Het Oergermaans of Protogermaans is een reconstructie van de taal die rond het begin van de jaartelling (de datering is grof) gesproken werd in Noord-West- en Midden-Europa. Het is de taal waarvan zich in later eeuwen onder meer het Oudnoords, het Oudsaksisch, het Oudengels, het Oudfries, het Oudhoogduits, het Oudfrankisch en vervolgens het Oudnederfrankisch en het Gotisch, en uiteindelijk het Noors, Nedersaksisch, Engels, Westerlauwers, Sater- en Noord-Fries en het Nederlands zich als dochtertalen ontwikkelden. Van het Oudnederfrankisch is het moderne Nederlands op zijn beurt weer een dochtertaal.
Het Oergermaans is een hypothese: een door geleerden gereconstrueerde taal (dus niet hetzelfde als een kunsttaal). Met het Oergermaans wordt beoogd een fase van het Oudgermaans weer te geven, waaruit het karakter van de Germaanse taal zoals zij er in oorsprong zou kunnen hebben uitgezien, moet blijken. Op grond van vergelijkingen met oude overgeleverde Germaanse talen - voornamelijk Gotisch en Oudengels, in mindere mate ook Oudnoords en Oudhoogduits - kunnen de Oergermaanse grammatica en het lexicon min of meer herleid worden.
Plaats en tijd rechts|245px|thumb|Het waarschijnlijke verspreidingsgebied van het Germaans tijdens de Bronstijd (1200 v.Chr.) rechts|245px|thumb|Kaart van de verspreiding van Germaanse volken in de ijzertijd, 500 v.Chr. - 50 v.Chr. thumb|rechts|245px|De verbreiding van Germaanse stammen750 v.Chr. – 1 na Chr. (bron: Penguin Atlas of World History 1988): Men weet niet zeker waar en wanneer het Oergermaans gesproken werd. Zo rond het begin van de jaartelling zou er in de Germaanse taal nog een zekere eenheid hebben bestaan, maar bestonden er al dialecten.
Oorspronkelijk zouden de Germaanse stammen in de bronstijd in de regio rond Denemarken geleefd hebben. In de ijzertijd, dus vanaf ca. 800 v.Chr., is men begonnen zich over een groter gebied te verspreiden - waarschijnlijk werd al voor 200 v.Chr. het huidige Nederland door Germaanse stammen bewoond. De Germaanse volkeren hebben zich in de daaropvolgende eeuwen over een groter gebied in Europa verspreid, met het grootste verspreidingsgebied in de eerste eeuw na Christus. Daarna viel de Germaanse taal uiteen in onderling steeds meer van elkaar verschillende dialecten.
Deze dialecten leverden dan talen als Oudnoords, Gotisch en de verschillende West-Germaanse talen op. Pas in de 4e eeuw na Christus wordt er een boek in het Germaans geschreven, de Gotische Bijbel van Wulfila.
Reconstructie De reconstructie van het Oergermaans is altijd met veel discussie en onenigheid omgeven geweest, want het materiaal waarop men zich moet baseren is verre van ideaal. Een gereconstrueerde vorm wordt altijd door het teken *- voorafgegaan, om aan te duiden dat de vorm niet zeker is: *dagaz ‘dag’.
Bronnen De oudste bronnen zijn Romeinse teksten uit de Oergermaanse periode. In deze teksten duiken Germaanse woorden op, die waarschijnlijk direct aan het Oergermaans zijn ontleend. Caesar schrijft zo over de ūrus ‘oeros’ en Tacitus vermeldt het woord glēsum ‘barnsteen’ (vgl. glas). Deze bronnen bevatten al met al zeer weinig relevante informatie over het Oergermaans.
Uit de 2e eeuw na Christus komen enkele inscripties in Scandinavië, in runen opgesteld. Bekend is de in het Oernoords geschreven zin op de vroeg-5e-eeuwse Gallehus-hoorns:
ek hlewagastiz holtijaz horna tawido
"Ik Hlewagast, Holtz zoon, heb de hoorn vervaardigd"
Deze bron is ouder dan de Gotische Bijbelvertaling, maar ook beperkter. Op basis van deze runeninscriptie valt dus over de syntaxis van het Oergermaans weinig met zekerheid te zeggen, en voor een duidelijk beeld van woordvorming en lexicon zijn de overige runeninscripties te kort, en vaak nog niet eens vertaald.
