De roodoogmakikikker of roodvoetmakikikker (Agalychnis callidryas) is een kikker uit de familie Phyllomedusidae. De kikker werd lange tijd tot de familie boomkikkers gerekend, zodat in veel literatuur deze verouderde situatie wordt vermeld.

De roodoogmakikikker is een van de bekendste kikkers door de uitzonderlijk bonte kleuren en kleurpatronen. De kikker wordt veel afgebeeld op boekomslagen en is populair in de handel in exotische dieren. De roodoogmakikikker heeft een lichtgroene bovenzijde van de rug en kop en een witte buik. De ogen zijn helderrood, de tenen en vingers zijn oranje tot rood van kleur en de flanken en delen van de poten zijn blauw met gele strepen.

De roodoogmakikikker komt voor in delen van Midden-Amerika en leeft in tropische regenwouden. Het is een boombewoner die 's nachts actief is en zich overdag verstopt tussen de bladeren.

De kikker zet de eieren niet in het water af, maar plakt deze onder bladeren die boven het water hangen. Als de larven uit het ei kruipen vallen de kikkervisjes in het water waar ze zich verder ontwikkelen tot kleine kikkertjes.

De roodoogmakikikker leeft van insecten en andere kleine ongewervelden. Belangrijke vijanden zijn verschillende soorten vogels en reptielen zoals slangen.

Naamgeving en taxonomie De roodoogmakikikker wordt ook wel roodoogboomkikker of roodogige boomkikker genoemd. De kikker dankt het eerste deel van zijn Nederlandstalige naam aan de helderrode ogen, en het tweede deel aan het feit dat de soort tot de makikikkers behoort. Er zijn twee geslachten waarvan de vertegenwoordigers zo worden genoemd, naast de soorten uit het geslacht Agalychnis worden ook soorten uit het geslacht Phyllomedusa met makikikker aangeduid.

De wetenschappelijke naam Agalychnis callidryas wordt uitgesproken als aagalieg-nis kallie-drie'as. De wetenschappelijke soortnaam callidryas betekent vrij vertaald prachtige boomnimf; het Griekse 'kallos' betekent prachtig en 'dryas' betekent boomnimf.

De soort werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Edward Drinker Cope in 1862. Oorspronkelijk werd de naam Hyla callidryas gebruikt. Pas later werd de soort tot het geslacht Agalychnis gerekend. De kikker is ook beschreven als Phyllomedusa callidryas, maar dit is weer teruggedraaid.

Verspreiding en habitat thumb|260px|Verspreidingsgebied in het rood, alleen de landen waar de soort voorkomt zijn aangegeven en niet het exacte verspreidingsgebied. De roodoogmakikikker komt voor in zuidoostelijk Mexico via Honduras en het Caribische kust tot aan de Colombiaanse grens met Panama, inclusief Belize, Nicaragua, Costa Rica en Guatemala.

De roodoogmakikikker leeft in warme en vochtige tropisch regenwouden, met een luchtvochtigheid van boven de 50% en temperaturen rond de 25 graden en 's nachts rond de 20 graden. De soort wordt aangetroffen van laaglanden op zeeniveau tot een hoogte van ongeveer 1250 meter boven zeeniveau.

Er is enige tolerantie voor gebieden die door de mens zijn aangepast. Dit maakt de soort minder kwetsbaar dan kikkers die hier niet kunnen leven en verdwijnen als de leefomgeving verandert. De roodoogmakikikker kan voorkomen in secundaire bossen en ook in delen van het bos waar een deel van de bomen is weggekapt zijn geschikt. Er moeten altijd wateren in de buurt zijn waar de eieren kunnen worden afgezet. Gebieden waar alle bomen worden gekapt zijn niet langer geschikt als leefgebied.

De roodoogmakikikker wordt door de wereldwijd erkende natuurbeschermingsorganisatie IUCN beschouwd als veilig (LC of Least Concern) De soort wordt niet internationaal beschermd. In veel van de parken waar de kikker voorkomt wordt de soort lokaal echter vaak wel beschermd. In het CITES-verdrag staat de kikker vermeld op bijlage II, wat betekent dat voor ieder exemplaar dat wordt geëxporteerd een vergunning benodigd is.

Uiterlijke kenmerken thumb|260px|Deze afbeelding toont duidelijk de verschillende kleurvlakken van het lichaam. thumb|260px|De poten zijn lang en dun en hebben vergrote hechtschijven. Foto's van deze kikkers sieren vele boekomslagen vanwege de zeer sterk afstekende kleuren en patronen. Ook in de handel in exotische dieren is de soort gewild om de kleurenpracht, veel dieren zijn in gevangenschap bestudeerd waardoor veel over de kikker bekend is.

