thumb|Geert Wilders (2014) thumb|Leader Het proces Wilders, de ingreep van hoger hand met enkele fragmenten van betrokkenen, omroep Human (2011) De zaak-Geert Wilders was een strafproces gevoerd in 2010 en 2011 tegen het Nederlandse Tweede Kamerlid Geert Wilders, die werd verdacht van groepsbelediging, haatzaaien en aanzetten tot discriminatie, waarvan het vonnis volledige vrijspraak was. In 2016 volgde een tweede zaak tegen Wilders.

Aanleiding Uitspraken in de pers De aanleiding tot het proces was een artikel van Geert Wilders in de Volkskrant van 8 augustus 2007, waarin Wilders de islam als een fascistische ideologie omschreef en aangaf de Koran te willen verbieden. Daarop werd door diverse mensen aangifte gedaan.

Fitna

In maart 2008 kwam de film Fitna uit. Diverse boude uitspraken van Wilders in de film Fitna en de publiciteit daaromheen werden hem niet door iedereen in dank afgenomen. Aanleiding tot opwinding waren met name zijn uitspraken "De kern van het probleem is de fascistische islam, de zieke ideologie van Mohammed zoals neergelegd in de islamitische Mein Kampf: de Koran" en "Den Haag zit vol met laffe lieden (...) die een generaal pardon verlenen aan leugenaars en criminelen."

Openbaar Ministerie beslist niet te vervolgen Het OM besloot eind juni 2008 Wilders niet strafrechtelijk te vervolgen voor uitspraken die hij in 2006 en 2007 deed in dagblad de Volkskrant, in zijn film Fitna en in een column op het internet. Het OM vond een aantal van de uitspraken over moslims "wellicht kwetsend, grof of ongenuanceerd, maar geen strafbare belediging". Justitie zou tientallen aangiften hebben gekregen naar aanleiding van de uitspraken. Mede op advies van het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie, een speciale anti-discriminatie-afdeling van het parket, besloot het OM na lang beraad deze zaken te seponeren, dat wil zeggen aan de betreffende aangiften géén strafvorderlijk gevolg te geven.

Hoofdofficier van justitie Leo de Wit meende dat Wilders zich niet schuldig zou kunnen hebben gemaakt aan aanzetten tot haat of discriminatie, omdat hij zijn uitlatingen deed "in de context van het maatschappelijk debat". Juist in de politieke arena zouden de grenzen van de vrije meningsuiting zeer ruim zijn: bij de afweging gaf uiteindelijk de doorslag dat Wilders een vooraanstaande rol zou hebben in het politiek-maatschappelijke debat en zich derhalve meer zou kunnen permitteren dan anderen.

Procedure bij Gerechtshof Amsterdam In juli en augustus 2008 wendden zich diverse personen en organisaties middels verzoekschriften tot het Gerechtshof Amsterdam, om te bewerkstelligen dat Wilders desalniettemin alsnog strafrechtelijk zou worden vervolgd, zodat de rechter zich hierover zou kunnen uitspreken: acht aangevers, onder wie advocate en PvdA-lid Els Lucas, advocaat Haroon Raza en de bekende strafpleiter Gerard Spong, alsook iemand van de antiracisme-organisatie Nederland Bekent Kleur, spanden een artikel 12 Sv-procedure aan.Blijkens de beschikking van het Hof Amsterdam 21 januari 2009, zijn acht verzoekschriften in behandeling genomen, die zijn ontvangen op 22 juli 2008 (klagers 1), 23 september 2008 (klagers 2), 2 juli 2008 (klager 3), 19 november 2008 (klager 4), 24 juli 2008 (klager 5), 13 augustus 2008 (klager 6), 13 augustus 2008 (klager 7) en 29 augustus 2008 (klager 8).

Laatstgenoemde organisatie had justitie gewezen op 78 mogelijke strafbare uitspraken van Wilders en andere PVV'ers.

