Goslar is een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen, gelegen in het gelijknamige Landkreis aan de noordrand van de Harz. De gemeente Goslar telt inwoners, verdeeld over de steden Goslar en Vienenburg, en enige dorpen, waaronder het toeristenoord Hahnenklee. Goslar is een van de zeven Große selbständige Städte in Nedersaksen.

De Rammelsbergmijnen en de historische binnenstad van Goslar staan op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO.

Geografie Goslar ligt in de noordwestelijke uitlopers van de Harz, aan de voet van de Rammelsberg, zo'n 50 km ten zuiden van Braunschweig. Door de stad loopt de Gose, een zijriviertje van de Oker. De Gose wordt in Goslar Abzucht (afvoerkanaal) genoemd omdat het water dat uit de Rammelsbergmijnen wordt afgevoerd vlak voor de binnenstad in de Gose stroomt. Het rivierwater was reeds in de twaalfde eeuw vervuild met onder andere kwik uit de mijnen. Rond 1200 kende Goslar al een systeem van waterpijpleidingen en kanalen om drinkwater uit de hoger gelegen omgeving aan te voeren.

Stadsindeling De stad Goslar bestaat uit de volgende stadsdelen:

Goslar-stad (16.550), onderverdeeld in: Altstadt (16.400), waartoe behoren: Georgenberg met Kattenberg, tussen het stadscentrum en de Bundesstraße 6 Rammelsberg met Siemensviertel en Rosenberg, ten zuiden van de stadskern, nabij de Bundesstaße 241 Steinberg, ten westen van de stadskern en de Bundesstraße 2 de Baßgeige, voornamelijk bedrijventerreinen aan de noordwestkant van de oude stad (150) Hahndorf met Klostergut Grauhof (1.500), enige kilometers ten noorden van Goslar-stad Hahnenklee-Bockswiese (1.200), een bekend toeristenoord, ruim 15 km ten zuidwesten van de stad Jerstedt (1.950), aan de Bundesstraße 6, 8 km ten noord-noordwesten van het centrum van Goslar Jürgenohl met Kramerswinkel (8.300), direct ten noorden van de stad en de Bundesstraße 6 Ohlhof (2.900), direct ten oosten van Jürgenohl Oker (5.800), aan de Bundesstraße 498, 4 à 5 km ten oosten van het centrum van Goslar Sudmerberg (1.750), direct ten zuiden van Ohlhof, bij het begin van de Bundesstraße 498 Vienenburg (10.050), incl. de gehuchten Wöltingerode en Wennerode, tot 2014 een zelfstandige gemeente; sedert september 2022Zie weblink nieuwe hoofdgemeenteverordening. een Stadtteil, onderverdeeld in 6 Ortschaften: Vienenburg-stad (5.400), afstand vanaf Goslar-centrum over de Bundesstraße 241 circa 12 km in noordoostelijke richting Immenrode (1.500), afstand vanaf Goslar-centrum over de Bundesstraße 82 circa 7 km in noord-noordoostelijke richting Lengde (600), enkele kilometers ten noorden van Vienenburg Lochtum (600); het meest oostelijke plaatsje in de gemeente Goslar, 16 km van de stad verwijderd Weddingen (600), enkele kilometers ten westen van Vienenburg Wiedelah (1.350), direct ten oosten van Vienenburg

Tussen haakjes het aantal inwoners, bron bevolkingscijfers: Website Landkreis Goslar. Peildatum: 31 december 2021. De inwonertallen van de Stadtteile en Ortschaften werden door de statistici van de Landkreis op basis van eerdere cijfers van de gemeente geëxtrapoleerd en zo kloppend gemaakt. Ze zijn dus niet exact. Daarom zijn deze hier afgerond weergegeven. Gemeentetotaal, opgave Landkreis 50.010, minus afronding, 10 personen, = 50.000.

Buurgemeentes Langelsheim Liebenburg Schladen-Werla, in de Landkreis Wolfenbüttel Osterwieck, Landkreis Harz, Saksen-Anhalt Bad Harzburg Harz (gemeentevrij gebied, Landkreis Goslar), en direct ten zuiden daarvan Clausthal-Zellerfeld

Infrastructuur Wegverkeer De dichtstbijzijnde autosnelweg is de A36 vanuit Braunschweig (stad). Bij Lengde en Vienenburg liggen de afritten 11 en 12 van deze Autobahn.