De roodoogmakikikker is een middelgrote soort die een lichaamslengte bereikt van ongeveer zeven centimeter. De vrouwtjes kunnen een lengte tot ongeveer 7,5 centimeter bereiken en de mannetjes blijven ongeveer een derde kleiner en worden tot 5 cm lang.

Het lichaam is verdeeld in verschillende kleurvlakken, de bovenzijde is heldergroen met enkele kleine witte vlekjes. De kleur van de rugzijde kan soms neigen naar blauwig tot geelgroen. De buikzijde is wit van kleur. De flanken hebben een blauwe kleur, met een gele omzoming en gele dwarsstrepen. De flanken zijn door de gele strepen verdeeld in blauwe vlakken. De blauwe kleur is meestal helder donkerblauw, maar kan ook lichter van kleur zijn.

De lichaamskleur kan veranderen naar donkergroen of juist naar een bruingroene kleur als gevolg van de gemoedstoestand van de kikker. Gestreste dieren zijn bijvoorbeeld altijd donkerder van kleur. De rugzijde heeft nooit een tekening zoals bij sommige andere makikikkers het geval is. Jonge makikikkers zijn bruin van kleur en worden pas groen als ze de volwassenheid hebben bereikt.

De kop is groen van kleur met kleine witte vlekjes aan de bovenzijde. De bek is breed, de randen rond de bek (de 'lippen') zijn geel van kleur, de keel is grijswit tot wit en niet gevlekt. Wat direct opvalt aan de kop zijn de helderrode ogen, die duidelijk uittorenen boven de kop. De ogen hebben een zwarte buitenrand, bij de roodoogmakikikker valt deze omzoming niet zo op vanwege de rode oogkleur. Bij veel andere makikikkers zijn de ogen lichtgeel gekleurd en is de zwarte omzoming veel prominenter. De ogen zijn relatief groot, net als bij andere nachtactieve kikkers het geval is. De pupil is verticaal en spleetvormig, ook dit is een aanpassing op de nachtactieve levenswijze. Als de kikker rust schuift een membraanachtig ooglid over het oog en is de rode kleur niet te zien.

De poten zijn geel gekleurd aan de binnenzijde, de bovenarmen- en benen van de poten zijn blauw van kleur, evenals de onderzijde van de onderarm- en been. De bovenzijde van de armen en benen is groen van kleur. De vingers en tenen zijn oranjerood tot rood van kleur. De roodoogmakikikker heeft relatief dunne poten, in tegenstelling tot de meeste verwante soorten ontbreken de vergrote zwemvliezen tussen de tenen. Veel in bomen levende kikkers gebruiken deze vliezen, die oorspronkelijk dienen om beter te zwemmen, als vergroot pootoppervlak zodat ze beter in bomen kunnen klimmen. De kikker is een uitstekende klimmer die sterk vergrote hechtschijven bezit. De vergrote hechtschijven ondersteunen niet alleen het vermogen om goed te klimmen, maar spelen ook een rol in de afzet van de eieren. Hierbij moet het vrouwtje, met het mannetje op haar rug, aan de onderzijde van een blad het legsel afzetten en het gehele wicht van het paartje dragen.

De vingers zijn lang en dun en erg beweeglijk zodat de kikker zich stevig vast kan houden. De duim is opponeerbaar, dit betekent dat de vingers zich om een tak kunnen krommen waarbij ze elkaar aanraken.

Onderscheid met andere soorten thumb|left|220px|De meeste makikikkers hebben gele, zwartomrande ogen, afgebeeld is Agalychnis lemur. De roodoogmakikikker is door zijn kleuren gemakkelijk van andere kikkers te onderscheiden. Een uitzondering vormen enkele andere makikikkers uit het geslacht Agalychnis waartoe de soort behoort. Voornamelijk de lichaamsbouw is sterk gelijkend, aan de hand van bepaalde kenmerken zijn de meeste geslachtsgenoten goed te onderscheiden.

Vooral de soort Agalychnis annae is te verwarren, deze soort heeft echter veel meer blauw aan de flanken en de tenen en vingers zijn eveneens blauw van kleur. Op de flanken zijn geen gele strepen aanwezig en de ogen zijn geel en nooit rood. Een aantal soorten is te herkennen aan de wrattige, ruwe huid wat bij de roodoogmakikikker nooit voorkomt, voorbeelden zijn de soorten Agalychnis buckleyi, Agalychnis granulosa, Agalychnis hulli en Agalychnis medinae.

