thumb|Evolutie van het tempelgrondplan. De megalithische tempels van Malta vormen een verzameling prehistorische tempels op de Maltese archipel waarvan de bouw teruggaat tot de periode 3600–2500 v.Chr. Archeologen menen dat deze megalithische complexen het eindresultaat zijn van plaatselijke innovaties in een proces van culturele ontwikkeling. Er kon op Malta een hele evolutie in de tempelbouw vastgesteld worden. Er wordt onder meer onderscheid gemaakt tussen de Ġgantijafase (3600–3300 v.Chr.) en de Tarxienfase (3000–2500 v.Chr.). De Maltese tempelcultuur is verdwenen omstreeks 2500 voor onze jaartelling.

De tempels zijn de oudste vrijstaande bouwsels op aarde.http://www.bradshawfoundation.com/malta/http://www.otsf.org/David Trump et al., Malta Before History (2004: Miranda Publishers) Ze bestaan uit hoefijzer- of niervormige structuren van aan elkaar gebouwde apsissen. De archeologe Marija Gimbutas noemde het baarmoedervormen. Er zijn vrouwenbeeldjes gevonden in de tempels, meestal met corpulente vormen, soms gekleed in rokken.

UNESCO Werelderfgoed

De oudste megalithische tempels, die van Ġgantija, werden in 1980 door de UNESCO in de lijst van het Werelderfgoed opgenomen. In 1992 besloot de commissie de lijst uit te breiden met vijf andere megalithische tempels: Ħaġar Qim, Mnajdra, Ta' Ħaġrat, Skorba en Tarxien. Erfgoed Malta beheert en beschermt de sites; het eigendomsrecht van de omgeving verschilt van site tot site.

Etymologie thumb|Altaar met levensboom Vele namen, die gebruikt worden om de verschillende sites aan te duiden, houden verband met de stenen die voor de bouw ervan zijn gebruikt. Het Maltese woord voor keien ħaġar komt voor in Ta’Ħaġrat en in Ħaġar Qim. Ta’Ħaġrat gebruikt het woord in relatie tot de aanduiding voor grondbezit, in Ħaġar Qim werd het woord 'Qim' toegevoegd, ofwel een vorm van het Maltese woord voor 'verering' of een archaïsche vorm van het woord voor 'rechtopstaand'.

Volgens de latere Maltese folklore zouden reuzen de tempels hebben gebouwd, hetgeen tot de benaming Ġgantija leidde: 'Gigantentoren' . De Maltese linguïst Joseph Aquilina was van mening dat Mnajdra het verkleinwoord zou zijn van 'mandra' , ofwel een stuk grond beplant met gecultiveerde bomen. Maar hij vernoemde ook de arbitraire afleiding van de Arabische wortel manzara, die 'een plaats met commando-uitzicht' betekent. De Tarxien-tempels danken hun naam aan de plaats waar ze gevonden werden (afkomstig van "Tirix", een 'grote steen'), zoals ook de opgravingen in Skorba.

Datering thumb|left|250px|Houtskool gevonden op de site van Skorba was cruciaal voor de datering van de Maltese Tempelfasen. Deze tempels zijn het resultaat van opeenvolgende constructiefasen tussen ca. 3500 en 2500 v.Chr. Er zijn – op basis van potscherven, verkoolde resten van vuur en beenderen – aanwijzingen voor menselijke activiteit op de eilanden sinds het vroege Neolithicum (ca. 5000 v.Chr.). Maar datering en begrip van de opeenvolgende activiteitsfasen bij de tempelbouw zijn verre van gemakkelijk. Het grootste probleem is dat de sites zelf onderhevig zijn geweest aan een evolutie, daar iedere volgende tempel een verdere verfijning van de architecturale ontwikkeling met zich meebracht.

Ook werden er in enkele gevallen in de latere Bronstijd nieuwe sites boven op de Neolithische tempels gezet, wat tot verwarring leidde bij de eerste onderzoekers die nog niet over de moderne dateringtechnologieën beschikten. Sir Temi Żammit, een vooraanstaand archeoloog uit de late negentiende eeuw, had de Neolithische tempels op 3600 v.Chr. gedateerd en de Tarxien bronstijdcultuur op 2000 v.Chr. Dat werd door anderen als 'veel te hoog' beschouwd. Onderzoekers stelden bij elke schatting een half millennium minder voor. De C14-dateringen waren echter in overeenstemming met Zammits dateringen. Een theorie als zou de tempelbouwkunst verband hebben gehad met een cultuur die van de Aegeïsche beschaving was afgeleid viel in duigen door dit bewijs van de oudere oorsprong van de tempels.

