Richard Edward Geoffrey (Geoffrey) Howe, Baron Howe van Aberavon (Port Talbot, Wales, 20 december 1926 – Idlicote, Engeland, 9 oktober 2015) was een Brits politicus van de Conservative Party. Howe was trots op zijn geboortestreek, maar leerde tot zijn latere spijt nooit de taal van Wales. Geoffrey Howe was een van de belangrijkste ministers in de Kabinetten Thatcher I, II, III. Howe en de langstzittende bewindspersoon in Thatcher-periode. Hij was opeenvolgend minister van Financiën, minister van Buitenlandse Zaken en tot slot Leader of the House of Commons, Lord President of the Council, First Secretary of State en vicepremier. Zijn ontslag op 1 november 1990 wordt algemeen gezien als de eerste stap in een reeks van gebeurtenissen die drie weken later tot de val van Thatcher zelf leidden. Howe had als minister van Financiën belangrijke monetaire hervormingen op zijn naam staan, maar zijn tragiek is geworden dat hij voornamelijk herdacht wordt als de Nemesis van Margaret Thatcher. Howe ging met zijn afscheidsspeech binnen het Britse Lagerhuis openlijk publiek de confrontatie aan met Thatcher waar het ideeëngoed over de Europese Gemeenschap betrof. In de Britse krant The Times werd hij na zijn dood herdacht als de man zonder wie Thatcher nooit haar politieke doelen had kunnen bereiken. Onder een andere Prime Minister had Howe waarschijnlijk meer publieke krediet voor zijn belangrijke hervormingen gekregen.
Geoffrey Howe was afkomstig uit de gegoede middenklasse. Zijn vader, Benjamin Edward Howe (1889-1958) was advocaat en coroner. Howe's moeder, Eliza Florence (Lili) Howe-Thompson (1894-1976) was een plaatselijke magistraat. Zijn ouders stelde zich strikt apolitiek op inzake lokale en nationale aangelegenheden. Pas nadat hun zoon Geoffrey politiek actief was geworden, werd binnen de familie in partijpolitieke zin over politiek gesproken.
Sociaal en intellectueel werd Geoffrey vooral gevormd door zijn scholing in Engeland: Winchester (een kostschool) en Trinity Hall, Cambridge University. Hij doorliep zijn militaire dienstplicht, maar ontdekte daar dat zijn hart bij de politiek lag. In Cambridge sloot hij zich aan bij de Cambridge University Conservative Association en vormde daar levenslange vriendschappen met latere Conservatieve politici, waaronder Douglas Hurd, die hem in 1990 zou opvolgen als Foreign Secretary, Minister van Buitenlandse Zaken.
Levensloop
Howe begon zijn carrière als advocaat. Hij probeerde al jong een parlementszetel te bemachtigen, maar was daarin niet altijd even succesvol. Uit politieke pamfletten, geschreven in de periode voor 1970, blijkt dat hij een van de vroege architecten was van het gedachtegoed dat als "thatcherisme" bekend is geworden.
Vroege carrière Binnen de Conservatieve partij, hoewel in de partij in oppositie was, werkte Howe mee aan twee belangrijke vormen van wetgeving. Als gevolg daarvan kreeg hij als junior minister een plaatsje in het Conservatieve kabinet geleid door Edward Heath (1970-1974). Na de val van Heath deed Howe een poging om Heath als Conservatief voorman op te volgen. In twee rondes verloor hij van Margaret Thatcher, maar werd wel benoemd tot Shadow Chancellor of the Exchequer. Het was het begin van vijftien jaar waarin zijn fortuinen sterk verbonden waren met die van Margaret Thatcher, zijn bondgenoot in tegen wil en dank met wie hij sterk van persoonlijkheid en politieke stijl verschilde.
Chancellor of the Exchequer (Minister van Financiën) Als "schaduw minister in politieke oppositie", ontwierp Howe diverse plannen die hij in de praktijk kon gaan brengen zodra Margaret Thatcher in 1979 de verkiezingen won. Howe werd onder haar premierschap Chancellor of the Exchequer, minister van Financiën. In zijn periode als Chancellor trachtte Howe de publieke uitgaven onder controle te krijgen in een periode van stijgende werkloosheid en industriële neergang. De politieke spanningen in met name de eerste twee beleidsjaren waren groot, zeker nadat gewelddadige rellen in Londen en andere steden waren uitgebroken die dagenlang zouden aanhouden. Thatcher reageerde hierop door wijzigingen in haar kabinet door te voeren. Diverse leden werden ontslagen en een paar ideologische bondgenoten kregen promotie. Howe bleef Chancellor, en kreeg de talentvolle Nigel Lawson als ondergeschikte. Uiteindelijk zou Howe nog 18 maanden blijven zitten. Dit was een minder dramatische periode omdat de Conservatieve fortuinen zich begonnen te herstellen nadat het economisch vertrouwen aan het toenemen was en Margaret Thatcher via de Falkland-oorlog zich een heldenrol wist aan te meten. Howe wist in de tweede helft van zijn termijn belastingverlagingen tot stand te brengen en speelde een belangrijke rol in internationale financiële discussies, zowel binnen Europa als binnen het Internationaal Monetaire Fonds (IMF). Gedurende deze periode begon hij serieus na te denken over deelname van het Verenigd Koninkrijk aan de ERM - de European Exchange Rate Mechanism, maar wachtte op het juiste moment tot deelname. Als gevolg van zijn inspanningen en prestaties wordt Howe gezien als een van de meest opmerkelijke naoorlogse Chancellors die het Verenigd Koninkrijk gehad heeft.
