Koinē (Grieks: Ἑλληνιστική Κοινή/ἡ κοινὴ διάλεκτος/κοινή (γλώσσα); koinē (glōssa) van Κοινή: gemeenschappelijk) was een Griekse taalvariant die van de 3e eeuw v.Chr. tot de 3e eeuw n.Chr. de voertaal was in het oostelijke Middellandse Zeegebied. Het diende als lingua franca in een uitgestrekt gebied, van het huidige Marseille tot het noorden van India. Het is de taal waarin het Nieuwe Testament is geschreven. Strabo (64/63 v.Chr. - ca. 24 n.Chr.) onderscheidde als eerste vier Griekse dialecten in zijn Geographica: Attisch, Ionisch, Dorisch en Aeolisch.Geographica 8.1.2 In de 2e eeuw n.Chr. voegde Clemens van Alexandrië een vijfde dialect toe: Koinē.Stromata 1.21.142.4 Het was niet eenvoudig om Koinē een plaats te geven. Sommigen meenden dat de vier oorspronkelijke dialecten (Attisch, Ionisch, Dorisch en Aeolisch) uit Koinē voortkwamen. Anderen stelden dat Koinē ontstond door vermenging van deze vier dialecten. Een derde theorie betoogde dat Koinē werd gekenmerkt door vaste regels, terwijl de andere dialecten zich hieraan niet hielden.

Theorieën over Koinē In de vroegmoderne periode (17e eeuw) ontstonden verschillende theorieën over de oorsprong en het gebruik van Koinē. Volgens de Franse grammaticus Petrus Antesignanus bestond Koinē uit de beste kenmerken van de Griekse dialecten, met het Attisch als dominante component. Verschillende academici, waaronder de achttiende-eeuwse geleerde Hermann von der Hardt, stelden dat Koinē voornamelijk gebaseerd was op het Attische dialect, een opvatting die nu breed wordt geaccepteerd. Sommigen beschouwden Koinē als een latere vorm van het Attisch en dus niet als een zelfstandig dialect. Koinē werd ook gezien als het belangrijkste prozadialect naast het Attisch, in tegenstelling tot andere dialecten die vooral in poëzie werden gebruikt. De classicus Richard Bentley (1662-1742) suggereerde dat Koinē de taal was van de hogere klasse en uitsluitend door geleerden werd gebruikt, vergelijkbaar met het Latijn in zijn tijd. Volgens anderen was Koinē juist de taal van de lagere klassen. Claude de Saumaise stelde dat Koinē oorspronkelijk in Thessalië ontstond en later een gemeenschappelijke taal werd die niet langer aan één regio gebonden was. Hierdoor zou Koinē volgens hem geen dialect meer zijn, omdat een dialect typisch door één specifieke bevolkingsgroep wordt gesproken. De Duitser Georg Friedrich Thryllitsch (1688-1715) ging nog verder en betoogde dat er geen bewijs was voor het bestaan van Koinē; volgens hem was het een “droom van geleerde mannen” en werd Koinē pas gecreëerd door grammatici om gemeenschappelijke vormen in de verschillende dialecten te verklaren.

Oorsprong en verspreiding thumb|240px|Griekstalige gebieden in de hellenistische periode (323 tot 31 v.Chr.). Koinē vindt zijn oorsprong in het Attisch, een van de Oudgriekse dialecten. Door de hegemonie van Oude Athene in de 5e eeuw v.Chr. en de invloed van Atheense schrijvers uit de 5e en 4e eeuw v.Chr., was het Attisch het dominante dialect in het oostelijke Middellandse Zeegebied. De Macedonische aristocratie werd aangetrokken door deze Atheense culturele invloed en omarmde het atticisme, wat sterk bijdroeg aan de verspreiding van Koinē. Alexander III van Macedonië (356-323 v.Chr.), beter bekend als Alexander de Grote, veroverde in de late 4e eeuw v.Chr. uitgestrekte gebieden, waaronder Anatolië, Syrië, Egypte en het Perzische Rijk tot aan de grenzen van India. Zijn dood markeerde het begin van de hellenistische periode (323-31 v.Chr.). Het Macedonische dialect had onvoldoende prestige om als universele taal van het rijk te dienen. Daarom koos Alexander voor het Attische dialect, dat dankzij het atticisme aan het Macedonische hof aanzien en dominantie genoot. Tijdens het bewind van Philippus II (5e tot 4e eeuw v.Chr.) was het Attisch al de officiële taal in educatie, administratie en politiek. Met de expansie van het rijk groeide ook de invloed van de Griekse taal en cultuur. Het Attisch evolueerde zo tot Koinē, de gemeenschappelijke geschreven taal van de hellenistische wereld. Koinē bevorderde vlotte communicatie tussen gehelleniseerde steden, wat handel, diplomatie en bureaucratie sterk ondersteunde. De verspreiding van Koinē was grotendeels te danken aan haar rol als kolonisatietaal, waarmee de Griekse cultuur werd overgedragen op nieuw veroverde gebieden. Door gecentraliseerde bestuursorganen waarin Koinē de hoofdtaal was, verloren andere dialecten aan belang. In de 3e eeuw v.Chr. groeide het aantal sprekers dat naast hun moedertaal ook Koinē gebruikte. In de oude Griekse stadstaten bleven dialecten alleen in afgelegen gebieden als omgangstaal en in lokale administratie in gebruik. Door de dominantie van Koinē in handel, educatie en politiek werd het taalgebruik in het rijk steeds universeler. Een literair-artistieke versie van Koinē werd gebruikt door hellenistische auteurs zoals Polybios, Lucius Cassius Dio, Plutarchus en Lucianus van Samosata. Zij verfijnden de volkstaal tot een hogere, literaire vorm.

