Tsintaosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Euornithopoda, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige China.

Vondst en naamgeving De typesoort Tsintaosaurus spinorhinus werd in 1958 benoemd en beschreven door de Chinese paleontoloog Yang Zhongjian. De geslachtsnaam is afgeleid van de stad Qingdao, vroeger weergegeven als 'Tsintao'. (2002). "Dinosauria Translation and Pronunciation Guide T." DOL Dinosaur Omnipedia. Geraadpleegd 24 februari 2010. De soortaanduiding betekent 'met stekelneus', vanuit het Latijn spina, 'doorn', en het Klassiek Grieks ῥίς (rhis), 'neus', een verwijzing naar een opvallend uitsteeksel op de kop. left|thumb|Het holotype met zijn verwarrende kam Het holotype IVPP AS V725 is in 1950 gevonden bij het plaatsje Hsikou, bij Chingkangkou, in Laiyang, in een laag van de Jingangkouformatie die dateert uit het Campanien en opgegraven in 1951. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel. Hoewel de schedel vermoedelijk in zijn geheel aan een enkel individu toebehoort, gebruikte Yang allerlei botten om het skelet mee op te bouwen zodat het waarschijnlijk een composiet is van verschillende individuen. Het paratype is specimen IVPP V818, een schedeldak. Yang wees nog drie gedeeltelijke skeletten toe: IVPP V727: twee opperarmbeenderen; V728: twee opperarmbeenderen, een heiligbeen, een bekken en een linkerdijbeen; en V729: een heiligbeen en een linkeropperarmbeen.

De soorten Tanius chingkankouensis Yang 1958 en Tanius laiyangensis Zhen 1976 worden tegenwoordig meestal als jongere synoniemen van Tsintaosaurus spinorhinus beschouwd. Dit vergroot het bekende materiaal van Tsintaosaurus. Tanius chingkankouensis en Tanius laiyangensis zijn ook als een nomina dubia gezien.

In 2013 kwamen Albert Prieto-Márquez en Jonathan Wagner met een nieuwe beschrijving van de schedel. Hierbij wezen ze specimen IVPP V829, een praemaxilla met neusbeen, eerder door Yang aan Tanius toegewezen, aan Tsintaosaurus toe wat een geheel nieuwe schedelvorm opleverde.Prieto-Márquez A., Wagner J.R., 2013, "The ‘Unicorn’ Dinosaur That Wasn’t: A New Reconstruction of the Crest of Tsintaosaurus and the Early Evolution of the Lambeosaurine Crest and Rostrum", PLoS ONE 8(11): e82268. doi:10.1371/journal.pone.0082268

Beschrijving Algemene bouw en grootte Tsintaosaurus is een groot dier. Een van de gevonden dijbeenderen heeft een lengte van een meter. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lichaamslengte op 8,3 meter, het gewicht op 2,5 ton. Tsintaosaurus heeft een langgerekte en platte snuit, eindigend in een smalle snavel, met een naar achteren gelegen reeks tanden die een 'tandenbatterij' vormen om planten te kauwen. De onderarm is relatief lang. Waarschijnlijk liep hij vooral op alle vier zijn poten maar stond af en toe op de achterste twee poten om uit te kijken naar roofdieren. Als hij rende deed hij dat vermoedelijk op twee poten, omdat hij zo sneller was. De staartbasis draagt erg hoge doornuitsteeksels die samen met een smal maar ver uitstekend zitbeen de indruk wekken dat de romp ver naar achteren doorloopt.

Onderscheidende kenmerken thumb|De laatste interpretatie van de schedelkam Prieto-Márquez en Wagner stelden in 2013 een reeks onderscheidende kenmerken op, gebaseerd op hun nieuwe onderzoek van de schedel. Het zou gaan om echte autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. De bijtrand van de praemaxilla heeft een wijd gewelfde voorste onderkant en is daarbij dik en breder uitlopend dan de voorste uitholling rond de neusgaten. Het gedeelte van de uitholling rond de neusgaten dat op de praemaxilla ligt, is per zijde in de lengterichting verdeeld door twee schuin naar voren en bezijden lopende richels. Boven de oogkassen bevindt zich een hoge lobvormige kam, gevormd door de neusbeenderen en praemaxillae, die naar boven en licht naar achteren uitsteekt tot een hoogte die groter is dan de hoogte van de achterkant van de schedel langs de quadrata gemeten. De neusbeenderen zijn langs hun middenlijn vergroeid tot een van de snuit omhoogstekende buisvormige structuur. Intern vormen de neusbeenderen een blokvormig uitsteeksel dat voor de hersenpan is gelegen. De achterkant van het neusbeen wordt omklemd tussen een onderste voorste uitsteeksel van het voorhoofdsbeen en een overhangend bovenste voorste uitsteeksel, welke laatste zich boven het niveau van het schedeldak verheft. Het bovendeel van het neusbeen dat de kam vormt, heeft de vorm van een verbrede ruit. De achterkanten van de opgaande takken van de praemaxillae zijn overdwars verbreed waar ze de top van de kam bereiken, waarbij hun zijkanten een ruitvormig contactfacet hebben als raakvlak met het neusbeen. Intern hebben deze opgaande takken een haakvormig uitsteeksel dat naar beneden, achteren en iets naar binnen kromt, welke uitsteeksels een gemeenschappelijke holte op de middenlijn verdelen. Het prefrontale heeft een opgaande tak die naar boven uitsteekt, iets naar binnen draaiend, om contact te maken met de basis van de buisvormige structuur van de neusbeenderen en een gedeelte van de zijkant van de opgaande tak van de praemaxillae, welke elementen gedeeltelijk door het prefrontale overlapt worden. Het prefrontale heeft een opstaande rand die zijdelings van de onderkant van het traanbeen tot aan de onderkant van de opgaande tak van het prefrontale loopt en contact maakt met een zijdelings uitsteeksel van de praemaxilla om een verheffing te vormen op de zijkant van het gedeelte van de schedel vóór en boven de oogkas. De zijkant en onderkant van het prefrontale dragen diepe verticale groeven. Het bovenste slaapvenster is, overdwars, breder dan lang.

