Hendrik Thierry (Den Haag, 5 februari 1902 - Amstelveen, 1976) was een Nederlands bedrijfseconoom, bedrijfskundige en hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.Lectuur-repertorium, Volume 3, 1970. p. 1801
Thierry was een specialist op het gebied van pensioen- en spaarfondsen en levensverzekeringen, en had in 1930 een van de eerste proefschriften op dit gebied geschreven.
Op latere leeftijd, in 1965, heeft Thierry met Jacob Louis Mey in afzonderlijke presentaties de systeemtheorie in de Nederlandse bedrijfseconomische organisatie-literatuur geïntroduceerd.Doede Keuning (1973) Algemene systeemtheorie: een systematiserende verkenningstocht door de 'systems jungle' en een onderzoek naar enkele consequenties van het systeemdenken voor de organisatietheorie. Leiden : Stenfert Kroese, p. 3.
Levensloop Thierry werd geboren in 1902 in Den Haag. In 1930 op achtentwintigjarige leeftijd promoveerde hij aan de Nederlandsche Handelshoogeschool in Rotterdam op het proefschrift "Pensioenvoorziening in het particulier bedrijf" onder het rectoraat van Hendrik Rudolph Ribbius. Later in 1952 publiceerde hij over dit onderwerp ook zijn eerste boek getiteld "Pensioen- en spaarfondsen in de private sector van het economisch leven".
In 1947 begon hij als privaatdocent aan de Nederlandsche Handelshoogeschool in Rotterdam met een openbare les over "Algemene economie en bedrijfseconomie". In 1953 werd hij hoogleraar Economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, waarbij hij een oratie hield over "De bedrijfseconomie en de mens". In de opvolgende twee decennia was hij samen met Freek van Muiswinkel verantwoordelijk voor het onderwijs in de bedrijfseconomie aan de faculteit.Prof. dr. H. Thierry, 1976. Online op geheugenvandevu.nl, bezien 11.01.2018. In 1972 ging hij hier met emeritaat. Onder Thierry promoveerde in 1972 Willem Bos met het proefschrift Werkgeversorganisatie/ondernemingsorganisatie,Willem Bos. Werkgeversorganisatie/ondernemingsorganisatie: Plaats en funkties van de werkgeversorganisatie/ondernemingsorganisatie in het Nederlandse sociaal-ekonomisch bestel, Universitaire Pers Rotterdam, 1972 en in 1973 Doede Keuning met het proefschrift Algemene systeemtheorie.
Met het boek Organisatie en leiding : terreinverkenning en ontwikkeling uit 1965 presenteerde Thierry een van de eerste boeken in Nederland over bedrijfskunde vanuit een systeemtheoretische perspectief. De tweede uitgave van dit boek gaf hij de subtitel mee van "inleiding tot de traditionele theorie en de moderne systeem- en procesbenadering". Deze uitgave bleef hij bijwerken en beleefde in 1973 een zesde druk.
Familie Zijn zoon is Hendrik (Henk) Thierry, geboren 25 september 1938 in Den Haag, was hoogleraar Arbeidspsychologie aan de Universiteit van Amsterdam van 1975 tot 1993, en is sindsdien emeritus hoogleraar.
Werk Pensioenvoorziening in het particulier bedrijf In 1930 promoveerde Thierry in Rotterdam op het proefschrift Pensioenvoorziening in het particulier bedrijf. Dit onderwerp was in die tijd erg actueel geworden, aangezien grotere bedrijven eigen pensioenregelingen voor hun personeel hadden ingevoerd. In andere bedrijven werden gemeenschappelijke voorzieningen getroffen.Redactie "Pensioenvoorziening in het particulier bedrijf; een belangwekkende dissertatie," in: Nieuwe Leidsche Courant, 6 februari 1930, p. 7
In die tijd bestond er over dit onderwerp nog nauwelijks literatuur of theoretische beschouwing. Thierry had vastgesteld, dat pensioenvoorziening in de basis een vraagstuk van verzekering is waarbij dezelfde grondbeginselen golden. In zijn proefschrift gaf hij verder een historisch overzicht van de opkomst van het pensioenvraagstuk, en de aanzetten en motieven daarbij van arbeiders en ondernemers.