De klagers wensten strafvervolging van Wilders ter zake meerdere strafbare feiten. Al die strafbare feiten zouden verband houden met door hem gedane uitlatingen in de schrijvende pers en (onderdelen van) de film Fitna. Het betrof de volgende delicten: belediging (art. 266 Sr); smaad c.q. laster (artt. 261 en 262 Sr); groepsbelediging (art. 137c Sr); aanzetten tot haat (art. 137d Sr); openbaar maken van discriminatoire/haatzaaiende uitlatingen (art. 137e Sr); smalende godslastering (art. 147 Sr); auteursrechtelijke inbreuken (art. 31 en 31a Aw).

Op 10 december 2008 werd over de verzoekschriften een hoorzitting gehouden achter gesloten deuren."Klagers willen dat justitie alsnog Wilders vervolgt", NRC Handelsblad, 28 juli 2008, pag. 3"Verzoeken om Geert Wilders toch te vervolgen", Algemeen Dagblad, 29 juli 2008, pag. 5

Inmiddels was er ook een rapport van Monitor Racisme & Extremisme verschenen, waarin het gedachtegoed van Wilders en de PVV als "extreem-rechts" werd gebrandmerkt. In dat rapport werd uitgebreid ingegaan op de eventuele strafbaarheid van Wilders' uitspraken en het liet zich lezen als een eenduidig pleidooi om de PVV-leider te vervolgen. Ook politici zijn strafbaar als zij hun idealen op een discriminerende manier verwoorden, stelden de onderzoekers. Daarbij wezen ze op enkele eerdere veroordelingen van extreem-rechtse politici. Verder vonden zij dat de grote maatschappelijke commotie rond Wilders' uitspraken, en het hoge aantal aangiftes tegen hem, ook redenen zouden zijn om zijn uitlatingen aan de strafrechter voor te leggen "Onderzoek lijkt vooral oproep tot vervolging politicus", in dagblad Trouw, 11 december 2008, pag. 2-3

Beslissing van het Hof om op te dragen tot vervolging

Op 21 januari 2009 oordeelde het hof, in zijn de drieëndertig pagina's tellende beschikking,Hof Amsterdam 21 januari 2009, , NJ 2009/191 ( Y. Buruma). dat er voldoende aanwijzingen van een redelijke verdenking (in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering) waren, dat Wilders zich schuldig had gemaakt aan groepsbelediging en haatzaaien.Hof Amsterdam 21 januari 2009, , 12. Het hof besliste dat het Openbaar Ministerie Geert Wilders diende te vervolgen voor deze twee feiten.Hof Amsterdam 21 januari 2009, , 14.

Verslag van de advocaat-generaal In zijn verslag aan het gerechtshof hanteerde de advocaat-generaal als uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie niet in een kansloze zaak dient te vervolgen, alleen maar om een publieke vrijspraak te bewerkstelligen. "Rechtsontwikkeling kan een motief voor vervolging zijn (mits met redelijke kans op succes), publieke vrijspraak niet."Hof Amsterdam 21 januari 2009, , 6. Voor een veroordeling voor groepsbelediging moeten volgens de advocaat-generaal drie stappen gezet worden. Allereerst moet de uitspraak zelf beledigend zijn voor een groep mensen wegens op grond van hun specifieke kenmerken, daarnaast wordt gekeken naar de context en tot slot speelt mee of de uitlating onnodig grievend is. Op basis van deze stappen overweegt de advocaat-generaal dat de uitlatingen van Geert Wilders niet aan al deze criteria voldoen. Sommige hebben geen betrekking op een groep gelovigen, maar slechts op het geloof zelf. Andere uitspraken zijn gedaan binnen de context van het maatschappelijk debat. Ook is volgens de advocaat-generaal geen enkele uitspraak onnodig grievend. Bij de film Fitna, oordeelt de advocaat-generaal dat deze de rand van het geoorloofde nadert, maar voor strafvervolging dient deze rand duidelijk overschreden te zijn.Hof Amsterdam 21 januari 2009, , 6.1

