Sohei (僧兵,Sōhei) waren boeddhistische strijder-monniken die de Japanse geschiedenis van circa 949 tot 1603 hebben beïnvloed. Dit gebeurde op sociaal terrein, maar voornamelijk op politiek - en militair vlak. Ze steunden op de steeds groter wordende invloed van de boeddhistische tempels.

De strijder-monniken Sohei is de term die het meest wordt gebruikt voor de Japanse strijder-monniken. Het begrip is opgebouwd uit twee karakters. Het eerste, so (僧), betekent hier 'boeddhistische priester' of 'monnik', en hei (兵) betekent 'strijder' of 'soldaat'.(Strijder-)monnik is echter de meest correcte vertaling aangezien het grootste deel van de strijdmachten van de boeddhistische tempels in middeleeuws Japan bestonden uit bewapende arbeiders uit de grote tempelcomplexen of ingehuurde strijders die in deze laatste verbleven. De 'gewijde' boeddhistische priester die ook gevechtsvaardigheden bezat is een populistisch beeld, maar kwam zelden voor. Dit is goed te vergelijken met de Teutonische ridders uit middeleeuws Europa die in versterkte abdijen samenleefden; dit waren de Europese 'strijder-monniken'. Ook deze ridders waren zeer zelden gewijde priesters.

Akuso is een tweede veel voorkomende benaming voor de strijder-monniken; dit betekent 'slechte monniken' of 'kwade monniken'. Deze reputatie hebben de monniken te danken aan het vele bloedvergieten dat door de eeuwen heen door hen werd veroorzaakt, aangezien de nadruk wel degelijk op het strijder- of soldaat-zijn lag bij de sohei, en de benaming monnik enkel gebruikt werd om aan te geven dat ze deel waren van een van de tempelcomplexen.

Yamabushi is een foutieve benaming die weleens gegeven wordt aan strijder-monniken. Deze term heeft enkel betrekking op aanhangers van de Shugendo-sekte en deze sekte kende geen strijders georganiseerd als strijdmachten.

Sohei door de eeuwen heen Inleiding De eerste zogeheten priesterstrijders in Japan kwamen al voor vanaf het einde van de 6e eeuw. Zij vonden hun oorsprong in de boeddhistische kloosters die vanaf de Nara periode vrijstelling hadden voor alle soorten belasting en niet onder de wetten vielen van de aristocratie. Nara kende acht belangrijke scholen die grote invloed uitoefenden op het keizerlijke huis en de besluitvorming binnen de staat. Bij het verhuizen van de hoofdstad in de Heian periode naar het huidige Kioto, trachtte de regering de boeddhistische sektes te omzeilen wat evenwel niet lukte. Rondom het toenmalige Heiankyo vestigden zich al snel nieuwe boeddhistische scholen. Deze scholen oefenden direct invloed uit op de hoofdstad, wat tevens tot spanning leidde tussen de Nara scholen.

Sinds de boeddhistische kloosters boven de wet stonden vonden er ook lieden die de wet overtreden hadden er een toevluchtsoord, door het toetreden in de school. Niet alleen criminelen, maar ook ex-keizers of andere vooraanstaande personen traden in de scholen.Onder andere keizer Go-Shirakawa, keizer Go-Daigo en Vrouwe Hojō Masako. Het boeddhisme staat bekend als godsdienst om de uiteindelijk verlichting te bereiken. Door de komst van ook dat soort mensen, groeiden de scholen aanzienlijk en kon de leer soms in twijfel worden getrokken, daar lang niet alle priesters zich hielden aan de kloostervoorschriften.

Hun machtspositie in aanmerking genomen - de monniken leefden van toelages van het keizerlijk huis terwijl ze boven de wet - is het niet verwonderlijk dat vanaf de 8e eeuw tot het hoogtepunt in de 16e eeuw de kloostermonniken uitgroeiden tot een uitzonderlijk rijke en bemoeizuchtige groep fanatiekelingen die tot grote opstanden konden komen.

Allereerst bestonden de priesterstrijders voornamelijk uit struikroverbendes die zich in de beschermende nabijheid van kloosters ophielden en later ook gebruik maakten van de voordelen van de monniken door hun eigenlijke diplomatieke onschendbaarheid.Alleen onder voorwaarde dat ze toe zouden treden tot de school. Later trainden de monniken hun eigen militie of legers die tot grote aantallen konden groeien om hun wil op te dringen aan de keizer of aan een landheer precies zoals zij het wilden.

