Het Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflictAfgekort als Cultuurgoederenverdrag. (Convention for the Protection of Cultural Property in the Event of Armed Conflict) is een verdrag dat op 14 mei 1954 in Den Haag werd gesloten. UNESCO Het doel van dit verdrag is de cultuurbescherming tijdens gewapende conflicten waar het de culturele erfgoederen moet beschermen tegen bijvoorbeeld beschadiging, plundering en wederrechtelijke inbeslagname. Dit kan betrekking hebben op zowel onroerende als roerende goederen die een prominente plaats innemen in het cultureel erfgoed van een volk. Voorbeelden van roerende zaken zijn schilderijen, beelden, archeologische vondsten, boeken en manuscripten. Bij onroerende goederen betreft het onder meer gebouwen en landschappen met een grote culturele waarde. Ook locaties die het collectieve geheugen en bewustzijn van de cultuur proberen te bevorderen of te behouden vallen onder dit verdrag.

In 1954 is het verdrag in twee keer met bijbehorende presentaties vastgesteld. In 1999 volgde een derde, afgesloten gedeelte. Alle drie de gedeelten maken onderdeel uit van het internationaal humanitair recht. De VN-organisatie UNESCO houdt de Werelderfgoedlijst bij en heeft als hoofdtaken onder andere de bescherming van het werelderfgoed te bevorderen in oorlogstijd en het bevorderen van bescherming met maatregelen en middelen ten tijde van vrede. Aan deze Conventie hebben anno 2013 126 verdragsstaten zichzelf verbonden. In totaal erkent UNESCO 981 werelderfgoederen waarvan 759 cultuurerfgoederen, 193 natuurerfgoederen en 29 zogenaamde gemengde erfgoederen. In Nederland betreft dit negen erfgoederen waarvan één natuurerfgoed dat gedeeld wordt met Duitsland en Denemarken.Deense deel Waddenzee op Werelderfgoedlijst NU.nl, 23 juni 2014. Gearchiveerd op 10 november 2022. In België erkent UNESCO elf cultuurerfgoederen.

De achterliggende idee en motivatie voor het verdrag wordt geformuleerd in de preambule die de volgende stellingname bevat:

Geschiedenis en totstandkoming Voorgeschiedenis (1899 en 1954) Nadat een eerdere, soortgelijke conventie was overeengekomen in 1899 was er in 1907 sprake van een vernieuwde conventie. The Laws of Armed Conflicts: A Collection of Conventions, Resolutions, and Other Documents. 3e herziene uitgave. Sijthoff & Noordhoff International Publishers, Alphen aan den Rijn 1988, p. 69–93, Deze bood bescherming tegen cultuur- en natuurerfgoed en religieuze gebouwen en zowel tegen roerende als onroerende goederen. Een zogenaamd clausula si omnesClausule waarin staat dat alle betrokken conflicterende partijen de conventie moeten erkennen om hem geldig te laten zijn bepaalde echter dat het verdrag niet van kracht was als in een gewapend conflict niet alle strijdende partijen de overeenkomst geratificeerd hadden. Het effect van de Haagse conventies tijdens de Eerste Wereldoorlog was zodoende erg mager.

Nikolaj Rjorich, jurist, schrijver en schilder van Russische komaf, startte met het idee tot een nieuwe conventie te komen nadat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog en de Oktoberrevolutie de vernietiging van cultuurgoederen zelf van dichtbij had meegemaakt. Vanaf 1904 had het Russisch Gezelschap voor Architecten voorstellen voorbereid. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog had hij deze al gepoogd onder de aandacht te krijgen van de Russische tsaar Nicolaas II. Ook Georges Chklaver van de universiteit in Parijs had zulke aanbevelingen opgesteld, op verzoek van Rjorich. Dit ontwerp uit 1929 werd voorgelegd aan en besproken door de Volkerenbond, Conferentie van Brugge en in 1933 in Washington D.C.. In 1933 nam de Pan-Amerikaanse Unie het verdrag aan. Hiertoe hoorden bijna alle landen op het Amerikaans continent en door de ratificering van het verdrag werden tien staten lid van de Unie.

thumb|left|Het embleem van het Roerich-pact: de Banner of Peace De leden van de Pan-Amerikaanse Unie stelden dat de neutraliteit van kunst en cultuur vergelijkbaar moest zijn met die van hulpverlenend personeel en ziekenhuizen ten tijde van oorlog. De leden werden geacht een lijst te maken van objecten, landschappen en instellingen en cultureel erfgoed in eigen land, waarvan zij wilden dat ze deze status zouden krijgen en die zij met elkaar zouden delen via de Unie. Voor deze zaken werd een embleem ontworpen, de Banner of Peace (Vredesvlag) waarbij de drie rode bollen staan voor cultuur, religie en mensheid en de cirkel eromheen voor verbintenis. Naar analogie van de Geneefse Conventies wordt de Banner of Peace ook wel (inofficieel) het "Rode Kruis van de Vrede" genoemd. Heden ten dage kan het teken eveneens het teken van de Haagse conventie van 1954 vervangen, omdat deze organisaties geen eenheid vormen en onafhankelijk van elkaar voortbestaan.

Het Rjorich-pact heeft zich altijd beperkt tot Amerika. In latere stadia sloten vrijwel alle landen op dit continent zich aan bij de Pan-Amerkikaanse Unie, maar daarbij bleef de jurisdictie beperkt. Momenteel hebben alleen de Verenigde Staten de Haagse conventie niet ondertekend, terwijl zij wel het Rjorich-pact hebben geratificeerd. Zodoende heeft het pact praktisch gezien niet geleid tot cultuurbescherming, hoewel de ontstaansgeschiedenis los van de praktische gevolgen wel aanleiding kon zijn tot de ontwikkeling van de huidige, zeer uitgebreide en mondiaal erkende Haagse conventie.

De Haagse conventie (1954 en 1999) thumb|De ruïne van de kathedraal te Coventry na het bombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog

De Nederlandse regering kwam in 1939, vier jaar na het sluiten van het Rjorich-pact, met een ontwerp voor wat later de huidige Haagse conventie kon worden. In september van dat jaar brak echter de Tweede Wereldoorlog uit. In 1948 ondernam de Nederlandse regering het initiatief om met UNESCO, in 1945 opgericht, een nieuw verdrag op te stellen. Tussen 21 april en 14 mei 1954 vond daarop een conferentie plaats waarbij 56 verdragsstaten de Haagse conventie voor de bescherming van cultuurgoederen bij gewapende conflicten aannamen. The Laws of Armed Conflicts: A Collection of Conventions, Resolutions, and other Documents. 3e herziene uitgave. Sijthoff & Noordhoff International Publishers, Alphen aan den Rijn 1988, p. 747–768, Na in 1956 officieel in werking te zijn getreden was dit in het internationaal recht het tweede verdrag binnen het humanitair volkerenrecht.

Het nieuwe verdrag bevatte een exacte en uitvoerige beschrijving van cultuurgoederen. Tevens bevatte het in tegenstelling tot eerdere verdragen ook maatregelen die gedurende vredestijd de verdragspartijen verplichtte het erfgoed te onderhouden. Bergingsplaatsen, musea, en dergelijke, vielen tevens onder het verdrag. Vergelijkbaar met het Rjorich-pact kwam er een herkenningssymbool voor cultuurerfgoederen. Er is een register opgenomen als onderdeel van het verdrag voor erfgoederen met een bijzondere beschermingsstatus en een van de artikelen beschermt cultuurgoederen tegen interne gewapende conflicten.

Een van de onderdelen van het verdrag verbiedt strijdende partijen cultuurgoederen te ontvreemden en het regelt de teruggave van wederrechtelijk ontvreemde goederen. The Laws of Armed Conflicts: A Collection of Conventions, Resolutions, and Other Documents. 3e herziene uitgave. Sijthoff & Noordhoff International Publishers, Alphen aan den Rijn 1988, p. 777–780, Deze regelingen zijn vanwege de eerdere ervaringen hieromtrent en de bijkomende gevoeligheden niet verregaand concreet uitgewerkt. Bij het ontstaan van de conventie was hiertegen dan ook al enig verzet van een gedeelte van de verdragsstaten.

Het tweede protocol (1999) thumb|Vaticaanstad, met de hoogste beschermingsstatus sinds 1954

Bij het tot stand komen van de De Haagse conventie was de Tweede Wereldoorlog op de achtergrond nadrukkelijk aanwezig. In de jaren nadien veranderde er veel in de oorlogvoering: de wijze van oorlogvoering, de technieken en de nieuwe wapens, de mate van vernietiging, de langdurigheid van conflicten en etnische achtergronden als oorzaak van conflicten. Beschadiging van cultureel erfgoed was bovendien soms een hoofddoel van een gewapend conflict, als de etnische of culturele verschillen tussen partijen de grondslag van het conflict vormden. Protect cultural property in the event of armed conflict. UNESCO-informatiepakket, mei 2004

Vanuit deze ervaringen bleek de noodzaak om de bescherming van cultureel erfgoed verder uit te breiden. In artikel 53 van het Eerste Aanvullend Protocol bij de Conventies van Genève, staat dat het niet is toegestaan enig cultureel object in een gewapend conflict te betrekken als dit gezien het verloop van het conflict niet puur noodzakelijk is en alternatieven niet geheel ontbreken. Daarbij ging het om landschappen, kunstobjecten en religieuze objecten. Het gebruik van gebouwen met een hieraan verbonden bestemming voor militaire doeleinden was eveneens verboden in het artikel. Tot 1977 was de volledige opname van deze beschermende maatregelen echter niet integraal opgenomen in het volkerenrecht. In 1999 volgde het Tweede Protocol voor de Haagse Conventie, dat hierin verandering moest brengen. Een conferentie die plaatsvond van 15 tot 26 maart moest dit bewerkstelligen.Second Protocol to the Hague Convention of 1954 for the Protection of Cultural Property in the Event of Armed Conflict. UNESCO-document HC/1999/7 Vijf jaar later trad dit tweede protocol in werking. Met in totaal 47 artikelen betrof dit een veel uitgebreider protocol dan de aanzet in 1954. De strakke herformulering van bijvoorbeeld „dwingende militaire noodzaak” verleende het nieuwe protocol ook een afgebakend en duidelijker kader; het leende zich minder voor interpretatieverschillen.

Het protocol van 1999 verplicht de verdragsstaten de cultuurgoederen te respecteren tijdens zowel internationale gewapende conflicten als interne conflicten. Naast de opslagruimten in Nederland, Duitsland, Oostenrijk en het cultureel landschap van Vaticaanstad zijn per 1999 nieuwe locaties opgenomen. The Protection of Cultural Property in Armed Conflict. Cambridge University Press, Cambridge 2006, , p 140–141; de Oostenrijkse opslagruimte en drie Nederlandse opslagruimten zijn sindsdien weer van de lijst verwijderd. Ook zijn er vijf delicten opgenomen die als oorlogsmisdrijf gelden. UNESCO divisie cultureel erfgoed: International Register of Cultural Property under Special Protection. Convention for the Protection of Cultural Property in the Event of Armed Conflict (The Hague Convention, 1954) UNESCO-document CLT-97/WS/12, Parijs 1997 Report on the Implementation of the 1954 Hague Convention for the Protection of Cultural Property in the Event of Armed Conflict and its two 1954 and 1999 Protocols. Report on the Activities from 1995 to 2004 UNESCO-Document CLT-2005/WS/6, Parijs 2005

De definities van erfgoederen en andere bepalingen Haagse conventie van 1954 Vanaf 1954 waren drie vormen cultureel erfgoed gedefinieerd. Het ging hier om onroerend goederen en roerende zaken. Onder onroerend goed verstaat men gebouwen, waaronder woningen en godshuizen. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld kunstvoorwerpen, zoals schilderijen. Als onroerende goederen worden ook landschappen met grote culturele waarde gezien, zoals thans de Waddenzee en het Barrièrerif van Belize.Haagse conventie van 1954: Hoofdstuk 1

Een derde categorie bevat gecultiveerd landschap, bestaande uit gebouwen, complexen, opslagplaatsen et cetera, van grotere omvang en grote culturele waarde. Deze verzamelingen vormen op zichzelf een eenheid uit afzonderlijke culturele objecten. Een voorbeeld van dit type cultureel erfgoed is Vaticaanstad.