huwen mag. De eerste zegt dat de as behoed is door zijn ascese, de tweede zegt dat de terugkeer komt door de bedevaart naar de Ganges en de derde zegt dat de toverspreuk haar heeft teruggehaald.
De Wetāla vraagt de koning wie de vrouw huwen mag. Als de koning geen antwoord geeft, zal zijn hoofd splijten. De koning antwoordt dat de derde man haar vader is door wat hij heeft gedaan, de tweede is de zoon.de zoon moet het gebeente in heilige stroom werpen De eerste is uit liefde gebleven, dus dit is haar man. De Wetāla verdwijnt van de schouder van de vorst, omdat het stilzwijgen is verbroken.
Derde verhaal - De vraag, wie slechter zijn: de mannen of de vrouwen, behandeld door sārikā en papegaai thumb|Magadha in India Koning Triwikramasena gaat opnieuw naar de Śimśapāboom om de Wetāla te halen en deze vertelt een verhaal om niet moe te worden. Pātalipoetra is een stad met als koning Wikramakesarin, deze koning heeft een papegaai met als naam Widagdhacoedāmani.kruinjuweel aller slimmerds Op advies van deze papegaai is de koning met een prinses uit Magadha getrouwd. Deze prinses heeft een sārikāeen pratende vogel, een lijster of toekan met de naam Somikā. Beide vogels wonen in één kooi en dienen hun meesters met hun kennis en inzicht.
De vogels krijgen een twistgesprek of de man of de vrouw slecht is, met inzet slavernij of huwelijk. Ze gaan naar de vorst en de toekan vertelt dat koopman Arthadatta in Kāmandikā woont. Zijn zoon dobbelt na de dood van zijn vader en het fortuin verdwijnt op deze manier. Hij vertrekt en komt in Candanapoera in het huis van een koopman en huwt de dochter Ratnāwatī. Hij krijgt een rijke uitzet en gaat na een tijd terug naar zijn eigen land met zijn vrouw (die rijke sieraden draagt) en een oude vrouw. In een bos neemt hij het sieraad van zijn vrouw en zegt dat er rovers zijn, hij gooit dan beide vrouwen in een afgrond. De oude vrouw komt om, maar Ratnāwatī blijft aan een liaan hangen en keert naar huis terug. Ze vertelt dat rovers het gezelschap hebben overvallen en denkt alleen aan haar man.
Dhanadatta verdobbelt opnieuw zijn bezittingen en besluit naar zijn schoonvader te gaan. Hij zal zeggen dat zijn vrouw nog thuis is. Bij het huis van zijn schoonvader valt zijn vrouw aan zijn voeten en vertelt wat ze haar ouders heeft verteld. Er wordt een feest gegeven nu de schoonzoon is vrijgelaten door de rovers. Op een dag doodt de man zijn vrouw en neemt haar sieraden mee naar zijn land.
De papegaai vertelt dat de rijke koopman Dharmadatta in Harshawatī woont. Zijn dochter Wasoedattā wordt uitgehuwelijkt aan de koopmanszoon Samoedradatta uit de door Aryas gezochte stad Tāmtaliptī. Hij gaat naar zijn eigen land en zij neemt een minnaar. Als de echtgenoot terugkomt, weigert ze hem 's nachts te wille te zijn. Een dief breekt in de slaapkamer in en zij vertrekt naar een rendez-vous met haar minnaar. De dief volgt haar, want hij wil haar sieraad. Samen met een dienares ontdekt de vrouw dat haar minnaar door een stadswacht is opgehangen en ze haalt hem van de boom. Ze siert het lijk met zalf en bloemen, maar er is een Wetāla in het lijk gekropen en die bijt een stuk van haar neus. Ze gaat terug naar huis en beschuldigt haar man, die in boeien geslagen wordt en voor de koning wordt geleid. Hij wordt ter dood veroordeeld en naar de executieplaats gevoerd.