Ontstaan en conflicten tussen tempels Ryogen (912-985), de 18e abt van de Enryakuji, Tendai-school, is de oprichter van het eerste sohei-leger. Dit was een privéleger om de belangen van het klooster te verdedigen. Hij stelde 26 artikelen op waaraan de monniken moesten voldoen (970). Hierin stonden onder andere de gebruiken voor hun 12-jarige training waarin ze geen gebeden mochten onderbreken, wapens dragen, hun gezichten bedekken of lichamelijk letsel mochten toebrengen. Onduidelijk is het of het eerste leger uit huurlingen bestond of, zoals het later geval was, uit getrainde monniken.

Waren ze in het begin nog kleine groepen van rovers, vanaf de 10e eeuw vormden de sohei geoefende legertjes die voor de volgende doeleinden ingezet werden: het beschermen van de tempel tegen indringers, het protesteren tegen beslissingen genomen buiten de school door de keizer, het stoppen van andere religieuze instellingen van het delen van hun privileges, het dwingen van het terugbetalen van leningen aan het klooster, het aanvallen en bestoken van burgers om hun angst en respect in te boezemen.

Deze eerste conflicten tussen en binnen boeddhistische tempels waar sohei werden ingezet in de 10e eeuw waren echter geen godsdienstoorlogen zoals in het Westen, waar vaak argumenten over doctrine's of dogma's de aanleiding waren van het conflict. In Japan was de oorsprong van het conflict enkel terug te leiden naar politiek. Van de 10e tot de 14e eeuw bleef dit laatste zo goed als de enige aanleiding bij conflicten die zich bijna exclusief afspeelden tussen en binnen de tempels van Nara en de Hieiberg.Deze berg ligt ten noordoosten van Kioto; de Enryakujitempel werd er in 767 gesticht. De ligging was van belang voor het feng shui-geloof dat zegt dat het kwade een stad vanuit het noordoosten kon aanvallen.

De keizerlijke regering had meestal geen directe controle over deze tempels maar kon er toch op twee manieren invloed op uitoefenen. Ten eerste behield de keizer vaak het recht om de zasuDe tempeloverste aan te stellen en de tweede vond men aan het hoofd van tempels vaak leden van prominente families van het hof (monzeki) terug. Politieke onenigheden over de aanstellingen voor deze posten leidden tot gewapende conflicten, die uitgevochten werden door sohei.

Het eerste noemenswaardig incident betreffende geweld tussen monniken vond plaats in 949 toen 56 sohei van de Todaji-tempel uit Nara zich in Kioto verzamelden om te protesteren tegen een ongewenste aanstelling. Bij het daaropvolgende gevecht werd een aantal van de deelnemers gedood. Hierop volgde een demonstratie in 968 door sohei uit Kofukuji gericht op leden van de Fujiwara-clan, maar hier werden de wapens enkel gebruikt als intimidatie ter versterking van de religieuze angst die de monniken probeerden te veroorzaken. Een jaar later, in 969, speelde er zich echter weer een gewapend conflict af betreffende aanspraak op tempelgronden waarbij Kokufuji-monniken werden gedood door monniken uit Todaji. De tijd van de sohei bleek aangebroken te zijn.

