Giethoorn (Stellingwerfs: Gietern) is een waterstreekdorp in de kop van Overijssel, in de gemeente Steenwijkerland in de Nederlandse provincie Overijssel en ligt tussen Steenwijk en Meppel.
Giethoorn was tot 1973 een zelfstandige gemeente. Het ging toen samen met Wanneperveen, Blokzijl en Vollenhove deel uitmaken van de gemeente Brederwiede. Op 1 januari 2001 fuseerden de gemeenten Brederwiede, Steenwijk en IJsselham tot de gemeente Steenwijkerland.
Het dorp telt 2630 inwoners en is bekend door zijn bruggetjes, waterwegen en punters. Het wordt wel het 'Hollands Venetië' genoemd. Giethoorn is langgerekt en bestaat uit drie buurten die steeds versprongen van elkaar liggen. In het noorden is dat het Noordeinde, dan volgt de Middenbuurt en ten slotte het Zuideinde. De Dorpsgracht is de centrale as van Giethoorn en eindigt in het zuiden in het Zuideindiger Wijde. De boerderijen en huizen zijn gescheiden door kavelsloten waarover vlonders liggen die de huispercelen verbinden. De bultrugboerderij is kenmerkend voor Giethoorn. De boerderij lijkt een bult te hebben doordat de schuur hoger is dan het woonhuis.Ronald Stenvert, Chris Kolman, Ben Olde Meierink, Jan ten Hove, Marieke Knuijt en Ben Kooij, Monumenten in Nederland. Overijssel. Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist / Waanders Uitgevers, Zwolle 1998. Gearchiveerd op 1 mei 2023.
Door de vervening ontstonden plassen en meren. Om de turf te vervoeren groef men vaarten en sloten. Vele huizen zijn als het ware op eilandjes gebouwd, die alleen via bruggetjes te bereiken zijn. De meeste van de meer dan 176 bruggen zijn privé-eigendom.
De enige doorgaande verbinding door het oude dorp over land is een fiets- annex wandelpad dat van het Noordeinde naar het Zuideinde loopt en alleen door de Kerkweg tussen Noordeinde en Middenbuurt onderbroken wordt. Het voornaamste verkeer vindt plaats over het water. Het belangrijkste traditionele vaartuig dat hiervoor gebruikt werd, was de punter, voortbewogen met een punterboom (punteren). Tegenwoordig worden allerhande motorisch voortbewogen boten hiervoor gebruikt en wordt er nauwelijks nog gepunterd.
miniatuur|Melkvaarder op een Gieters vlot in 1926 miniatuur|Tjasker aan het Bovenwijde, met op de achtergrond Middenbuurt in 1926 thumb|Beelden uit Giethoorn in 1942. Een man en vrouw gaan in een Gieters botie naar het hooiland, onderweg komen ze de postbode in een botie tegen, een biezensnijder in een punter en een visser die zijn paling in een bun levend bewaart in een botie. Het hooi wordt op de bok geladen en naar de boerderij geboomd. Op de terugweg komen ze een zeilende bok met vee tegen. Terwijl ze het hooi naar binnen halen komt de bakker langs in een punter thumb|Bruiloft te Giethoorn op 7 augustus 1947 met punters waarbij ook een punter met melkbussen en een bok met vee in beeld komt thumb|Kruidenier (Hendrikus Zeefat) brengt per punter zijn waren rond in 1955
Naam De eerste vermelding van Giethoorn dateert uit 1225. Flagellanten worden vaak vermeld als stichters van Giethoorn. Gait L. Berk schrijft erover: "Als dat waar is, is het fantastisch. Stel u voor, een troep haveloze dwepers die zich al maar geselen en uitzinnig ronddolen om dan voorouders te worden van een degelijk gekleed en kalm ploeterend volk."Gait L. Berk: Zij leefden van water. Herinneringen aan de Noordwesthoek van Overijssel. Derde druk, uitgegeven door Boom Meppel 1979 , blz. 26 Berk legt ook een verband met het klooster dat in Giethoorn-Noord gestaan heeft. Deze pioniers zouden veel geitenhoorns gevonden hebben van door de stormvloed van 1170 vanuit de Zuiderzee omgekomen geiten. Volgende deze verklaring zouden zij hun nederzetting Geytenhorn genoemd hebben. Later werd dat Geythorn, en dankzij het dialect is het Giethoorn geworden. De geitenhoorn is terug te vinden in het wapen van Giethoorn. Volgens taalwetenschappers heeft "hoorn" echter de betekenis "in het water uitspringende hoek land", hetgeen de vorm "Gethorne" (1230) ook laat vermoeden.
