thumb|Vaandel van het Romeinse Rijk SPQR thumb|Abraham Ortelius : Belgii Veteris (1594) De aanwezigheid van de Romeinen in het gebied dat nu België is begon rond 50 v.Chr. en duurde bijna 5 eeuwen. Het Romeinse rijk strekte zich uit van de Rijn en Donau in het noorden, Brittannië in het westen, de Sahara in het zuiden en het gebied van de Eufraat en Tigris in het oosten. De Romeinse provincie Gallia Belgica omvatte het gebied in Nederland ten zuiden van de Rijn, vrijwel het gehele huidige België, delen van Duitsland ten westen van de Rijn en het huidige Noord-Frankrijk ten noorden van de Seine. De belangrijkste plaatsen lagen in het huidige Frankrijk en Duitsland. De Romeinse verzamelnaam voor de stammen in Gallia Belgica was Belgae.

Samenvatting De Romeinen onder leiding van Julius Caesar decimeerden tijdens de Gallische veroveringsoorlogen de oorspronkelijke bevolking van Gallië. Ter compensatie van het bevolkingsvacuüm werden bevriende Germaanse stammen uitgenodigd zich in het gebied te vestigen. Langs de Rijn werd een brede bufferzone met legerkampen en forten onder militair bestuur ingericht, Germania Inferior (Neder-Germanië) en Germania Superior (Opper-Germanië). Militaire heerbanen werden aangelegd ten behoeve van snelle troepentransporten en voor de bevoorrading van de legerkampen en forten. Ook mercatores (handelaren of kooplui) gebruikten deze wegen. In Neder-Germanië ontstond vanuit een tijdelijk legerkamp Tongeren. Op het platte land werden naar Romeins model landbouwbedrijven met villa's opgericht. Aan de kust werd een verdedigingslinie tegen piraterij opgezet, de Litus Saxonicum.

De integratie in het Romeinse rijk vond zijn beslag in de drie eeuwen na de veroveringen door Caesar, waarbij de aanwezigheid van de grote militaire bases in Neder-Germanië een belangrijke factor was. Tijdens de crisis van de derde eeuw, die in het gehele Romeinse Rijk voelbaar was, werden grenstroepen teruggetrokken, waarna Germaanse stammen Gallië binnenvielen. De Salische Franken kregen in het midden van de vierde eeuw het gebied Toxandrië in leen, met als opdracht bescherming te bieden tegen aanvallen van andere Germaanse stammen. Na de Slag op de Catalaunische Velden tussen enerzijds Hunnen, Gepiden, Ostrogoten en Alanen en anderzijds Romeinen, Visigoten en Franken, viel het noorden van Gallia Belgica uiteen in een aantal Frankische koninkrijkjes, waarvan dat van Doornik het bekendste is.

De stammen in de pre-Romeinse tijd miniatuur|Belgica vlak vóór Gallische oorlog (52 v.Chr.). De oudst bekende geschriften over het noordwesten van Europa zijn die van de Carthager Himilco, die de tinmijnen in Cornwall en de barnsteeneilanden in de Oostzee beschrijft, maar of hij de Noordzeekust bezocht heeft is niet bekend. Dit is wel bekend van Pytheas van Massilia (Marseille), die rond 320 v.Chr. Cornwall bezocht en langs de Noordzeekust reisde, maar wiens reisverslag we alleen kennen via citaten van andere auteurs. Naast Caesars Commentarii de bello Gallico, die deels als propaganda geschreven is, is de eerste onafhankelijke beschrijving die van Strabo in zijn Geographika.

Het kustgebied van België werd bewoond door de Menapiërs, een Keltische volksstam, ten zuiden ervan leefden de grotere groep van de Moriniërs, eveneens een Keltische stam. In Midden-België woonden vanaf Cambrai in het zuiden tot Antwerpen in het noorden de Nerviërs, een Germaanse stam, in het oosten woonden de Atuatuci, eveneens een Germaanse stam en de Eburonen, waarvan de herkomst onbekend is. De Ardennen was het gebied van de Treveri, die echter voornamelijk in de omgeving van Trier woonden.

De zuiderburen van de Nerviërs waren de Remi, die trouwe bondgenoten van de Romeinen waren. In Caesars De bello gallico, dat hij schreef over zijn veroveringstocht in Gallië omschrijft hij op basis van informatie van deze Remi de aantallen Belgen op een landdag.Julius Caesar: Gedenkschriften van den Gallischen Oorlog uit het Latijn door Dr J. J. Doesburg

Caesar maakt hier onderscheid tussen Galliërs en Germanen en noemt de Nerviërs de meest noordelijke Belgen, de Germanen horen hier eigenlijk niet thuis.

