thumb|Standbeeld in Charleroi door Alphonse Darville (1956) Jules Destrée (Marcinelle, 21 augustus 1863 – Brussel, 3 januari 1936) was een Belgisch politicus en doctor in de rechten. Hij was actief in de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Hij ging de geschiedenis in met de volgende zinsnede uit zijn open brief aan koning Albert I:

Levensloop Zijn vader was ingenieur in de chemische industrie in Marcinelle en Couillet en werd later professor. Jules zelf was een begaafd student die al op twintigjarige leeftijd doctor in de rechten werd aan de Université Libre de Bruxelles (ULB). Zijn jongere broer, Olivier-Georges, werd kloosterbroeder, eerst in Maredsous, later in de Abdij van Keizersberg in Leuven. Naast zijn werk als advocaat aan de balie van Charleroi, hing Jules graag rond in de artistieke en literaire kringen van zijn tijd. Zo leerde hij de etser Auguste Danse kennen, wiens dochter Marie hij in 1889 huwde. Na de Eerste Wereldoorlog werd hij stafhouder van de Brusselse Orde van Advocaten.

De Waalsgezinde Destrée was aanvankelijk militant van de Liberale Partij, waarna hij politiek actief werd voor de socialistische BWP. Namens deze partij zetelde hij van 1894 tot aan zijn dood voor het arrondissement Charleroi in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Volksvertegenwoordiger in de Kamer In de Kamer nam Destrée herhaaldelijk deel aan debatten betreffende de taalkwestie. In 1898 stemde hij voor de Gelijkheidswet, wat hem een aanval van de Ligue wallonne van Luik opleverde. Destrées houding inzake de taalkwestie hield in eerste instantie in dat hij bereid was om tegemoet komen aan de onrechtvaardigheden waarvan de Vlamingen slachtoffer waren, maar dat dit geen afbreuk mocht doen aan de rechten van de Franse taal. Zo was hij lange tijd een tegenstander van de vernederlandsing van de Rijksuniversiteit Gent en was hij zeer gehecht aan België.

Hij publiceerde ook vele en uiteenlopende geschriften; naast verhalend proza, politieke en sociale werken ook studies over kunstenaars, waaronder Odilon Redon en Rogier van der Weyden. Het Waalse engagement van Destrée uitte zich vooral op cultureel vlak, waarbij hij het Waalse patrimonium en de Waalse kunstenaars naar waarde wilde doen schatten.Biografie Jules Destrée in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging.

Brief aan de Koning, over de scheiding van Vlaanderen en Wallonië Volgens Destrée bestond België uit twee afzonderlijke entiteiten, Vlaanderen en Wallonië, en was er geen "Belgisch" nationaal gevoel mogelijk. In 1906 verschijnt hierover zijn werk « Une idée qui meurt: la patrie ». In de Revue de Belgique van 15 augustus 1912 verwoordde hij dit in zijn bekende « Lettre au roi sur la séparation de la Wallonie et de la Flandre », waarin hij schrijft:

"Il y a en Belgique des Wallons et des Flamands. Il n'y a pas de Belges", wordt tot op heden geciteerd. In tegenstelling tot wat de titel van zijn brief suggereert, pleitte hij niet voor een daadwerkelijke splitsing van België maar voor een soort federale staat; dit in de eerste plaats uit vrees dat het dichtbevolkte Vlaanderen een unitair België zou overheersen.

In deze brief haalde Destrée zwaar uit naar de Vlamingen die hij verweet de Walen zowat alles ontnomen te hebben. Reeds eind september 1912 schreef Hippoliet Meert, leraar aan het Koninklijk Atheneum van Gent en stichter van het Algemeen Nederlands Verbond, een vlammende reactie op zijn brief, waarin hij punt voor punt de verwijten van Destrée ontkrachtte. Dit antwoord werd als brochure verspreid op 100.000 exemplaren in het Frans en 30.000 exemplaren in het Nederlands.

Destrées uitspraken over Brussel tonen zeer duidelijk het racisme van zijn brief, in de eigenlijke betekenis van het woord.Céline Préaux, Jules Destrée à contre-courant, in: Jules Destrée, Lettre au Roi, 2013, p. 19-20, . Gearchiveerd op 12 augustus 2022. Hij noemde de Brusselaars veroordelend "bastaards" en een "agglomeraat van metissen". De inferioriteit van metissen stond voor hem buiten kijf, het onvermijdelijke resultaat van rassenvermenging.