Hiernaast toont Tsintaosaurus nog een kenmerk dat alleen met Pararhabdodon gedeeld wordt: het bovenkaaksbeen heeft een contactfacet met het jukbeen die zo hoog geplaatst is dat de onderrand ervan aanzienlijk boven het niveau van de richel ligt die contact maakt met het ectopterygoïde, gecombineerd met een scherpe inham, onder de tak die naar het jukbeen loopt, tussen dat contactfacet en die richel.

Skelet Schedel thumb|De linkerpraemaxilla Tsintaosaurus heeft een vrij langwerpige schedel. Het profiel van de snuit is niet direct bekend en kan licht bol of juist licht hol geweest zijn. Vooraan eindigt de snuit in een sterk afhangend gedeelte, bestaande uit de voorste praemaxillae, dat de beenkern vormt van de bovensnavel. Dit stuk is tandeloos. Een klein, plat en driehoekig bovenkaaksbeen draagt de tandbatterij. left|thumb|Het linkerprefrontale Het snuitgedeelte van de praemaxilla is ongeveer driemaal langer dan breed wat erop wijst dat de bovensnavel relatief wijd was. Het gaat achteraan vrij geleidelijk over in de achterste kaakrand, niet met een plotse inkeping zoals bij sommige verwanten. De voorste kaakrand gaat naar boven over in een zeer dikke beenrand. Die wordt echter in de voorste snuitpunt abrupt smaller. Over de beenrand, parallel aan de kaakrand, loopt een opstaande rand die vermoedelijk de bovenste begrenzing van de hoornsnavel aangeeft. Het achterste punt hiervan komt niet overeen met een vernauwing van de beenrand, zoals wel het geval is bij verwanten. Bij de snuitpunt toont de kaakrand per zijde zes vrij grote en brede, driehoekige, afgeronde schijntandjes. De praemaxillae zijn intern met elkaar verbonden via een ononderbroken tussenschot dat niet doorboord wordt door de apertura ossis nasi aangezien de eigenlijke neusgaten veel hoger liggen. De beenrand begrenst een diepe uitholling in de zijkant van de snuit. Achteraan ligt hierin de pseudonaris, het valse neusgat, omplooit door de bovenrand en onderrand van de praemaxilla. Die randen naderen elkaar naar achteren toe maar geleidelijk zodat de pseudonaris langgerekt is. De uitholling, bij andere lambeosaurinen typisch een enkelvoudig glad vlak, is in drieën verdeeld door twee naar voren aflopend richels. De drie zo gevormde onderverdelingen zijn diep en nauw. De voorste van deze troggen is druppelvormig. De middelste en achterste zijn langwerpiger en lopen tot in de luchtgang door. De praemaxillae zetten zich naar achteren voort in een hoge kam waarvan ze voorzijde uitmaken, waarvan de precieze vorm niet bewaard is gebleven. Het neusbeen draagt de achterkant van de hoge kam. De neusbeenderen zijn bovenaan, waar ze een vork vormen, via ruitvormige facetten met de buitenzijden van de praemaxillae verbonden die op deze positie een hol inspringend ruitvormig buitenvlak bezitten. De opstaande randen daarvan verheffen zich abrupt. De voorste rand is breed en bovenop licht uitgehold, lager liggend dan zowel de meer naar achteren gelegen rand als de scherpe overgangslijn met de inspringing. Vermoedelijk stak van hieruit de kam bol naar voren. Op deze positie vormen de bovenste delen van de praemaxillae intern, aan hun onderzijden, de holle achterkant van een luchtkamer. Op de middenlijn daarvan bevindt zich een opstaande richel met aan weerszijden een aderkanaal. Iets lager hebben de praemaxillae een dikke zijwaartse plooi die de opgaande tak van het neusbeen iets overlapt en daaraan verbonden een vijfenvijftig graden als een haak naar binnen buigend naar voren aflopend peddelvormig uitsteeksel. De onderzijde ervan is iets hol en glad. Beide haakvormige uitsteeksels omvatten een middenruimte die naar onderen overgaat in een kleinere luchtkamer met op de achterrand weer een middenrichel. thumb|Een ronde kam levert een heel ander profiel op Het prefrontale is uniek binnen de Hadrosauridae doordat de normale voorste tak in belangrijke mate omhoog steekt. Het zo gevormde verticale uitsteeksel draait naar het midden toe om zijn lengteas zodanig dat de normale bovenkant naar buiten gericht wordt. Het uitsteeksel is overdwars platgedrukt en de nauwe bovenrand is ingekeept door korte dwarsgroeven. De structuur ondersteunt de achterste basis van het neusbeen. Een tweede uniek kenmerk van het prefrontale bestaat uit een dunne opstaande rand die van de voorkant van de tak naar het traanbeen omhoog loopt naar de basis van het verticale uitsteeksel. De naar iets achteren gerichte bovenzijde van deze rand is hol en glad en loopt naar boven en binnen over in het oppervlak van de basis van het uitsteeksel. De binnenkant van het prefrontale vormt het raakvlak met het voorhoofdsbeen en is diep ingekeept. Zowel de verticale tak als het hoofdlichaam van het prefrontale zijn aan de onderzijde uitgehold door diepe groeven die in de lengterichting van de schedel lopen. Naar achteren loopt het hoofdlichaam uit in een diepe tak naar het postorbitale.