De Italiaanse renaissance is een in de 14e eeuw in Italië ontstane intellectueel-culturele beweging, periode en kunststijl die omstreeks 1500 haar hoogtepunt bereikte. In navolging van Jacob Burckhardt, beschouwde de geschiedschrijving deze culturele beweging lange tijd als een afrekening met de middeleeuwen. Deze visie geldt inmiddels als achterhaald. Alleen in de kunst en de literatuur was sprake van een duidelijke breuk met de voorgaande periode van de middeleeuwen.
Het begin van de renaissance leggen sommige historici in de eerste helft van de veertiende eeuw. Veel aspecten van de Italiaanse cultuur en samenleving bleven echter middeleeuws, zo bleef de Kerk onverminderd machtig. Veel kunstwerken uit de renaissance hebben een religieuze thematiek en bevinden zich in religieuze gebouwen, zoals het fresco van het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci in een Milanees klooster, en de plafondschilderingen van Michelangelo in de Sixtijnse Kapel. En zelfs het katholieke machtssymbool bij uitstek, de Sint-Pietersbasiliek, is in de renaissance ontworpen en gebouwd.
De notie van een renaissance (de Franse vertaling van het Italiaanse rinascita, wedergeboorte, namelijk van de klassieke oudheid) kwam oorspronkelijk van Florentijnen die reflecteerden op, met name de culturele aspecten van, hun eigen geschiedenis. Vooral in de neolatijnse literatuur en de beeldende kunst vanaf 1300 (het trecento) is een geleidelijk negatievere houding merkbaar ten opzichte van de voorgaande middeleeuwen, de periode tussen het einde van de oude wereld en het trecento. De middeleeuwen worden daarin steeds vaker neergezet als een periode van duisternis, zonder welsprekendheid, poëzie, grote sculpturen en schilderijen. Voorbeelden van deze houding vindt men in de geschriften van Petrarca en Boccaccio, Salutati en Bruni, en bij kunstenaars en architecten als Ghiberti en Alberti. Deze humanisten en hun navolgers stelden zich ten doel om na de "periode van barbarij", zoals ze de middeleeuwen noemden, de klassieke idealen te doen herleven. De superieur geachte cultuur van de klassieke oudheid diende in ere te worden hersteld en, zo mogelijk, te worden overtroffen (translatio, imitatio en aemulatio). Deze ontwikkelingen, hoe opmerkelijk ook, werden slechts gedragen door een overwegend mannelijke elite. Voor de grote meerderheid van de bevolking veranderde er weinig: de renaissance bleef als culturele beweging in Italië grotendeels beperkt tot de kring van geletterden en patroons.
De Italiaanse renaissance beleefde haar hoogtepunt omstreeks 1500, waarna de Italiaanse oorlogen de regio ontwrichtten. De ideeën en kunstuitingen van de renaissance verspreidden zich echter verder in Europa. In veel Europese landen was niet alleen sprake van beïnvloeding vanuit Italië, maar dikwijls ook van vergelijkbare culturele ontwikkelingen van eigen bodem. thumb|Leonardo da Vinci: Anatomie van een mannelijk naakt (schets).
Het begrip "Italiaanse renaissance" Om te beginnen was het idee van de renaissance als een gouden tijdperk na eeuwen van duisternis niets anders dan een verhaal dat de humanisten uit die tijd zelf ophingen; het was een zeer zelfbewuste beweging die haar eigen reputatie vormde. Zo eiste in 1492 de Italiaanse humanist Marsilio Ficino voor zijn geboortestad Florence de eer op dat "daar de vrije kunsten in ere werden hersteld".
Het idee van de renaissance als historisch periodebegrip werd gelanceerd door Jacob Burckhardt in zijn boek Die Kultur der Renaissance in Italien uit 1860. Burckhardt sprak van een Kulturepoche. Hij zag de renaissance als een geheel, tot uitdrukking gebracht in alle aspecten (politiek, wetenschap, godsdienst,...) van de maatschappij. De kunst liet hij in zijn werk praktisch buiten beschouwing, omdat die volgens hem een eigen ontwikkeling volgde. Kernbegrippen in de negentiende-eeuwse visie op de renaissance zijn: realisme, secularisering en individualisme. Aan de middeleeuwen worden tegengestelde karakteristieken toegeschreven.