Bij andere soorten ontbreekt de blauwe kleur geheel, zoals voorkomt bij Agalychnis aspera, Agalychnis buckleyi en Agalychnis psilopygion. Agalychnis saltator lijkt sterk op de roodoogmakikikker, maar heeft een duidelijke marmertekening op de rug. Vrijwel alle soorten uit het geslacht Agalychnis zijn te onderscheiden aan de ogen; de meeste soorten hebben een gele oogkleur die vaak sterk zwart omrand is. Agalychnis spurrelli heeft donkerrode ogen en Agalychnis dacnicolor heeft zwarte ogen met kleine witte vlekjes.

Voedsel en vijanden thumb|260px|Een rustend exemplaar toont geen felle kleuren. De roodoogmakikikker is een carnivoor en meer specifiek een insectivoor. Het voedsel bestaat uit allerlei kleine geleedpotigen, met name vliegende insecten als vliegen, motten en krekels. Soms worden ook wel kleine gewervelde dieren gegeten, zoals kleine kikkers. Jongere kikkertjes eten wat kleinere prooien dan de volwassen exemplaren. Tijdens het jagen bevindt het dier zich meestal hoog in bomen of struiken. De roodoogmakikikker kan worden aangetroffen tot een hoogte van 15 meter boven de bodem. De kikker kan als het moet ook uitstekend zwemmen. De soort is nachtactief en schuilt overdag als er gerust wordt aan de onderkant van een blad.

De meeste kikkers kennen een zeer goede camouflage, ze zijn meestal groen tot bruin van kleur. Sommige soorten hebben juist felle kleuren om vijanden te waarschuwen dat ze giftig zijn, zoals de pijlgifkikkers (Dendrobatidae). De roodoogmakikikker heeft beide eigenschappen. Als een kikker op een blad rust ziet het dier er uit als een onopvallende 'groene klodder' en is moeilijk te zien. De ogen zijn gesloten en de rode kleur is dan niet zichtbaar, omdat de poten zijdelings tegen het lichaam worden gehouden zijn ook de felgekleurde flanken niet zichtbaar. Als het dier wordt verstoord worden de poten bewogen en de ogen gaan open, waardoor plotseling de felle kleuren tevoorschijn komen. Dit kan een vijand enkele seconden doen twijfelen waardoor de kikker snel kan ontsnappen. Een dergelijk gebruik van de lichaamskleuren wordt wel een schrikkleur genoemd.

Niet alleen de kikkers maar ook hun eieren worden gegeten door verschillende dieren. Vijanden van de eieren kunnen wespen zijn, maar ook sommige slangen jagen op de eieren. De larven kunnen het ei voortijdig verlaten als ze worden aangevallen door slangen. Een voorbeeld van een slangensoort die de eieren van de kikker eet is de gladde slang Leptodeira septentrionalis. De larven zijn in staat om de vibraties van een etende slang te onderscheiden van andere omgevingsomstandigheden die trillingen veroorzaken, zoals een storm. De embryo's kunnen bij een aanval van een slang niet uit het ei sluipen als ze nog onderontwikkeld zijn. De embryo's blijven bij voorkeur nog enige dagen langer dan noodzakelijk in het ei omdat ze dan iets verder in hun ontwikkeling zijn. Hierdoor zijn ze minder kwetsbaar voor predatoren die in het water leven. Ze geven deze voorsprong op bij een aanval van een slang en verlaten binnen enkele minuten allemaal het ei om predatie te voorkomen. Bij een aanval van een slang komen alle larven tegelijkertijd tevoorschijn, omdat de slang het gehele legsel in één keer zal proberen op te eten. Bij een aanval van een veel kleinere wesp echter komen alleen de larven die zich in de buurt van het gepredeerde ei bevinden tevoorschijn.

Daarnaast eten de larven van bepaalde vliegen van de eieren en ook apen consumeren de eimassa's. De kikkervisjes worden gegeten door verschillende waterdieren, zoals insecten en de larven, vissen en kreeftachtigen. Ze kunnen ook ten prooi vallen aan spinnen. Vijanden van de volwassen kikkers zijn voornamelijk slangen en vogels, daarnaast vallen ze soms ten prooi aan vleermuizen.