Herschikking kabinet In 1983 won Margaret Thatcher met een ruim mandaat de algemene verkiezingen. Zij ging over tot herschikking van haar kabinet. Howe werd benoemd tot Foreign Secretary. Nigel Lawson werd zijn opvolger als Chancellor of the Exchequer.
Tweespalt over de deelname aan de EMR Geoffrey Howe was in zijn periode als Foreign Secretary (minister van Buitenlandse Zaken) net als Nigel Lawson (zijn opvolger als Chancellor) een voorstander van deelname van Groot-Brittannië aan de EMR, het vaste wisselkoerssysteem binnen de toenmalige Europese Gemeenschap. In de praktijk betekende dit het schaduwen van de Duitse Mark. Thatcher was daar echter op tegen en werkte haar ministers tegen die anders over het onderwerp dachten. Howe en Lawson wilden een economische samenwerking zoals Nederland al sinds 1979 had met Duitsland: een vast systeem van wisselkoersen. Thatcher was echter tegen: zij wilde het Britse Pond niet de Duitse Mark laten schaduwen.
Mini-top overeenkomst met Nederlandse ministers Geoffrey Howe verzon een list: hij zocht naar een outsider die Thatcher op andere ideeën kon brengen. Ruud Lubbers, de Nederlandse minister-president, was daarvoor de kandidaat met de beste kaarten. Conservatief, intelligent, knap uiterlijk en vasthoudend zonder fanatiek te worden was hij een van de Europese staatslieden wiens gezelschap Thatcher (bijna) op prijs stelde. Ook had Lubbers in Howes visie de juiste pro-markt, Atlantische ideeën. Het leek een goed idee om een "mini-top", primair bedoeld ter voorbereiding op een NAVO-bijeenkomst, te organiseren en deze te combineren met ideeënuitwisseling over monetaire zaken. Op de achtergrond speelde het ideeëngoed van Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie. Delors koerste af op méér dan een vast systeem van wisselkoersen. Hij streefde naar een economische en monetaire unie met een Europese eenheidsmunt. In april 1989 bracht de Commissie-Delors een rapport uit: in drie fasen wilde de commissie de eenheidsmunt bewerkstelligen. Delors had ook een invoerdatum in gedachten: 1992. Dat betekende concreet dat tijdens Nederlands voorzitterschap in de tweede helft van 1991 een verdrag zou moeten worden gesloten om deze economische en monetaire unie, de EMU, vast te leggen.
Ook Nigel Lawson wist dat Thatcher een hoge dunk had van Ruud Lubbers. Lubbers was conservatief en voor zoverre Thatcher een bondgenoot had binnen de Europese Gemeenschap, dan was dat in de persoon van Lubbers. Zij voelde zich fysiek ook aangetrokken tot het knappe uiterlijk en de persoonlijke charme van Lubbers. Volgens Lawson had Thatcher onmiskenbaar een zwakke plek voor Lubbers, hoewel zijn politieke stijl sterk verschilde van haar confronterende wijze van opereren. Normaliter voerden de Britten alleen bilaterale overleggen met de Duitsers, Fransen en Italianen. Thatcher stemde in met het idee om Lubbers uit te nodigen voor een overleg op Chequers, het buitenverblijf van de Britse Prime Minister. Lubbers aanvaardde de uitnodiging. Hij liet zich vergezellen door Hans van den Broek, de minister van Buitenlandse Zaken, en Onno Ruding, de Nederlandse minister van Financiën. Thatcher liet zichzelf tijdens de bijeenkomst - gehouden op 29 april 1989 - flankeren door hun Britse evenknieën, Geoffrey Howe en Nigel Lawson. Het grootste deel van de sessie ging op aan besprekingen over de NAVO, maar uiteindelijk kwam ook het rapport-Delors aan bod. Helaas voor Thatcher werd door de Nederlandse ministers medegedeeld dat zij niet alleen een voorstander waren de ERM, maar ook van de beoogde economische en monetaire unie. Onno Ruding legde het Nederlandse standpunt in detail uit. Lubbers kwam daarna met een metafoor: je kunt in een auto rijden zonder veiligheidsgordel, maar het is verstandiger om dat wél te doen. Hij waarschuwde dat indien Groot-Brittannië buiten de ERM zou blijven, het voor zowel de Britse als de Nederlandse regering veel moeilijker zou worden om in de toekomst samen te werken in zaken samenhangend met de beoogde economische en monetaire unie. Tijdens de bijeenkomst bleef Thatcher zich continue onaangenaam gedragen. Lawson was blij dat hij op een gegeven ogenblik met een goed excuus kon wegkomen. Hij had naar eigen zeggen de bijeenkomst als afgrijselijk en beschamend ervaren.Nigel Lawson, The View from No. 11. Bantam Press, 1992, 1913-916. 'Meanwhile, Geoffrey Howe had come to the conclusion that if anyone could persuade Margaret of the merits of the ERM, it would be the Dutch Prime Minister, Ruud Lubbers. Lubbers was a Conservative and the closest thing to an ally Margaret had within the Community. She was also attracted to his rugged good looks and personal charm. Despite the sharp contrast between his relaxed and benign style and her own strident and confrontational one, she undoubtedly had a soft spot for him. Geoffrey had therefore been trying for some time to persuade Margaret to hold what he called a mini-summit with the Dutch.[...] Most of that session was taken up by Margaret berating the Dutch for not