In navolging van Burckhardt gold de Italiaanse renaissance lange tijd als het begin van de nieuwe tijd, het Italië van de Medici was de eerste 'moderne' cultuur. Op dit punt is de perceptie inmiddels radicaal gewijzigd. Waar een duidelijke breuk zag met de middeleeuwen, zien hedendaagse historici vooral continuïteit. In plaats van 'modern' wordt de wereld van de renaissance veeleer als 'archaïsch' beschouwd.
Italië was in de eerste plaats een agrarische maatschappij: een groot deel van de bevolking werkte in de landbouw en was analfabeet; de economie was in hoge mate afhankelijk van last- en trekdieren. Van de 9 à 10 miljoen mensen die in Italië leefden, leefde het grootste deel in bittere armoede. Feitelijk bleven de welvaart en intellectuele cultuur beperkt tot de steden. Peter wijst erop dat de boerenbevolking van Italië een eigen cultuur bezat, maar hij besteedt er in zijn studie over de Italiaanse renaissance vervolgens geen aandacht aan. Het is een ander onderwerp. In vergelijking met de vloedgolf aan publicaties over de Italiaanse steden is er weinig onderzoek gedaan naar het leven op het platteland tijdens de renaissance.
Het idee dat renaissancekunst superieur is aan middeleeuwse kunst was lange tijd het uitgangspunt van iedere studie van de renaissance. Ook een vergelijking van de literaire prestaties van middeleeuwen en renaissance viel a priori in het voordeel van de laatste uit. Vervolgens stond iedere onderzoeker voor de taak deze plotselinge uitbarsting van creativiteit in Italië te verklaren. Een vroege humanist als Leonardo Bruni legde een verband met de politieke vrijheid van Florence. Een republikeins staatsbestel en culturele bloei waren voor hem onlosmakelijk met elkaar verbonden. Giorgio Vasari, die in 1550 een verzameling biografieën van kunstenaars publiceerde, dacht eerder aan sociale factoren, zoals kritische zin en onderlinge concurrentie.
Toch heeft het enkele eeuwen geduurd voordat de serieuze historiografie aandacht begon te besteden aan de culturele ontwikkelingen in Italië in de vijftiende eeuw. Voltaire en de verlichting waren in dit geval het omslagpunt: nadien werd ook de bestudering van sociale en culturele ontwikkelingen in het verleden serieus genomen.
Hoewel inmiddels het baanbrekend karakter van de Italiaanse renaissance in veel opzichten als een achterhaalde opvatting geldt, is men het er doorgaans wel over eens dat op ten minste drie terreinen sprake was van een opmerkelijke opeenvolging van artistieke prestaties: in de schilderkunst, in de beeldhouwkunst en in de architectuur. Maar zelfs op deze terreinen heeft de renaissance aan belang ingeboet: de moderne kunst en moderne architectuur hebben zich heel bewust van de klassieke traditie en daarmee ook van de renaissance afgewend.
Zoals meestal is ook van de renaissance de afbakening in de tijd omstreden. Het idee van een wedergeboorte is vanaf ~1340 terug te vinden in geschriften en werd aanvankelijk vooral in verband gebracht met Dante Alighieri en Giotto di Bondone. De Italiaanse renaissance heeft geen scherp bepaalde begin- of eindgrens; in de kunstgeschiedenis is datering tussen ca. 1340 en ca. 1550 gangbaar.
Demografie Uiteraard berusten alle gegevens over de omvang van de bevolking tijdens de renaissance op schattingen. Unanimiteit zal daarover niet bereikt worden. Wel zijn de verschillen tussen de opvattingen van de demografen kleiner geworden. In het boek Italy in the age of the Renaissance, 1300-1550 geeft F. Franceschi de volgende aantallen voor de bevolking van Italië: (2004): Italy in the age of the Renaissance, 1300-1550, Oxford University Press, Oxford/New York, p.126.
Jaar Bevolking 1300 12.500.000 1350 9.000.000 1400 7.300.000 1450 1500 9.000.000 1550 11.500.000
Vermoedelijk is ook na 1400 nog enige tijd sprake geweest van een dalende trend. In de steden is het herstel sterker geweest dan op het platteland. Het heeft lang geduurd voordat het bevolkingsaantal van 1300 opnieuw werd bereikt.
Economie De culturele bloei die Italië tijdens de renaissance doormaakte, kan niet los gezien worden van de economische en politieke structuren.
Italië was geen politieke, zelfs geen culturele eenheid, maar slechts een geografisch begrip. Er bestonden meerdere Italiaanse dialecten naast elkaar. Hier en daar werden ook andere talen gesproken. Het Toscaans, het dialect van Dante Alighieri, Francesco Petrarca en Giovanni Boccaccio, genoot een zeker prestige. Wie onderwijs had genoten, kon vaak Toscaans begrijpen.
Een groot deel van het land is bergachtig en niet geschikt voor landbouw. In combinatie met zijn ligging in Europa en het feit dat de zee zelden ver weg is, heeft dit tot gevolg gehad dat juist de handel hier vroegtijdig tot bloei kwam. De handel concentreerde zich in de steden. Rond 1300 waren er in Noord- en Midden-Italië ongeveer 23 steden met 20.000 of meer inwoners. Daarmee was het een van de sterkst verstedelijkte gebieden van Europa. Dit was een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van de renaissance. (2012): The Italian Renaissance. Culture and society in Italy, second edition, polity, Cambridge, p.1.
Expansie De stadstaten van Noord- en Midden-Italië waren (naast Vlaanderen) lange tijd de rijkste regio van Europa. Als gevolg van de kruistochten waren duurzame handelsrelaties met de Levant aangeknoopt. De Vierde Kruistocht (1202-1204) bracht vervolgens grote schade toe aan de grootste commerciële rivaal, het Byzantijnse Rijk. Hierdoor konden Venetië en Genua hun handelsnetwerk verder uitbreiden. De belangrijkste handelsroutes uit het oosten liepen door het Byzantijnse Rijk of de Arabische landen en deden daarna de havens van Genua, Pisa en Venetië aan. Luxegoederen gekocht in de Levant, zoals specerijen, kleurstoffen en zijde, werden geïmporteerd in Italië en daarna weer verkocht in de rest van Europa. De meer in het binnenland gelegen stadstaten profiteerden van de rijke landbouwgronden van de Povlakte. Van groot belang in het mechanisme van de economische uitwisseling tussen Frankrijk, Duitsland en de Lage Landen waren de foires de Champagne, een reeks handelsmarkten die werden gehouden in het graafschap Champagne.
De groei van de handel stimuleerde ook landbouw en mijnbouw. Door de ontwikkeling van de handel kon het noorden van Italië, hoewel niet rijk aan grondstoffen, toch gedijen. Florence werd een van de rijkste steden van Noord-Italië, wat het voornamelijk te danken had aan de vervaardiging van wollen stoffen. De productie stond onder toezicht van het invloedrijke handelsgilde, de arte della lana.
In de dertiende eeuw kende een groot deel van Europa een sterke economische groei. De handelsroutes van de Italiaanse staten waren verbonden met die van de belangrijke Middellandse Zeehavens en later ook met de Hanzesteden van de Oostzee en de noordelijke regio's van Europa. De grote stadstaten van Italië breidden zich tijdens deze periode uit en werden de facto volledig onafhankelijk.
Gedurende deze periode werd een nieuwe commerciële infrastructuur ontwikkeld met dubbel boekhouden, naamloze vennootschappen, een internationaal bankwezen, een markt voor vreemde valuta, verzekeringen, en een overheidsschuld. (2012): The Italian Renaissance, p.232. Florence werd het centrum van deze financiële sector en de gouden florijn werd de belangrijkste valuta van de internationale handel.