Genpei-oorlog De activiteiten van de monniken in de Genpei-oorlog zijn een uitzondering op de conflicten die zich enkel tussen de tempels afspeelden die in het vorige deel werden vermeld. In die tijd waren de leiders van de grote clans voornamelijk geïnteresseerd in het rekruteren van zo veel mogelijk troepen onder hun bevel, zodat deze ook sohei aanwierven, die hun vak als krijgers goed kenden door de onderlinge conflicten van de tempels. In de legers van zowel de Taira als de Minamoto-clan trof men dus sohei aan tijdens de Genpei-oorlog maar ze hadden ook een grote rol in een van de eerste grote conflicten in deze oorlog, de slag van Uji. Aan het begin van de oorlog in 1180 had de Minamoto-clan de steun van prins Mochihito, die na een gefaalde rebellie vluchtte uit Kyoto naar de tempel van Miidera, met de Taira-krijgers op zijn hielen. Deze tempel vroeg hulp aan EnryakujiDeze tempel was uitgegroeid uit tot de belangrijkste en invloedrijkste op de Hieiberg en aan de tempels van Nara. Deze tempels lieten blijken dat ze hulp zouden bieden maar Enryakuji was de rivaliteit met de Naratempels nog niet vergeten en werd bovendien omgekocht door de Taira. De Miidera en Minamoto strijdmachten trokken vervolgens naar de Naratempels om er versterking te zoeken. Maar ze werden onderschept door de Taira en de slag van Uji was het resultaat. De Miidera/Minamoto alliantie van samoerai en sohei werd verslagen en de Taira-clan stuurde na het gevecht een destructieve strijdmacht naar de Miidera-tempel. Nara zou er echter nog slechter van af komen. De Taira stuurden eerst een groep krijgers met geweldloze bedoeling maar deze werden gedood waarna hun hoofden tentoon werden gesteld aan de poorten van Kokufuji. Bij de wraakactie van de Taira-clan die hierop volgde brandde de gehele stad Nara af. De monniken van het tempelcomplex op de Hieiberg, het enige tempelcomplex met sohei dat nog over was, raakten hierdoor bevreesd. Zo verbleef de Minamotoleider Kiso Yoshinaka in 1183 nog in Enryakuji maar durfden de monniken zich niet langer te moeien met zijn militaire campagnes.

Kamakura- en Nanboku-cho-periode thumb|275px|Grote hal van Enryakuji Na hun activiteit in de Genpei-oorlog bleven de tempels een tijd afzijdig bij militaire conflicten met hun sohei. Maar dit betekende niet dat de invloed en militaire macht van de tempels voor altijd verdwenen was want deze laatste werd na de Genpei-oorlog samen met de verwoeste tempels hersteld. Dit zorgde er echter voor dat de rivaliteiten tussen de tempels terugkeerden; zo raakte Enryakuji in de loop van de 13de eeuw weer enkele keren in conflict over bepaalde aanstellingen, alhoewel het niet duidelijk is of dit ook elke keer gepaard ging met gewapende strijd. Ook de sohei uit Nara hadden een kleine invloed in de Shokyu-oorlog in 1221 maar dit was van korte duur aangezien de verwoesting uit de Genpei-oorlog bij de Nara-monniken nog vers in het geheugen lag.

De monniken van de Hieiberg mengden zich niet in deze oorlog. Maar in de Nanboku-cho-oorlogen - de oorlogen tussen de Noordelijke en Zuidelijke Dynastieën in de 14de eeuw - stelde keizer Go-Daigo zijn zoon, prins MoriyoshiOok wel prins Morinaga genoemd. aan als zasu van Enryakuji, zodat hun sohei kort meededen aan Go-Daigo's poging de macht over te nemen in 1331.In het Genkō-incident werden Go-Daigo's plannen ontdekt toen hij verraden werd door een metgezel en werd zijn leger verslagen. In het vervolg van de oorlog werd er echter weinig tot geen gebruik meer gemaakt van sohei-strijdmachten.

Van 1367 tot 1369 was er nog sprake van een conflict tussen aan de ene kant de Nanzenji Zen-tempel en de shogun, tegenover de sohei van Miidera, Enryakuji en Kokufuji. De aanleiding hiervoor lag bij onenigheid over een tolkantoor van de Nanzenji-monniken, die als verliezers uit dit conflict kwamen.

Ikko-ikki en Oda Nobunaga In de jaren na hun activiteit in de Nanboku-cho-periode bleven de sohei hun gewone gang gaan door hun invloed op de politiek uit te oefenen tot op het moment van de Onin-oorlog die begon in 1467. Hier zag men de opkomst van een nieuw soort heilige strijders, het waren echter geen monniken maar vooral boeren die de rol speelden van religieuze fundamentalisten die vochten voor nieuwe populistische sektes in het boeddhisme. Deze vormden de religieus geïnspireerde opstanden die beter bekendstaan onder de naam Ikko-ikki. Deze Ikko-ikki behoorden voornamelijk tot een denominatie van het Ware Reine Landboeddhisme.Deze denominatie was het Shin Boeddhisme, hun belangrijkste tempel was Honganji en tijdens de Onin-oorlog kende ze een spectaculaire groei onder de populistische predikant Rennyo.