Geschiedenis Giethoorn was een nederzetting van veenontginners. De ontginning startte vanaf de oostoever van het Giethoornsche Meer en bestond uit naar het oosten gerichte kluften die gescheiden werden door watergangen, zoals de Cornelisgracht en de Walengracht. De Dwarsgracht vormde een achterkade van een dergelijke ontginning. Naarmate de ontginning door de eeuwen vorderde werd het dorp oostwaarts verplaatst. De laatste keer gebeurde dat in de 17e eeuw, waarbij het dorp van de Gieterse Dijk, die later Beukersweg genoemd werd, naar het gebied van de huidige Dorpsgracht verplaatst werd.Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 , blz. 69 Rond 1750 schakelde het dorp over van vervening als basis van het bestaan naar veehouderij. De grachten waren aanvankelijk gegraven voor de afvoer van turf, maar kregen meer en meer betekenis voor het landbouwbedrijf. Na de laatste verplaatsing van het dorp naar de Dorpsgracht kreeg Giethoorn het karakter van een waterdorp met een gracht begeleid door een voetpad met voor de scheepvaart afneembare vonders. Daarnaast kwamen de typerende hoge bruggetjes. Deze moesten hoog zijn om in de boot staande punteraars en hoog met hooi beladen bokken onbelemmerde doorgang te kunnen verlenen. De Gietersen gebruikten hun boten ook voor vervoer naar omliggende plaatsen als Steenwijk, Meppel, Zwartsluis en Blokzijl.
Er ontwikkelde zich een vaarcultuur met eigen Gieterse scheepstypen. De Gieterse punter is daarvan de bekendste. Dit is een boot van ongeveer 6,30 meter lang en met een grootste breedte van 1,45 meter. De punter werd gebruikt voor allerlei transport. Winkeliers, zoals de bakker, gingen ermee rond door het dorp om hun waar te verkopen. Arbeiders die werkzaam waren in de turfmakerij of het snijden van biezen en riet, gingen ermee naar hun werk en konden dan een deel van de oogst meenemen in de punter. Verder werd de punter gebruikt voor begrafenissen en huwelijksfeesten.Bernardus Bueninck: Giethoorn, in: De aarde en haar volken, Haarlem 1900, blz. 1-15. geraadpleegd op overijssel1880-1930.blogspot.nl op 1 september 2014 Ook veermannen die op marktdagen naar Steenwijk of Meppel afreisden om handelswaar te kopen of te verkopen gebruikten hiervoor lange tijd de punter. Ook visite kwam vaak per punter op bezoek. In Giethoorn werd de punter geboomd, bij gunstige wind ook gezeild met een sprietzeil en een zwaard dat bij overstag gaan of gijpen aan de andere boord gehangen werd.Gait L. Berk, De Punter, tweede druk Haarlem 1999. , blz. 35Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 , blz. 116-135J.J. Hof: Giethoorn, Ons Hollands Venetië, zoals ik het gekend heb. Tweede uitgave door Broekhuis 1981, blz 80, 84-86.