Prehistorie van Malta

De eerste landbouwers kwamen tijdens het Neolithicum tussen 5000 en 4100 v.Chr. per schip, vlot of kano vanuit Sicilië. Zij waren gering in aantal. De dwergfauna van Malta was al uitgestorven door klimaatverandering. De neolithische boeren brachten gedomesticeerde geiten en schapen mee, die de planten met wortel en al uittrekken, en ook gerst, linzen, tarwe en dergelijke. Er zijn sporen van bewoning aangetroffen in de grot van Ghar Dalam.

Deze vroege bewoners moeten handelscontacten met Sicilië hebben gehad: ze voerden obsidiaan in afkomstig van de Eolische Eilanden en Pantelleria. Daarvan maakten ze onder andere sikkels en messen, met een hoorn als handvat. We weten niet wat ze de Sicilianen in ruil gaven.

Wortels van de huidige Maltese taal zijn Semitisch Fenicisch, plus Carthaags (na de kolonisering van 550–218 v.Chr.)

Tijdsindeling over prehistorisch Malta thumb|De Neolithische tempel van Mnajdra Maltese prehistorische chronologie(gebaseerd op herberekende radiocarbon datering)PeriodeFaseDatums vooronze jaartelling Neolithicum(5000–4100 v.Chr.) Għar Dalam 5000–4500 v.Chr. Grijs Skorba 4500–4400 v.Chr. Rood Skorba 4400–4100 v.Chr. Tempel Periode(Chalcolithicum)(4100–2500 v.Chr.) Żebbuġ 4100–3800 v.Chr. Mġarr 3800–3600 v.Chr. Ġgantija 3600–3300 v.Chr. Saflieni 3300–3000 v.Chr. Tarxien 3150–2500 v.Chr. Bronstijd(2500–700 v.Chr.) Tarxien cemetery 2500–1500 v.Chr. Borġ in-Nadur 1500–700 v.Chr. Baħrija 900–700 v.Chr.

Historische chronologie Malta Neolithicum: 5000–4100 v.Chr. Chalcolithicum (kopertijd): dit is het tempeltijdperk: 4100–2500 v.Chr. Bronstijd: 2500–700 v.Chr. Fenicische periode: 700–550 v.Chr. Carthago: 550–218 v.Chr. Rome: 218 v.Chr. – 454 n.C.

Tempelfasen De eerste tekenen van menselijke bewoning op Malta dateren van de Għar Dalam fase (5000–4500 v.Chr.). in het Neolithicum. De tempelperiode vangt aan omstreeks 4100 v.Chr. en loopt tot ongeveer 2500 v.Chr. In de chronologie van de prehistorie valt deze periode samen met het chalcolithicum. Het stelsel van chronologische fasering berust op gekalibreerde koolstofdatering. Betreffende de tempelperiode onderscheidt men een opsplitsing in vijf fasen. Van de eerste twee, gedateerd tussen 4100 en 3600 v.Chr. resten weinig overblijfselen. De drie volgende beginnen met de Ġgantijafase (3600–3300 v.Chr.) en eindigen met de Tarxienfase (3000–2500 v.Chr.). Uit deze periode dateren de meest opmerkelijke monumentale overblijfselen.

Zebbugfase: 4100–3800 v.Chr. In deze fase wordt een eerste aanzet tot tempelcultuur gegeven met de ontwikkeling van rotsgraven en clusters van rotsgraven zoals die van Xemxija en Xaghra. De niervormige kuilen deden dienst als familiegraf, wat zou kunnen wijzen op het belang van familieverwantschap en misschien zelfs voorouderverering. In de bijgaven zijn onder meer groene stenen bijlen teruggevonden die afkomstig zouden zijn uit Calabrië, wat wijst op een vorm van internationale handel of ruil.

Mggarfase: 3800–3600 v.Chr. Onvoldoende gedocumenteerde overgangsfase

Ġgantijafase 3600–3300 v.Chr. De Ġgantijafase is genoemd naar de Ġgantijasite op het eiland Gozo. Zij vertegenwoordigt een belangrijke stap in de culturele ontwikkeling van de Neolithische mens op de eilanden. De tempelcultuur met nadruk op het religieuze kreeg nu vaste vorm. Bij deze periode horen de vroegst dateerbare tempels en de eerste twee, mogelijk drie, ontwikkelingsstadia van het grondplan: het lob- of niervormige plan van Mġarr oost, het klaverbladplan in Skorba, Kordin en een aantal kleinere sites en het vijf nissenplan van Ġgantija zuid, Tarxien oost.