In de stad komen talrijke Bundesstraßen bijeen: de B6, vanuit het noorden, van Salzgitter, langs Jerstedt, noordelijk langs het centrum van Goslar, en daarvandaan oostwaarts naar Bad Harzburg de B82, vanuit het westen, van Rhüden, gemeente Seesen, waar een aansluiting is als afslag 66, op de A7 Hannover - Kassel; deze afrit ligt ca. 27 km ten westen van Goslar; aan deze B82 ligt, 7 km ten noordwesten van Goslar het stadje Langelsheim. De B82 leidt de andere kant op noord- en oostwaarts naar Schöningen, niet ver ten zuiden van Helmstedt. de B241, vanuit het zuidwesten, van Northeim en Osterode am Harz, langs Hahnenklee en Goslar-stad naar Vienenburg De B498 loopt van Goslar naar Osterode am Harz.

Openbaar vervoer

Station Goslar is een regionaal knooppunt van spoorlijnen. In het station komen de spoorlijnen Hildesheim - Goslar, Seesen - Goslar en Vienenburg - Goslar samen. Aan deze laatste lijn liggen ook Station Oker, vanwaar men kan overstappen op de trein naar Bad Harzburg, en Station Vienenburg met aansluiting op lokaalspoorwegen naar o.a. Maagdenburg en Halle (Saale) (zie: Spoorlijn Halle - Vienenburg).

Tevens bevindt zich op het stationsplein te Goslar het centrale busstation (Zentrale Omnibus-Bahnhof; ZOB) van Goslar. Hiervandaan vertrekken de stads- en streekbussen van de in 2019 opgerichte firma Harzbus. In 2020 had Goslar zes stadsbuslijnen.

Economie miniatuur|Hoofdkantoor Fels in de industriewijk Baßgeige In Goslar zijn zo'n 2.250 bedrijven gevestigd, waaronder veel detailhandel. Ze zijn onder andere werkzaam in de chemische industrie, dienstverlening, toeleveranciers voor de auto-industrie, ambachtelijke bedrijven, toerisme en congreswezen.

De belangrijkste bedrijfsterreinen zijn Baßgeige aan de noordwestkant van de stad zelf, en de grote kalksteengroeve bij Oker. Kleinere bedrijfsterreinen, overwegend voor lokaal midden- en kleinbedrijf, maar ten dele ook nog bezet door gebouwen van in het verleden opgeheven fabrieken, bevinden zich te Jerstedt, tussen Georgenberg en Sudmerberg, te Oker, aan het spoor ten zuidwesten van het dorp, en aan de noordoostkant van dit dorp, en verder langs de diverse spoorlijnen rondom Vienenburg. Fels is een groot, te Goslar gevestigd bedrijf, dat in midden-Duitsland acht kalksteengroeves exploiteert. Het is een dochteronderneming van het Ierse concern Cement Roadstone Holding en een van de grootste ondernemingen van Goslar.

Geschiedenis miniatuur|Zilveren Otto-Adelheid-penning, eind 10e eeuw, geslagen te Goslar De Harz is al sinds de Romeinse tijd locatie van mijnbouwactiviteiten, die leidden tot het ontstaan van nederzettingen. Zo zijn bij Düna (Osterode am Harz) metalen voorwerpen uit de late 3e en 4e eeuw opgegraven, die afkomstig zijn van erts uit de Rammelsberg. In de 8e eeuw werden door de Franken in de Harz lagen koper en zilver ontgonnen. Goslar wordt in 922 gesticht door Hendrik de Vogelaar, de koning van het Oost-Frankische Rijk (het latere Heilige Roomse Rijk). In de 10e eeuw ontstond volgens andere bronnen aan de beek Gose de nederzetting Goselager. Van deze naam zou Goslar zijn afgeleid. Omdat het erts uit de Rammelsbergmijnen zilver bevatte, naast koper, lood en zink, bouwde koning Hendrik II van 1005 tot 1015 een palts in Goslar. Tussen 1040 en 1050 werd de huidige keizerpalts gebouwd in opdracht van keizer Hendrik III. In 1075 werd Goslar voor het eerst aangeduid als civitas (stad). In de 12e eeuw bereikte de stad de omvang van de huidige oude binnenstad. Onder keizer Frederik II werd de laatste Rijksdag in Goslar gehouden en in 1253 werd Goslar voor het laatst als koningspalts gebruikt.