Begin en einde van de Romeinse tijd thumb|De Ara Pacis De Romeinse tijd in België kunnen we laten beginnen met de Gallische oorlogen van 58 tot 51 v.Chr., maar niet iedereen is het er over eens, of de Romeinen in die periode echt in België geweest zijn., Gentse professor trekt de Romeinse verovering van onze gewesten in twijfel. 'Caesar is nooit in België geweest', in De Morgen (20 februari 2006). De afsplitsing van Gallia Belgica door keizer Augustus van de rest van Gallië in 27 v.Chr., kan ook gezien worden als het begin van de Romeinse tijd in België.Robert Nouwen laat zijn boek De Romeinen in België beginnen in 31 v.Chr. Een derde mogelijkheid is het jaar 12 v.Chr., toen Augustus heel Gallië als overwonnen beschouwde en een vredesaltaar liet bouwen, de Ara Pacis, dat op de verjaardag van zijn vrouw Livia Drusilla II ingewijd werd. In datzelfde jaar liet hij Nero Claudius Drusus een volkstelling (census) in Gallië houden.Een aantal jaren later noodzaakte eenzelfde volkstelling Jozef van Nazareth zich te registreren in Betlehem, waarna met de geboorte van Jezus-Christus onze jaartelling begint.

Voor het einde van de Romeinse tijd kunnen ook meerdere tijdstippen genoemd worden:

Nadat Constantijn de Grote in 330 de hoofdstad van het Romeinse rijk verplaatst had naar Byzantium, splitste Theodosius I het rijk administratief in een oost en westelijk deel. Het West-Romeinse Rijk en daarmee de Romeinse tijd in het westen kwam ten einde in 476, toen de Germaanse legerleider Odoaker de keizer Romulus Augustus afzette en de keizerlijke waardigheden (zegelring?, purperen mantel?) opstuurde naar keizer Zeno van het Oost-Romeinse Rijk.

In 476 waren de Romeinen al uit Belgica vertrokken en werd het land bestuurd door de Merovingen, genoemd naar Merovech, rond 450 koning der Franken. De zoon van Merovech Childerik I bestuurde in naam van de Romeinen zijn land maar veroverde (en plunderde) ook gebieden ten zuiden ervan tot aan de Somme.

Een eeuw eerder waren de Romeinen al vertrokken, toen keizer Constantius I Chlorus het land in leen gaf aan de Salische Franken. Na de inname van Keulen door de Ripuarische Franken in 454 breidde de macht van de Franken zich uit. Generaal Aegidius, die geprobeerd had Keulen te heroveren, moest toegeven dat de stad Frankisch geworden was. Het jaar 454 wordt om deze reden beschouwd als het einde aan de Romeinse aanwezigheid in België. thumb|Marmeren kop van Julius Caesar (1ste eeuw, archeologisch museum Korinthe).

Het gebied en de bewoners In de Romeinse tijd was de Noordzeekust tot aan de huidige Oosterschelde of tot aan het Helinium (de Maasmonding in de Romeinse tijd) grotendeels gesloten (ook de Schelde mondde in het Helinium uit).De kustlijn lag in de Romeinse Tijd 2 kilometer meer zeewaarts, de noordgrens van het Helinium lag ter hoogte van Naaldwijk, de zuidgrens ergens tussen de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden. Het Sincfal (ter hoogte van de monding van de huidige Westerschelde), het Zwin, het Bredene en de IJzer waren getijdengeulen. Stormvloeden doorbraken soms de duinen en vormden een waddenachtig gebied erachter. Achter de kustduinen ontstonden veengebieden en moerasbossen, waarin sprake was van getijdenwerking. In dit gebied woonden op de hoger gelegen delen de Menapiërs en Morini, die zich bij gevaar in de vrijwel ondoordringbare moerassen konden verbergen. De grens tussen de beide stammen is niet duidelijk en aan veranderingen onderhevig geweest. Wel zeker is dat de Menapiërs noordelijkCaesar : De Bello gallico IV 4—5,1 : triennium vagati ad Rhenum pervenerunt, quas regiones Menapii ineolebant. Hi ad utramque ripam fluminis agros aedificia vicosque habebant; vert: Na drie jaar omzwervingen kwamen ze (de Usipeti) aan bij de Rijn, die door de Menapiërs werd beheerst. Deze hadden landerijen aan beide oevers van de rivier, huizen en dorpen. en de Morini zuidelijker in Noord-Frankrijk of Zuidwest-België woonden.De Laet begrenst het gebied van de Menapiërs als volgt: in het zuiden de valleien van de Scarpe, de Deule, de Leie en de Aa, in het oosten de Schelde en in het noorden de Oosterschelde.Waarschijnlijk zijn ten tijde van Caesar de Menapiërs door de Bataven naar het zuiden verdreven. De Menapiërs hadden boten, en zouden later matrozen leveren aan de Classis Britannica, de zeevloot die de Noordzeekust en de kust van Het Kanaal bewaakte. Van de Menapiërs is bekend, dat zij aan zoutwinning deden, de Menapische ham van in de moerasbossen loslopende varkens en de vissaus werden bekend. Er was ook een eerste begin van de latere wolindustrie.