Een andere oude bron voor de reconstructie ligt buiten het Germaans. Net als het Latijn kennen sommige niet aan de andere Europese talen verwante talen leenwoorden uit het Oergermaans. In het Fins en Estisch, beide Fins-Oegrische talen, komt het woord kuningas ‘koning’ voor. Op basis hiervan heeft men de reconstructie *kuningaz voorgesteld.
Een uitgebreide reconstructie is op basis van dergelijk materiaal niet mogelijk. Daarom heeft men van beter overgeleverde talen als het Gotisch, het Oudengels, het Oudhoogduits en het Oudnoords gebruikgemaakt. Ook iets minder goed overgeleverde talen als het Oudfries, het Oudsaksisch en het Oudfrankisch kunnen inzichten verschaffen die van waarde zijn voor de reconstructies.
De oudste van deze talen, het Gotisch, werd gesproken rond de 4e eeuw na Christus, dus al honderden jaren na de periode van het Oergermaans. Er is, vergeleken met andere Germaanse talen tot dan toe, heel veel overgeleverd, nl. een vertaling van het Nieuwe Testament, maar die heeft vanuit taalwetenschappelijk oogpunt het manco dat het een erg letterlijke vertaling uit het Grieks is, dus wellicht is dit niet het Gotisch zoals het in die tijd werd gesproken en eventueel geschreven werd.
Proto-Indo-Europees Een andere mogelijkheid tot reconstrueren wordt geboden door het eveneens gereconstrueerde Indo-Europees, hoewel de reconstructie van deze taal nog meer door discussies wordt omgeven, omdat schriftelijke bronnen geheel ontbreken. Op basis van Indo-Europese woordstammen kunnen de hieruit afgeleide Germaanse woorden gereconstrueerd worden. Bij deze manier van reconstrueren wordt op basis van een hypothese een andere hypothese opgesteld. Dit roept bij geleerden vaak tegenstand op, omdat de wetenschappelijke betrouwbaarheid ver te zoeken lijkt. De "omgekeerde" vorm van reconstrueren kan echter wel de Proto-Indo-Europese hypothese testen, als er langs twee wegen gereconstrueerd wordt: men reconstrueert dan een vorm zowel op basis van de bronnen, als op basis van de hypothese. Als in beide gevallen dezelfde vorm uit het onderzoek voorkomt, dan zou dit de Proto-Indo-Europese hypothese van meer onderbouwing kunnen voorzien.
Discussie Er is veel discussie over het Oergermaans. Enkele discussiepunten:
Er is een theorie die zegt dat het Germaans uit vermengingen van twee Indo-Europese dialectgroepen ontstaan is. Het Indo-Europees kende al vroeg twee hoofdgroepen: de kentum- en satemtalen, afgeleid van de Latijnse en Avestische reflexen van het woord voor "honderd", centum en satəm. De splitsing in deze twee dialectgroepen is gebaseerd op de eerste klank van het Indo-Europese woord *ḱm̥tóm ‘honderd’ met een gepalataliseerde ḱ-, dat in de kentumtalen was een gewone niet-gepalataliseerde k- aan het begin had, maar in de latere satemtalen het ḱ- een affricaat of sisklank werd. In het grootste deel van Europa zouden er kentumtalen gesproken worden, en ook de Nederlandse hond ‘vlaktemaat, landmaateenheid van 100 voet’ en honderd kunnen, via de wet van Grimm, op de oudere vorm *km̥tóm worden herleid; het Germaans wordt vanouds als een kentumtaal beschouwd. Sommige wetenschappers menen nu dat het Germaans geen echte kentumtaal is, maar een vermenging is van beide dialecten, wat overeenkomsten met Slavische talen (waartoe behoren Tsjechisch, Pools en Russisch) zou verklaren. De Slavische talen zijn namelijk satemtalen (Tsjechisch sto). Deze theorie wordt zeker niet algemeen gesteund.
Met de eerste Germaanse klankverschuiving zouden varianten uit het Oergermaans zijn ontstaan. Over de datering van deze klankverschuiving, die onder andere de verschuiving van vroeg-Oergermaanse *kuntóm naar het laat-Oergermaanse *hundan ‘honderd’ verklaart, is men het nog niet eens. Recentelijk wordt, op basis van leenwoorden in het Latijn, verondersteld dat de verschuiving pas in de 1e eeuw v.Chr. heeft plaatsgevonden. Voor veel geleerden is deze veronderstelling moeilijk aanvaardbaar, omdat men er lang van is uitgegaan dat de klankverschuiving ver voor het begin van onze jaartelling moet hebben plaatsgevonden.