Nieuwtestamentisch Grieks miniatuur|Palestina rond het begin van de jaartelling Grieks was de tweede taal voor Palestijnse Joden en de moedertaal van de Joden in de westerse diaspora. Daarom is het Nieuwe Testament in de 1e eeuw n.Chr. in het Grieks geschreven. De stijl van het Nieuwe Testament leidde in de 17e en 18e eeuw tot discussies onder theologen. De hebraïsten stelden dat de stijl sterk beïnvloed was door het Hebreeuwse Oude Testament. Vanwege de Semitische context meenden zij dat de auteurs in een soort Joods Grieks schreven, waarbij hun gedachtegang en levenswijze in de tekst doorsijpelden. Samen met de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, spreekt men daarom van Bijbels Grieks. Tegenwoordig wordt aangenomen dat de taal van het Nieuwe Testament geen afzonderlijk dialect (Joods of Bijbels Grieks) is, maar een regionale variant, namelijk Syro-Palestijns Koinē. Enige Semitische invloed wordt echter niet ontkend. De taalpuristen geloofden daarentegen dat de taal niet door andere talen beïnvloed was. De Duitse pastoor Gustav Adolf Deissmann (1866-1937) toonde rond de eeuwwisseling aan dat het taalgebruik van het Nieuwe Testament nauw verwant is aan het alledaagse Koinē van de 1e eeuw n.Chr. De stijl van het Nieuwe Testament is opvallend eenvoudig en routinematig. Zinnen zijn vaak kort, met herhaling van belangrijke zinsdelen en een voorkeur voor finiête werkwoorden. Atticismen worden vermeden. Dit komt doordat de auteurs meestal geen hogere opleiding hadden genoten en hun moedertaal vaak Aramees was, waardoor zij regelmatig steunden op Aramese constructies. Hierdoor zijn Semitische zinsstructuren, zoals "hij sprak, zeggende...", in de tekst geslopen.

Koinē in Rome Griekenland en de Hellenistische koninkrijken werden door Rome veroverd tussen 272 v. Chr. (val van Tarente) en 30 v. Chr. (inlijving van Egypte). Het Grieks werd, in tegenstelling tot de talen van andere volkeren (in Italië, Gallië, Hispania etc.), niet verdrongen door het Latijn van de Romeinen, maar oefende net een significante invloed uit op de samenleving van de Romeinse veroveraar. De Romeinse dichter Horatius brengt dit poëtisch onder woorden in Epist. II, 1.156-7:“Graecia capta ferum victorem cepit et artes | intulit agresti Latio.” (Het overwonnen Griekenland nam zijn wilde overwinnaar in en bracht de kunsten in het boerse Latium). Deze invloed bleef niet beperkt tot louter literaire invloeden, zoals de dactylische hexameter die de saturnische verzen verving: ook de Griekse taal – op dat moment het Koinē – speelde een belangrijke rol, voornamelijk in de hoogste regionen van de Romeinse samenleving.