Reactie van de Koning De koning liet aan zijn secretaris, Jules Ingenbleek, weten:

Verdere carrière Na de Duitse inval in 1914 ging Jules Destrée, op verzoek van de Belgische regering, in ballingschap in Frankrijk. Hij ging de Belgische zaak bepleiten in Londen, Parijs en Rome, en ging ook op diplomatieke zending naar Sint-Petersburg en naar China in 1918.

Van 1919 tot 1921 was hij minister van Kunsten en Wetenschappen. Hij stelde bij wet van 15 oktober 1921 het Fonds des mieux doués (Het Fonds der Meestbegaafden) in, om de studies van hoogbegaafde kinderen uit minder begoede families te bekostigen. In 1920 stichtte hij de Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique (Koninklijke Academie voor de Franse taal en letterkunde van België).

Tussen 1919 en 1923 was hij actief lid bij de afdeling landschappen van de Koninklijke commissie voor Monumenten en Landschappen.

Als minister is Destrée ook bekend van de Wet-Destrée van 17 oktober 1921 (gestemd net voor het einde van zijn ambtsperiode). Deze wet beoogde via het stimuleren van bibliotheekvoorzieningen een aanvulling te scheppen op het sinds 1914 verplichte lager onderwijs en een nuttige vrijetijdsbesteding te verschaffen aan de werkende klasse. De wet voorzag in het oprichten, ontwikkelen en vermenigvuldigen van voor ieder toegankelijk openbare bibliotheken.

In 1930 publiceerde hij een kleine artistieke studie: De Meester van Flemalle (Robert Campin). De Meester van Flemalle (Robert Campin), Brussel, L.J. Kryn, reeks "Groote Meesters", 1930, 146 p.

In 1931 werd hij voorzitter van een internationaal congres in Athene waar vooral Europese architecten, restaurateurs en monumentenzorgers samenkwamen. Deze samenkomst was het initiatief van de Franse Office International des Musées, waarvan Destrée ook lid was. De tekst die er werd opgesteld streefde naar een internationaal referentiekader voor het behoud en de restauratie van monumenten. Het charter van Athene zette in 1931 de krijtlijnen uit waarop meer dan dertig jaar later in 1964 het charter van Venetië is uitgewerkt en dat tot de dag van vandaag een leidraad is voor een goede omgang met het onroerend erfgoed.

Destrée zou zich tot aan zijn dood blijven inzetten voor de Waalse zaak. In 1923 verliet hij weliswaar de Assemblée wallonne, waarvan hij in 1912 aan de wieg had gestaan, omdat die te weinig aandacht zou gehad hebben voor de Waalse arbeidersklasse. In 1929 ondertekende hij, samen met Camille Huysmans, het Compromis des Belges. Hierin werd het separatisme veroordeeld, de culturele autonomie van Vlaanderen en Wallonië aanvaard en een grotere autonomie voor gemeenten en provincies voorgesteld. Het compromis kwam tegemoet aan de eis van Destrée om Vlaanderen tweetalig te houden, naast een eentalig Wallonië.

In 1938 werd het Institut Jules Destrée opgericht om de regionale ontwikkeling van Wallonië te bevorderen. Met zijn nalatenschap is een museum in Charleroi opgericht, Musée Jules Destrée, dat geopend werd in 1988.

Trivia Gaston Eyskens zou later de beruchte woorden van Destrée geparafraseerd hebben onder de vorm "Sire, il n'y a plus de Belges" na de eerste stappen in de omvorming van België tot federale staat. De Jules Destréestraat in Hoboken werd naar hem vernoemd.

Externe links

L'Institut Destrée Institut Jules-Destrée (destree.org) R. V. N., art. Jules Destrée, academiedelitterature.be (2006). Jules Destrée en zijn antisemitisme

Categorie:Belgisch Franstalig schrijver Categorie:Minister in de Belgische regering Categorie:Belgisch volksvertegenwoordiger Categorie:Persoon binnen de Waalse Beweging Categorie:BWP-politicus