De bedrijfseconomie en de mens In de oratie "De bedrijfseconomie en de mens" uit 1953 gaat Thierry in op rol van de mens in de bedrijfseconomie. Dit was niet naar ieders tevredenheid. Zo stelde De Jong (1954):
"...Ten onrechte kent H. Thierry, „De bedrijfseconomie en de mens", oratie, Arnhem 1953, pag. 12 e.v. aan de mens in de bedrijfseconomie te veel betekenis toe. De mens kan niet als object van de bedrijfseconomie worden gezien, aangezien de specifieke vraagstelling criterium is voor de specifieke rol welke de bedrijfseconomie vervult."Albert de Jong (1954). De menselijke factor in de bedrijfshuishouding en de bedrijfseconomische problematiek. p.137
De Jong (1954) verklaarde nader: "Zien wij goed, dan ontkomt Thierry niet aan de verwarring, waarop reeds door Schafer is gewezen, van twee verschillende problemen. Enerzijds de betekenis van de bestudering van de menselijke factor in de bedrijfshuishouding voor de bedrijfseconoom en anderzijds de opname van de menselijke factor in de bedrijfseconomische theorie. Aan de andere kant is hij zich van dit onderscheid wel bewust. In zijn conclusie zegt Thierry nl., dat de herontdekking van de mens (d.i. de omstandigheid, dat de mens een sociaal-voelend en redelijk-denkend wezen is en dus principieel verschilt van de machine) èn de bedrijfseconomie èn de bedrijfseconoom voor nieuwe vraagstukken stelt. Hij eindigt zijn beschouwing met er op te wijzen, dat bij de wetenschappelijke vorming van de bedrijfseconoom, aan die herontdekking van de mens aandacht moet worden besteed."De Jong (1954, p. 17)
Het object van de bedrijfseconomie In de tweede helft van de 20ste eeuw was discussie binnen de bedrijfseconomie over het object van de bedrijfseconomie, die al dan niet begrensd diende te worden. In een studie over de ziekenhuissector vatte de Jong (1967) dit als volgt samen:
"...De opvatting dat de bedrijfseconomie zich dient te beperken tot de verklaring van de economische verschijnselen, welke zich in de onderneming voordoen, vindt - zij het steeds minder- in de ziekenhuissector nog wel aanhang. Vele voorname auteurs echter - wij noemen Ten Doesschate, Limperg en Thierry - nemen het standpunt in, dat de bedrijfseconomie van betekenis is voor de analyse van de verschijnselen, die zich in iedere bedrijfshuishouding voordoen, daar ook de behartiging van het algemeen belang tot haar taak behoort.Lambertus Petrus de Jong (1967). Ziekenhuiskosten en ziekenhuistarief: wenselijkheid en mogelijkheden van een normstellend tarief. p.14
Een argument dat Thierry had gebruikt voor zijn stellingname was volgens Van Straaten (1957):
"Thierry stelt, dat men door het produceren voor de ruil als kenmerk van de bedrijfshuishouding te zien, het object van de bedrijfshuishoudkunde op ongerechtvaardige wijze beperkt. Overheidsdiensten welke werken zonder adequate vergoeding, worden dan immers uitgesloten...."Henricus Carolus Van Straaten (1957), Inhoud en grenzen van het winstbegrip, p. 98
Over de stellingname van Thierry stelde L. Sterck (1962) verder: "... [Thierry] merkt... op, dat het bedrijfseconomisch aspect wordt gekenmerkt door het streven naar een zo groot mogelijke positieve waardedifferentiatie. Alle factoren, die dit waardeverschil in positieve of in negatieve zin beïnvloeden, zal de bedrijfseconomie binnen haar gezichtskring moeten betrekken. 'Hiertoe behoort ook de mens, want het lijkt moeilijk voor bestrijding vatbaar, dat de mens en de intermenselijke verhoudingen een gunstige of ongunstige invloed kunnen uitoefenen op het bedrijfsresultaat.'..."L. Sterck. Organisatiestructuur en menselijke factor:: een interdisciplinaire benadering. 1962, p. 4
Moderne organisatie als gecompliceerd geheel In zijn boek Organisatie en leiding uit 1965 geeft Thierry in het tweede afsluitende deel een schets van de ontwikkeling van de theorie van organisatie en leiding. Na een schets van de oudere organisatietheorieën, zoals scientific management, human relations beweging, en motivatietheorie van Douglas McGregor, geeft Thierry een eerste schets van de organisatie als complex geheel van processen. De noodzaak voor een dergelijke zienswijze, verwoordde hij als volgt:
"De oudere organisatietheorieën... zagen de organisatie en het samenspel van de daarin werkende mensen veel te simplistisch - althans wat de klassieke theorie betreft - veel te statisch. De moderne aanpak van de vraagstukken van organisatie en leiding is zich veel bewuster van de bewegingen, de stromen en processen, die zich afspelen tussen mensen, middelen en methoden."Thierry (1965, p. 149)
Verschillende ontwikkelingen hadden volgens Thierry aanleiding gegeven tot deze nieuwe zienswijze, zoals de opkomst van het individualisme en genuanceerde inzichten in arbeidsmotivatie. De arbeider was geëmancipeerd tot werknemer, en de aard van de menselijke samenwerking werd beter begrepen. Organisaties hadden meeromvattende doeleinden gekregen, arbeid zelf was meer gespecialiseerd geworden, en de besluitvormingsprocessen waren van karakter veranderd.Thierry (1965, p. 149-50)
In 1965 stelde Thierry, dat men binnen de organisatie uitgaande van de formele lijnorganisatie vijf soorten processen kan onderscheiden:Thierry (1965, p. 150-56) De functionele processen, ofwel de functionele en stafrelaties tussen specialisten. De sociometrische processen, ofwel de gevoelsbetrekkingen tussen de betrokken werknemers. De machtsprocessen, ofwel de uitoefening van gezag, autoriteit, beheersing en controle. De processen van besluitvorming en beslissing, die in een netwerk van invloeden ontstaan. De communicatie- en informatieprocessen, die horizontaal en verticaal kunnen verlopen, formeel en informeel, en schriftelijk en mondeling. Deze opsomming is niet volledig, maar het zijn wel hoofdpunten waar de leiding zich op zal dienen te richten. De organisatie kan daarbij bezien worden als samenstel van, wat Thierry noemt, doelsystemen: delen die tot elkaar staan, en bepaald doel nastreven. Zowel het individu, als de kleine groep, als de organisatie als geheel kan als zodanig bezien worden.Thierry (1965, p. 160-63)
Tegen deze achtergrond kan het bedrijf worden gezien als een sociaal systeem in een omgevingssysteem onderhevig aan krachten van verschillende aard: economisch, technologisch, sociaal, cultureel, en politiek. De omgeving draag een dynamisch karakter, en vereist van het bedrijf aanpassing en vernieuwing. In dit spanningsveld kan het bedrijf worden gezien als systeem van systemen met drie basiscomponenten: de mens, de machine en de methode.Thierry (1965, p. 166-172)
Waardering Gerrit Zalm en de algemene economie Vanaf zijn aanstelling in 1953 heeft Thierry zo'n twintig jaar zijn stempel gedrukt op het economieonderwijs aan de Vrije Universiteit Amsterdam. In De romantische boekhouder uit 2009 geeft Gerrit Zalm een inkijk op deze studie in de begin jaren zeventig. Hij begint met een algemeen typering van de studie en zijn indruk van Thierry's collega-hoogleraren vanaf het moment dat hij ging studeren:
"Had me ingesteld op saaie, droge colleges, maar dat valt mee. Professor Wytzes (financiering), professor Traas (kosten- en winstvraagstukken) en professor De Roos (internationale economische betrekkingen) hebben niet alleen een goede reputatie, maar geven ook goed college. Dat geldt ook voor professor Knol, die prijstheorie geeft. Hij stottert enorm, maar laat zich daardoor niet uit het veld slaan. Hij legt aan de hand van de bloemkoolteelt de wet van de afnemende meeropbrengsten uit. Als een van de studenten – al dan niet van de weeromstuit – ook stottert, zegt hij stotterend terug: 'Meneer, wij kunnen met elkaar praten.' Geïntrigeerd ben ik door het vak economische groei, hoewel dat nogal wiskundig is. Vooral het bewijs, ik meen van Solow, dat een hoog investeringsniveau niet tot permanent hogere groei leidt, is op het eerste oog een paradox..."Gerrit Zalm, De romantische boekhouder, 2009. p. 17
Freek van Muiswinkel en Thierry hadden een bijzondere invloed op Zalm, zoals hij verder verwoord: