Rerum Novarum is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 15 mei 1891, over de sociale kwestie en in het bijzonder over de verhouding tussen kapitaal en arbeid. De titel is ontleend aan de Latijnse openingswoorden rerum novarum, doorgaans weergegeven als "over de nieuwe dingen". De encycliek was gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere kerkelijke ordinarissen die in gemeenschap stonden met de Heilige Stoel.Leo XIII, Rerum Novarum, encycliek, 15 mei 1891, aanhef en nrs. 1–3.
De encycliek verscheen tegen de achtergrond van de industriële revolutie, de groei van de loonarbeid en de daarmee verbonden negentiende-eeuwse sociale kwestie. Leo XIII beschreef de armoede en kwetsbare positie van grote groepen arbeiders, bekritiseerde uitbuiting, de concentratie van economische macht en wat hij aanduidde als ongebreidelde concurrentie. Tegelijk verwierp hij socialistische voorstellen om particulier eigendom door gemeenschappelijk of staatseigendom te vervangen.Leo XIII, Rerum Novarum, nrs. 3–15.Joseph Boyle, "Rerum novarum (1891)", in Catholic Social Teaching: A Volume of Scholarly Essays, Cambridge University Press, 2019, p. 69–89, doi:10.1017/9781108630238.004.
Rerum Novarum verdedigde het recht op privé-eigendom, maar verbond bezit aan sociale en morele verplichtingen. De encycliek bepleitte onder meer een loon dat voldoende moest zijn voor het levensonderhoud, redelijke arbeids- en rusttijden, bescherming van kinderen en andere kwetsbare werknemers, en het recht van arbeiders om zich in verenigingen te organiseren. Ook kende zij de overheid een verantwoordelijkheid toe voor het algemeen welzijn en voor de bescherming van groepen die zichzelf onvoldoende konden beschermen.Leo XIII, Rerum Novarum, nrs. 40–47.Leo XIII, Rerum Novarum, nrs. 31–40.Leo XIII, Rerum Novarum, nrs. 48–60.
In de geschiedschrijving en theologische literatuur wordt Rerum Novarum vaak als een beginpunt van de moderne katholieke sociale leer beschouwd. Het katholieke denken over armoede, arbeid, eigendom en maatschappelijke ordening begon echter niet met de encycliek; er bestonden oudere theologische tradities en negentiende-eeuwse katholieke sociale bewegingen waarop het document voortbouwde.David Matzko McCarthy, "Catholic Social Teaching", in The Oxford Handbook of Catholic Theology, Oxford University Press, 2015, p. 443–456, doi:10.1093/oxfordhb/9780199566273.013.39.Paul Misner, "The Predecessors of Rerum Novarum Within Catholicism", Review of Social Economy, jrg. 49, nr. 4, 1991, p. 444–464, doi:10.1080/00346769100000039.
Historische context
In de loop van de negentiende eeuw veranderde de industrialisering de organisatie van arbeid en productie in grote delen van Europa. De uitbreiding van fabrieksarbeid en loonarbeid ging in verschillende gebieden gepaard met armoede, lange werkdagen, beperkte sociale bescherming en conflicten tussen werkgevers en werknemers. Tegelijk namen socialistische en arbeidersbewegingen in betekenis toe. Binnen het katholicisme ontstonden eveneens organisaties en denkrichtingen die zich met de sociale gevolgen van industrialisering bezighielden.
Leo XIII omschreef deze situatie aan het begin van de encycliek als een ingrijpende verandering van de economische verhoudingen. Hij wees op de groei van industriële bedrijvigheid, veranderde betrekkingen tussen werkgevers en arbeiders, grote vermogensverschillen en de kwetsbaarheid van arbeiders die volgens hem onvoldoende door traditionele organisaties werden beschermd. Zijn antwoord richtte zich zowel tegen misstanden in de bestaande economische orde als tegen socialistische oplossingen die het privé-eigendom wilden afschaffen.
Rerum Novarum stond bovendien in een bredere katholieke intellectuele ontwikkeling. Historisch onderzoek heeft gewezen op de invloed van negentiende-eeuws sociaal-katholiek denken en op de hernieuwde belangstelling voor de filosofie van Thomas van Aquino. Bij de voorbereiding van de encycliek waren verschillende kerkelijke intellectuelen betrokken. De jezuïet Matteo Liberatore maakte in 1890 een eerste ontwerp; ook de dominicaan en kardinaal Tommaso Maria Zigliara speelde een rol in de verdere redactie.Philippe Boutry, "L'encyclique Rerum novarum et le climat intellectuel des années quarante du XIXe siècle", in « Rerum novarum ». Écriture, contenu et réception d'une encyclique, Rome: École française de Rome, 1997, p. 69–89.Winfried Becker, "Die Enzyklika Rerum novarum und die Sozialpolitik des deutschen Katholizismus", in « Rerum novarum ». Écriture, contenu et réception d'une encyclique, Rome: École française de Rome, 1997, p. 389–409.
Inhoud
Privé-eigendom en socialisme
Een belangrijk deel van de encycliek is gewijd aan de verdediging van particulier eigendom. Leo XIII keerde zich tegen socialistische voorstellen waarbij individueel bezit zou worden overgedragen aan de gemeenschap of de staat. Hij baseerde het eigendomsrecht op het natuurrecht en verbond het met de menselijke rede, arbeid en het vermogen om voor de toekomst en voor het gezin te zorgen.
Dat eigendomsrecht was in de encycliek niet gelijk aan een onbeperkt recht om bezit zonder maatschappelijke verplichtingen te gebruiken. Leo XIII maakte, onder verwijzing naar Thomas van Aquino, onderscheid tussen het recht om goederen te bezitten en het moreel juiste gebruik ervan. Wie meer bezat dan voor zichzelf en zijn huishouden nodig was, had volgens de encycliek verplichtingen tegenover behoeftigen. In uitzonderlijke noodsituaties kon deze verplichting volgens de tekst bovendien een kwestie van rechtvaardigheid worden.Leo XIII, Rerum Novarum, nrs. 22–24.
De overheid mocht volgens Leo XIII het gebruik van eigendom in het belang van het algemeen welzijn reguleren, maar het eigendom niet volledig in zich opnemen.Leo XIII, Rerum Novarum, nrs. 46–47. Daardoor combineert de encycliek een krachtige verdediging van privé-eigendom met sociale verplichtingen die aan bezit worden verbonden.
Verhouding tussen kapitaal en arbeid
Leo XIII verwierp het uitgangspunt dat werkgevers en arbeiders noodzakelijkerwijs vijandige maatschappelijke klassen zouden vormen. Kapitaal en arbeid waren volgens hem wederzijds afhankelijk en moesten hun betrekkingen ordenen volgens rechtvaardigheid en wederzijdse plichten.Leo XIII, Rerum Novarum, nrs. 17–20.
Aan arbeiders schreef de encycliek onder meer de verplichting toe overeengekomen arbeid naar behoren uit te voeren en geweld tegen personen en goederen te vermijden. Werkgevers mochten arbeiders daarentegen niet behandelen alsof zij uitsluitend productiemiddelen waren. Zij moesten volgens Leo XIII de menselijke waardigheid van werknemers eerbiedigen, hun niet meer arbeid opleggen dan hun krachten toelieten en hun een rechtvaardig loon betalen.
Deze benadering verschilde zowel van een leer van permanente klassenstrijd als van een opvatting waarin arbeidsverhoudingen uitsluitend als vrije private contracten werden beschouwd. Volgens Leo XIII stelde de rechtvaardigheid grenzen aan wat werkgever en werknemer rechtsgeldig met elkaar konden overeenkomen.Amy Daughton, "Rerum Novarum: Theological Reasoning for the Public Sphere?", Studies in Christian Ethics, jrg. 32, nr. 4, 2019, p. 513–526, doi:10.1177/0953946819869172.
Loon en arbeidsvoorwaarden
Bij de behandeling van het loon bestreed Leo XIII de opvatting dat iedere vrijwillig overeengekomen beloning daarom automatisch rechtvaardig was. Arbeid was volgens hem niet alleen een vrijwillige persoonlijke activiteit, maar tevens noodzakelijk om in het levensonderhoud te voorzien. Daarom bestond er volgens de encycliek een norm van natuurlijke rechtvaardigheid die voorafging aan het arbeidscontract: een loon mocht niet ontoereikend zijn om een werknemer in zijn noodzakelijke levensonderhoud te laten voorzien.Leo XIII, Rerum Novarum, nrs. 43–45.
In het daaropvolgende gedeelte stelde de encycliek dat het loon idealiter voldoende moest zijn om de werknemer, zijn echtgenote en kinderen te onderhouden en hem bovendien in staat te stellen iets te sparen.Leo XIII, Rerum Novarum, nr. 46. In de latere katholieke sociale leer en in wetenschappelijke literatuur over arbeidsethiek werd deze loonproblematiek verder ontwikkeld.Christine Firer Hinze, "Catholic Social Thought and Work Justice", Theological Studies, jrg. 77, nr. 1, 2016, p. 197–214, doi:10.1177/0040563915620785.
Ook arbeidsduur, gezondheid en rust vielen volgens de encycliek niet volledig onder de contractvrijheid. Leo XIII pleitte voor voldoende rust, hield rekening met de zwaarte en gezondheidseffecten van verschillende soorten werk en stelde dat kinderen niet te vroeg in fabrieken en werkplaatsen moesten worden ingezet. De zondagsrust kreeg daarbij tevens een uitdrukkelijk religieuze betekenis.
De tekst weerspiegelde tegelijk negentiende-eeuwse opvattingen over sekse en gezin. Leo XIII kende mannen en vrouwen verschillende maatschappelijke rollen toe en stelde dat huiselijk werk in het bijzonder bij de rol van vrouwen paste. Onderzoek naar de ontwikkeling van de katholieke sociale arbeidsethiek behandelt dergelijke opvattingen over betaalde en onbetaalde arbeid en gender als een historisch veranderend onderdeel van die traditie.
Arbeidersverenigingen
Een van de invloedrijkste onderdelen van Rerum Novarum betreft het recht van vereniging. Leo XIII beschouwde het aangaan van particuliere verenigingen als een natuurlijk recht. De overheid moest rechtmatige verenigingen daarom beschermen en mocht deze niet zonder voldoende reden verbieden of in hun interne organisatie ingrijpen.
De encycliek noemde arbeidersverenigingen van bijzonder belang. Zulke organisaties konden uitsluitend uit arbeiders bestaan of arbeiders en werkgevers samenbrengen. Ze konden onder meer ondersteuning bieden bij ziekte, ouderdom en werkloosheid, geschillen helpen oplossen en de materiële en morele belangen van leden behartigen.
Hoewel deze verenigingen niet in alle opzichten samenvallen met de moderne vakbond, werd deze erkenning van arbeidersorganisatie belangrijk voor de ontwikkeling van katholieke vakbewegingen en voor latere katholieke discussies over vakbondsrechten en arbeidsrechtvaardigheid.
Rol van de overheid
De encycliek wees zowel een allesomvattende staat als een staat die zich geheel van het sociale vraagstuk afzijdig hield af. De overheid moest volgens Leo XIII het algemeen welzijn dienen, rechtvaardigheid tussen maatschappelijke groepen bewaken en bijzondere aandacht besteden aan mensen die onvoldoende middelen hadden om hun eigen rechten te beschermen.
Overheidsingrijpen was volgens de encycliek gerechtvaardigd wanneer het algemeen belang of een bepaalde maatschappelijke groep ernstig werd geschaad en het probleem niet op een andere manier kon worden verholpen. De tekst noemde onder meer buitensporige arbeid, voor gezondheid schadelijke omstandigheden en arbeidsvoorwaarden die de menselijke waardigheid aantastten. Tegelijk stelde Leo XIII dat wettelijke interventie niet verder moest gaan dan noodzakelijk was om het concrete probleem te verhelpen.
Deze begrenzing van de staatsmacht en de nadruk op familie en vrijwillige maatschappelijke verenigingen worden in de latere katholieke sociale leer verbonden met het subsidiariteitsbeginsel. Het beginsel werd echter pas in 1931 in Quadragesimo Anno van paus Pius XI expliciet geformuleerd; het is daarom anachronistisch om subsidiariteit als zodanig aan Rerum Novarum toe te schrijven.Pius XI, Quadragesimo Anno, encycliek, 15 mei 1931, met name nrs. 79–80; Johannes XXIII, Mater et Magistra, encycliek, 15 mei 1961, nrs. 51–53.
Theologische en filosofische grondslag
Natuurrecht en thomisme