Punters werden ook gebruikt bij het "heveslepen". Bij hoge waterstand voer men naar een kragge, een bodem bestaande uit halfvergane plantenresten, bijeengehouden door wortels van waterplanten, die door de luchtkanalen in de wortels blijft drijven. Deze kragge werd versneden in stroken van een meter breed en op de zij gerold. Vervolgens werden ze achter elkaar vastgebonden. Deze reeks kraggen werd achter een punter versleept naar een plek waar men land wilde winnen. Dit transport vond ook plaats door de dorpsgracht.J.J. Hof: Giethoorn, Ons Hollands Venetië, zoals ik het gekend heb. Tweede uitgave door Broekhuis 1981, blz. 40-45,
Een slag groter dan de punter is het Gieterse vlot, tussen de 8 en 11 meter lang en de breedte schommelde rond de 2 meter. Het werd gebruik voor transport van melkbussen, hooi, turf, hout, mest en riet. Met behulp van een veervlot is een tijd een veerdienst naar de markt in Meppel onderhouden. Vlotten werden geboomd en bij gunstige wind gezeild.J.J. Hof: Giethoorn, Ons Hollands Venetië, zoals ik het gekend heb. Tweede uitgave door Broekhuis 1981, blz. 84-86, afbeelding 84.Gait L. Berk, De Punter, tweede druk Haarlem 1999. , blz. 109-113Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 , blz. 192-203
Het grootste schip dat in Giethoorn gebruikt werd, was de Gieterse bok, die meer dan 12 meter lang kon zijn en soms was uitgerust met een kajuit.J.J. Hof: Giethoorn, Ons Hollands Venetië, zoals ik het gekend heb. Tweede uitgave door Broekhuis 1981, , afbeelding 4. De bok werd gebruikt voor de zwaarste transporten en grote hoeveelheden hooi, maar ook grootvee werd vervoerd met de bok. Bokken werden ook door puntermakers verhuurd aan bijvoorbeeld boeren, soms voor een jaar, die deze dan weer onderverhuurden aan anderen voor bepaalde werkzaamheden. Bokken werden geboomd en bij gunstige wind ook gezeild.Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 , blz. 204-223Gait L. Berk, De Punter, tweede druk Haarlem 1999. , blz. 113-117
De roeiboot was de kleinste boot die traditioneel in Giethoorn werd gebruikt en werd plaatselijk 'botie' genoemd. Deze waren 4 à 5 meter lang. Deze werd in tegenstelling tot de andere vaartuigen (gezamenlijk in Giethoorn "gevaer" genoemd) geroeid. Deze bootjes werden gebruikt om te melken of om kleine, snelle tripjes te doen.Gait L. Berk, De Punter, tweede druk Haarlem 1999. , blz. 105-108Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 , blz. 99-115
Dit vele gebruik van boten leidde tot een aantal punterwerven. Soms worden er aantallen van 14 tot 20 punterwerven in Giethoorn genoemd.J.J. Hof: Giethoorn, Ons Hollands Venetië, zoals ik het gekend heb. Tweede uitgave door Broekhuis 1981, , blz. 62-66. Bij Berk wordt dit in twijfel getrokkenGait L. Berk, De Punter, tweede druk Haarlem 1999. , blz. 66-67 en Niek van den Sigtenhorst komt uit op 4 tot 6 punterwerven in Giethoorn.Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 , blz. 224-226
Naast de eerdergenoemde veeteelt en turfwinning was ook rietsnijden en het snijden van andere waterplanten ("dulen") voor dakbedekking een bron van inkomsten. Visserij was ook van belang in het Giethoorn in de 19e eeuw/begin 20ste eeuw. Het winnen van krabbenscheer als meststof (scherentrekken) was ook een economische activiteit. Aan zandwinning werd ook gedaan. Dat zand werd met behulp van punters van de bodem van het Bovenwijde gehaald.J.J. Hof: Giethoorn, Ons Hollands Venetië, zoals ik het gekend heb. Tweede uitgave door Broekhuis 1981, , blz. 50-62.
Door de stormvloeden van 1775, 1776 en 1825, sloegen in het verveende gebied met brede trekgaten de smalle ribben weg en ontstonden het Bovenwijde en het Molengat. Doordat het veen niet dieper was dan 1 meter en er daaronder een stevige zandlaag was, is de maximale diepte van deze meren ook beperkt tot 1 meter, uitgezonderd een plek in het zuidwesten van het Bovenwijde waar op grootschaliger wijze zand gewonnen is. In 1825 waren er geen dodelijke slachtoffers in Giethoorn doordat de bevolking zich met zijn vaartuigen in veiligheid kon brengen.Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 , blz. 77-81 Ook direct ten westen van Giethoorn lag een meer.De kadasterkaart uit 1832 geraadpleegd op www.hisgis.nl op 31 augustus 2014 Dit meer is in de 19e eeuw drooggemalen en werd de Gietersche Polder genoemd.