Vrije rijksstad (1290-1803) miniatuur|Goslar anno 1732 In 1290 wist Goslar zich van de voogdij door de keizer te bevrijden, waardoor het een vrije rijksstad werd, behorend tot de Neder-Saksische Kreits. Er kwamen belangrijke akkoorden tot stand tussen het stadsbestuur en de gilden. De stad was hanzestad van 1267 tot 1566, niet zo zeer vanwege de handel, maar om de zelfstandigheid te behouden. Eind 14e eeuw lagen de mijnbouwactiviteiten vrijwel stil wegens problemen met wateroverlast. Toen deze problemen na bijna 100 jaar waren opgelost, begon rond 1460 een nieuwe economische bloeiperiode voor Goslar. Hertog Hendrik II van Brunswijk-Wolfenbüttel wilde eind 15e eeuw de pandgelden voor de zilvermijnen terugbetalen aan Goslar en zijn rechten doen gelden op de mijnen. Goslar wist dit verschillende keren tegen te houden. Het hertogdom betaalde de pandgelden echter terug in 1527, waarna er tientallen jaren van twisten volgden. Hierbij hielp het niet, dat de Reformatie in 1528 in Goslar werd ingevoerd, terwijl het hertogdom rooms-katholiek bleef. Goslar trad eind 1531 toe tot het Schmalkaldisch Verbond, en was in 1546-47 betrokken bij de Schmalkaldische Oorlog. Uiteindelijk zag Goslar zich in 1552 gedwongen, afstand te doen van alle rechten op de Rammelsberg en de macht van de stad nam geleidelijk af. In de 16e en de eerste helft van de 17e eeuw stierven in en om Goslar 28 personen door de hand van de beul; dezen waren tijdens heksenprocessen aan vermeende hekserij schuldig bevonden. De economische neergang werd in 1632 versneld door de bezetting van de stad door Zweedse troepen in de Dertigjarige Oorlog. In 1728 en 1780 vonden grote stadsbranden plaats.

19e eeuw In de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 wordt in paragraaf 3 de inlijving bij het keurvorstendom Brandenburg (Pruisen) vastgesteld; van toen af was Goslar, na 512 jaar, geen vrije rijksstad meer. Nadat Pruisen in de vrede van Tilsit al zijn gebieden ten westen van de Elbe had moeten afstaan, kwam de stad aan het koninkrijk Westphalen, een marionettenstaat van Napoleon Bonapartes Frankrijk. Het congres van Wenen in 1815 kende Goslar toe aan het koninkrijk Hannover.

Na de opheffing van het Heilige Roomse Rijk in 1806, kwam Goslar in economisch zwaar weer. Veel historische gebouwen werden afgebroken, waaronder de Stiftskerk (Dom). Het ging pas weer beter met de stad, toen er in 1842 een Heilbad (kuuroord) werd gebouwd en in 1859 een nieuwe ertsader werd ontdekt in de Rammelsberg. Na de Duitse Oorlog van 1866, waarna het koninkrijk Hannover een deel van Pruisen werd, was de stad een geliefde verblijfplaats voor gepensioneerde stedelingen uit Berlijn, Hannover en Braunschweig. In 1868 werd begonnen met restauratie van de Kaiserpfalz.

20e eeuw De Eerste Wereldoorlog en de daarop volgende moeilijke jaren deden de stad geen goed. In 1922 vierde de stad haar duizendjarig bestaan met een groot volksfeest.

Na de machtsovername door Adolf Hitler in 1933 ontstond al snel politieke belangstelling voor Goslar vanwege haar geschiedenis als keizerstad. De nationaalsocialisten zagen voor Goslar een rol weggelegd in de propagandamachine en de stad werd in 1934 de zetel van de Reichsnährstand, de organisatie die verantwoordelijk was voor de landbouw en de boerenstand in de nationaalsocialistische standenmaatschappij. De Rijksboerendagen werden van 1934 tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Goslar gehouden en in 1936 kreeg Goslar de eretitel Reichsbauernstadt. De industrie groeide en de mijnbouwactiviteiten werden uitgebreid door inzet van nieuwe technologieën. Van 1935 tot 1945 was Goslar een belangrijke garnizoensstad voor de Wehrmacht. Er waren onder andere de Goslarer Jäger gestationeerd, een onderdeel van de 31e infanteriedivisie. De stad herbergde een SS-officierenschool, een Fliegerhorst (militair vliegveld) en een Außenkommando (tewerkstellingslocatie) van het concentratiekamp Buchenwald. Gedurende de oorlog hebben zo'n 5000 buitenlandse werknemers, voornamelijk dwangarbeiders, in Goslar gewerkt. Goslar doorstond de Tweede Wereldoorlog vrijwel ongeschonden. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog werd in Goslar een displaced personskamp ingericht door de UNRRA. Na de Tweede Wereldoorlog werd het militaire vliegveld ten dele opgebroken; het maakte plaats voor het nieuwe stadsdeel Jürgenohl, een woonwijk voor duizenden Heimatvertriebene, Duitsers, die werden gedeporteerd uit de in 1945 aan Polen, Tsjecho-Slowakije en de Sovjet-Unie afgestane Duitse gebieden (o.a. Silezië).