De Ġgantijatempel zelf werd voor het eerst opgegraven in 1827, maar er werd nooit over gepubliceerd. Het complex bestaat uit twee tempels, een zuidelijke met 5 absiden en een noordelijke met 4, die omgeven is door een gemeenschappelijke muur. Er zijn twee aparte ingangen. De muren waren oorspronkelijk bepleisterd met witte torba. Deze tempelvorm herinnert aan die van de rotsgraven.

De naam van de tempel spreekt voor zich. De muren van deze tempel, met rotsblokken tot 50 ton, bleven tot een hoogte van 7 m bewaard, wat de bijgelovige Gozitanen liet geloven dat ze het werk was geweest van een ras van reuzen (analoog aan de cyclopenforten van de Myceners).

De megalieten werden over een afstand van 2 of 3 km aangevoerd. De tempelsite geeft uitzicht over een groene vallei (waar vandaag nog steeds het tuinbouwgebied van Malta is). Onder de drempelsteen van ca. 50 ton werden offergaven teruggevonden. Er werden in situ figurines op platte altaartafels aangetroffen.

De tempel is uiteindelijk door een zware brand vernietigd omstreeks 2500 v.Chr. Er zijn echter geen sporen van buitenlandse invallers.

Saflienifase 3300–3000 v.Chr. De Saflienifase is een (onvoldoende gedocumenteerde) overgangsfase tussen twee de hoofdperioden in de ontwikkeling. De benaming is ontleend aan de site van het hypogeum van Hal Saflieni. Tijdens deze periode worden de kenmerken van de Ġgantija aardewerkvormen aangehouden, maar er zijn ook biconische kommen gevonden.

Tarxienfase 3150–2500 v.Chr. left|thumb|250px|De Tarxienfase is genoemd naar het tempelcomplex dat in Tarxien werd aangetroffen. De Tarxienfase is het hoogtepunt van de tempelbeschaving. De fase is genoemd naar het tempelcomplex van Tarxien op enkele kilometers van de grote haven van Malta. Tot deze fase behoren de laatste twee stadia in de ontwikkeling van het tempelplan. De westelijke tempel van Ġgantija vertegenwoordigt samen met andere eenheden in Tarxien, Ħaġar Qim en L-Imnajdra, het voorlaatste stadium in de ontwikkeling namelijk de introductie van een ondiepe nis aan het verste uiteinde van de tempel, dit in plaats van een apsis. Het allerlaatste stadium komt slechts in één enkele tempel voor, namelijk in de centrale tempel van Tarxien zelf en bestaat uit drie symmetrische apsisparen.

Verschillende oudere tempels ondergingen een opfrisbeurt en werden 'gemoderniseerd'. Deze fase geldt als het absolute hoogtepunt in de Maltese rituele architectuur en beeldhouwkunst zowel wat betreft losstaande als reliëfbeelden. De Tarxienfase wordt verder gekenmerkt door een rijke variëteit aan decoratietechnieken en aardewerkvormen. Spiraalmotieven zoals die in Tarxien versierden ooit ook de Ġgantija tempels, maar zijn zodanig vervaagd, dat ze enkel nog herkenbaar zijn in een reeks schilderwerken van kunstenaar Charles de Brochtorff uit 1839, onmiddellijk na de opgraving van de tempels.

Ook het aardewerk is van uitzonderlijke kwaliteit. De meeste vormen zijn hoekig zonder oren of handvatten. De klei is goed bereid en sterk verhit, en het oppervlak met ingekerfde motieven is sterk gepolijst. Dit ingekerfde aardewerk blijft de standaard, maar het wordt verder uitgewerkt en eleganter, met als meest populaire motief een soort voluut.

We zijn verder getuige van een zeer funeraire sfeer met hypogea, ondergrondse begraafplaatsen. Er werden waarschijnlijk allerlei rituelen uitgevoerd. Binnen de tempel is de doorgang en doorkijk bemoeilijkt. Opvallend in deze fase is het afsluiten van zijnissen met schermen, wat zou kunnen wijzen op een zekere exclusiviteit. Dat zou kunnen betekenen dat er meer sociale differentiatie optreedt met een strakker wordende maatschappelijke hiërarchie en exclusieve voorrechten voor een religieus-politieke elite. Waarschijnlijk hadden de tempels ook een distributiefunctie, zoals in het Sumerische Ur. Maar in de tempels zijn geen sporen van graanresten (pollen en dergelijke) of bewaarkruiken aangetroffen en ook geen kuilen (of ondergrondse cisternes).

Einde van de tempelcultuur