In het midden woonden de Nerviërs in een gebied dat zich uitstrekte deels over de huidige provincie Antwerpen, de gehele provincies Vlaams- en Waals-Brabant en de provincie Henegouwen tot over de Franse grens. Hun gebied werd in het oosten begrensd door een dicht woud, dat Caesar vrijwel ondoordringbaar noemde. Het kreeg in Latijnse teksten de naam Silva Carbonaria (Kolenwoud), vanwege de productie van houtskool via houtkap, waarmee ijzer gesmolten kon worden uit ijzerhoudend zandsteen, het begin van de latere ijzer- en staalindustrie. Caesar beschrijft in het gebied van de Nerviërs houtwallen of hagen, die erop wijzen dat het gebied waar hij toen doortrok al in cultuur gebracht was. Al sinds de jonge steentijd werd er graan verbouwd. De Nerviërs waren echter ook een krijgshaftig volk, vele Nerviërs zochten hun geluk in het Romeinse leger. Er zijn zes cohortes Nerviorum en één ala (ruiterijafdeling) bekend uit inscripties en literaire bronnen.

In de Kempen en het gebied ten oosten van het Kolenwoud, tot aan de valleien van de Maas en Samber, woonden op vruchtbare grond de stammen van de Eburonen en de Atuatuci, waarvan voornamelijk de militaire lotgevallen bekend zijn. Bij MaastrichtIn de wijk Amby. is een goud- en zilverschat gevonden, die aan de Eburonen wordt toegeschreven, en die waarschijnlijk geslagen is in het Duitse Hessen. Dit strookt met de door Caesar veronderstelde afkomst van de Eburonen van over de Rijn. De na de Gallische oorlogen overgebleven Eburonen zouden de Texuandri geweest kunnen zijn, die het gebied van de Kempen hun naam Toxandrië gegeven hebben.Taxus (van het grieks toxon, dat boog betekent) werd al in de prehistorie gekweekt voor het vervaardigen van boogschuttersbogen, met het gif (taxine) pleegde Catuvolcus zelfmoord. Bello Gallico, Boek VI, 31. De naam Eburonen is bij de latere Romeinse geschiedschrijversZoals Plinius de Oudere. verdwenen. Ook de naam van de Atuatuci is in de geschiedschrijving verdwenen. Het gebied aan beide zijden van de Maas wordt na Caesar herbevolkt door de Tungri, een Germaanse stam, waarin restanten van de Eburonen en andere kleine lokale stammen opgingen.

In zuidoost België lag het Ardense woud, waar Treveri woonden, een Keltische stamKelten van het Griekse Κελτός was de naam door Hekataios van Milete gegeven aan een stam in Zuidwest-Duitsland. uit de Moezelstreek met als hoofdplaats Trier. De Treveri verbouwden graan, en moeten de uitvinders geweest zijn van de oogstmachine. De oogstmachine wordt al beschreven door Plinius de Oudere.In de grote domeinen van Gallië duwt men door de korenvelden grote oogstmachines omzoomd met tanden, gemonteerd op twee wielen, en waaraan een lastdier omgekeerd is vastgemaakt; de aldus afgeritste aren vallen in de oogstmachine. De Treveri deden ook al aan wijnbouw, de Moezelwijn dateert uit de tijd van de Treveri. thumb|”De Gallische Hoeve” reconstructie van een Menapische late-ijzertijdnederzetting zoals Caesar ze mogelijk heeft gezien.