Voor aanzetten tot haat gebruikt de advocaat-generaal een ander toetsingskader. Allereerst dient de uitlating zelf aan te zetten tot haat. Daarvan kan sprake zijn indien een 'intrinsiek conflictueuze tweedeling' tussen groepen in de samenleving wordt geschetst. Bij een politiek boodschap mag een zekere felheid en ongenuanceerdheid gebruikt worden, maar men mag niet opzettelijk haat opwekken door de manier van waarop de uitlating wordt gedaan. Daarnaast spelen de aard/vorm van, samenhang tussen en de wijze waarop de uitlatingen zijn gedaan een rol. Tot slot dient er volgens de advocaat-generaal sprake te zijn van een opruiend element.Hof Amsterdam 21 januari 2009, , 6.2 De advocaat-generaal komt tot de conclusie dat er bij een deel van de uitlatingen geen sprake is van 'aanzetten tot'. "De gebruikte bewoordingen zijn er niet op gericht anderen te bewegen tot discriminatie en/of geweld, dan wel gevoelens van haat op te roepen .... Evenmin wordt er een intrinsiek conflictueuze tweedeling geschetst". Bij andere uitspraken is er weliswaar sprake van een tweedeling, maar kan deze niet leiden tot conflicten. Uitspraken waarbij wel een conflictueuze tweedeling wordt geschetst vallen volgens de advocaat-generaal onder een politieke boodschap waarbij "een zekere felheid en ongenuanceerdheid voor lief moet worden genomen". Bij de film Fitna is de advocaat-generaal van mening dat de uitlatingen als kritiek op de religie dienen te worden opgevat.

Om deze redenen concludeerde de advocaat-generaal tot ongegrondverklaring van de klachten.Hof Amsterdam 21 januari 2009, , 6.3

Beschikking van het hof Voor de daadwerkelijke beoordeling moest het hof ingaan op de vraag of de klagers wel ontvankelijk waren in hun klachten. De verdediging had namelijk betoogd dat zij geen persoonlijk en objectief belang hadden bij hun klacht. Het hof oordeelde dat de klacht van klagers gericht diende te zijn op 'vervolging van een strafbaar feit dat de klager persoonlijk heeft geraakt, materieel of immaterieel, als gevolg waarvan hij wordt benadeeld indien vervolging uitblijft.'Hof Amsterdam 21 januari 2009, , 7. Als maatstraf gebruikte het hof 'de vrees voor maatschappelijke onrust die kan ontstaan wanneer het functioneren van de democratische rechtsorde door wanorde daadwerkelijk wordt verstoord.' Volgens het hof hebben, vanuit dat perspectief gezien, alle burgers een concreet belang bij voorkoming van zulke wanordelijkheden. Aangezien de klagers zich met name richtten tegen delicten tegen de openbare orde (namelijk groepsbelediging en aanzetten tot haat) waren de klagers ontvankelijk. Wel werd één klager niet-ontvankelijk verklaard voor zijn klacht over schending van de Auteurswet.

Beoordeling van het hof In zijn beschikking benadrukte het hof dat zich in deze zaak het klassieke probleem van botsing van grondrechten voordeed. Onder andere, het recht van vrije meningsuiting, het recht om niet op godsdienstig gebied te worden gediscrimineerd en het recht van de vrijheid van godsdienst. Het hof benadrukte dat er in beginsel geen onderlinge rangorde bestaat tussen de grondrechten. In zijn beoordeling ging het hof allereerst in op de vraag of de uitingen van Wilders naar Nederlands recht strafbaar waren, daarna beoordeelde het of strafvervolging toelaatbaar was in het licht van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Tot slot behandelde het hof de vraag of vervolging ook opportuun was.Hof Amsterdam 21 januari 2009, , 10. Het hof besloot om alleen de haalbaarheid van de strafvordering met betrekking tot groepsbelediging en het aanzetten tot haat en discriminatie te beoordelen, onder andere omdat de overige delicten hier ook reeds in verdisconteerd zouden zijn.Hof Amsterdam 21 januari 2009, , 12.1.1.

Strafbaarheid naar Nederlands recht