Gegoede Romeinse jongelingen leerden Grieks van vrijgelaten slaven en ondernamen als kroon op hun vorming een reis naar Griekenland om zich te verdiepen in de filosofie en retoriek. De alomtegenwoordigheid van die Griekse invloed in Rome (Juvenalis spreekt in de Keizertijd denigrerend over de ‘Graecam urbem’ in Sat. III, 61) lokte in de 2de eeuw v. Chr. een anti-hellenistische beweging uit. Hoewel de roerganger van deze beweging, Cato de Oudere, zich perfect in het Grieks kon uitdrukken, weigerde hij de taal te spreken. Bij wijze van statement publiceerde hij als eerste een Romeinse geschiedenis is het Latijn, de Origenes. Varro, als leerling van de behoudsgezinde L. Aelius Stilo, kan ook tot deze strekking worden gerekend: met zijn werk De lingua Latina droeg hij bij aan de idee van de autonomie van het Latijn.

Toch was Latijn nog altijd exclusief de taal waarin de politiek in Rome werd bedreven. Volgens Valerius Maximus (II, 2.2) antwoordden Romeinse magistraten bijvoorbeeld enkel in het Latijn op Griekstalige ambassadeurs. Zo zouden ze de ‘maiestas’ van het Romeinse volk benadrukken. Volgens Suetonius (Tib., 71) zou ook keizer Tiberius, die vloeiend Grieks sprak, het gebruik ervan mijden in het senaatsgebouw (keizer Claudius zou er later echter geen graten in zien om de senaat in het Grieks toe te spreken). Het Grieks (Koinē) was derhalve de taal die gebruikt werd in de private sfeer van de Romeinse aristocratie. Dat intieme karakter van het Grieks toont zich in de (tweetalige) Romeinse literatuur. Welgestelde Romeinen lijken naar het Grieks terug te grijpen wanneer ze hun emotie of affectie willen uiten: denk aan de beruchte woorden van Julius Caesar toen hij de Rubicon overstak, die hij luidens Plutarchus (Pomp., 60.2) in het Grieks uitsprak: “καὶ τοσοῦτον μόνον Ἑλληνιστὶ πρὸς τοὺς παρόντας ἐκβοήσας, ‘ἀνερρίφθω κύβος’, διεβίβαζε τὸν στρατόν.”  (En nadat hij aan diegenen die bij hem stonden in het Grieks enkel deze woorden uitgeroepen had: ‘laat de teerling geworpen zijn’, zette hij het leger over.) Vergelijkbaar zijn Caesars laatste woorden, die hij richtte tot zijn zoon Brutus, evenmin in het Latijn, maar in het Grieks: “καὶ σὺ τέκνον;” (Ook jij, mijn zoon?) Juvenalis spot in Sat. VI met het Grieks als voertaal tijdens het liefdesspel: “omnia Graece […] hoc sermone pavent, hoc iram gaudia curas, hoc cuncta effundunt animi secreta: quid ultra? Concumbunt Graece […] quotiens lascivum intervenit illud ζωὴ καὶ ψυχή […]” (Alles gebeurt in het Grieks … in deze taal vrezen ze, zijn ze kwaad, blij en verdrietig, in deze taal storten ze alle geheimen uit hun ziel: wat schiet er nog over? Ze vrijen in het Grieks … hoe vaak komt dat hitsige ‘Leven en ziel!’ er niet tussen …)Ook de correspondentie van Marcus Tullius Cicero aan Atticus barst van de Griekse woorden en frasen die Cicero’s affectie voor zijn goede vriend en zijn liefde voor de Griekse cultuur moeten weergeven. Het dergelijke gebruik van het Grieks wordt door sommige onderzoekers gelinkt aan een passage uit Quintilianus (I, 1.12) die stelt dat aristocratische kinderen als eerste taal het Grieks aangeleerd kregen, nog voor het Latijn. Voor Romeinen die een dergelijke opvoeding hebben genoten is het Grieks dus een soort ‘moedertaal’ waarnaar zij terugkeren op persoonlijke of emotionele momenten. Quintilianus (I, 1.13) waarschuwt wel voor de gevolgen van te laat contact met de Latijnse taal, zoals afwijkingen in de uitspraak en een teveel aan Griekse spreekwoorden in het taalgebruik. Volgens hem duiken zulke gevallen te veel op (“sicut plerisque moris est”). Ook Hiëronymus (Epist. 107.9) baart zich zorgen op dat vlak. Een voorbeeld van dien aard is ons bekend vanuit een latere periode: Paulinus van Pella, de kleinzoon van de dichter Ausonius (in wiens werken het wemelt van de Griekse passages), zou op jonge leeftijd erg intensief Grieks hebben geleerd waardoor hij de Latijnse taal minder goed beheerste en derhalve moeite bleek te hebben met het lezen van Vergilius.