Er wordt wel verondersteld dat het Oergermaans zich door verschillende factoren beduidend anders heeft ontwikkeld dan de overige Indo-Europese talen. De theorie is dat het vroegste Germaans (nog voor de klankverschuiving) samen met de Slavische en Baltische talen opging en een eigen dialectgroep vormde met deze talen. Later dan heeft het Germaans zich, volgens de theorie, van deze groep afgescheiden. Men veronderstelt dat het Germaans daarna een sterke invloed van een andere, wel in Europa gesproken maar niet-Indo-Europese taal heeft ondergaan. Dit zou dan enkele Germaanse woorden verklaren, die niet in de overige Indo-Europese talen voorkomen, alsook de soms grote betekenisverschuivingen in het Germaans. Deze theorie van een niet-Indo-Europees substraat van het Germaans is hoogst omstreden.
Algemeen wordt aangenomen dat het Oergermaans zich in drie hoofddialecten heeft gesplitst: het Oost-Germaans, het Noord-Germaans en het West-Germaans. Sommige wetenschappers menen echter dat het Noord- en Oost-Germaans een nauwere verwantschap vertonen en dus in een gemeenschappelijke Noordoost-Germaanse groep moeten worden samengevat. De naam van de Goten kan zowel etymologisch als historisch in verband worden gebracht met het (nu Zweedse) eiland Gotland, en de oudste overgeleverde teksten in het als Noord-Germaans beschouwde Oudgotlands laten een sterkere overeenkomst met het Gotisch zien dan de andere Noord-Germaanse dialecten. De verschillen tussen Gotisch en Oudnoords zouden dan vooral als latere ontwikkelingen binnen deze dialectgroep beschouwd moeten worden. Meer recentelijk en algemener aanvaard is dat juist het Noord- en West-Germaans een dichtere verwantschap vertonen en samen tot een Noordwest-Germaanse groep behoren, en dat het Oost-Germaans zich het eerst afsplitste. Het Oost-Germaans mist namelijk een aantal belangrijke veranderingen die in de Noord- en West-Germaanse talen zijn opgetreden, zoals umlaut. Waarschijnlijk zijn beide hypothesen ten dele waar, en was er ten tijde van de eerste uitzaaiingen van Germaanse volkeren al een zeker dialectcontinuüm aanwezig, waarbij de oostelijke dialectgroep na de trek naar Oost-Europa afgezonderd raakte van de Zuidoost-Scandinavische dialecten waar zij uit afkomstig waren. Het West-Germaans bleef langer in contact met de Noord-Germaanse talen, waardoor een zekere uitwisseling van veranderingen in de taal mogelijk bleef.
Ondanks de discussie is er een inmiddels toch een redelijke consensus bereikt over het karakter van het Oergermaans.
Klankinventaris
Medeklinkers + Medeklinkers van het Oergermaans Bilabiaal Dentaal Alveolaar Palataal Velaar Labiaal-velaar Nasaal m n (ŋ) (ŋʷ) Plofklank p b t d k ɡ kʷ ɡʷ Wrijfklank ɸ (β) θ (ð) s z x (ɣ) xʷ Tril r Approximant j w Lateraal l
was een allofoon van vóór de velare medeklinkers en . Vóór verdween de klank, maar nasaliseerde en verlengde de voorgaande klinker. was een allofoon van vóór labiaal-velare medeklinkers en . Vóór verdween de klank, maar nasaliseerde en verlengde de voorgaande klinker. , en waren allofonen van respectievelijk , en in bepaalde posities (vergelijk het Spaans): was aan het begin van een woord, bij geminatie en na , anders . was aan het begin van een woord, bij geminatie en na , , en misschien na , anders . was bij geminatie en na , anders . kende geen wrijfklank-allofoon, maar kwam alleen voor na .
Klinkers Het Oergermaans kende, in vergelijking met de moderne Germaanse talen, een vrij beperkt aantal articulatieplaatsen van klinkers. Er waren nog geen geronde voorklinkers als , die ontstonden pas later als gevolg van umlaut. Wel had het Oergermaans naast korte en lange ook overlange klinkers, en kende het een serie nasale klinkers; beide kwamen voornamelijk aan het einde van een woord voor.
+Orale klinkers voor achter kort lang overl. kort lang overl. gesloten i iː u uː halfgesloten e eː halfopen ɛː ɛːː ɔː ɔːː open ɑ ɑː+Nasale klinkers voor achter kort lang overl. kort lang overl. gesloten ĩ ĩː ũ ũː halfgesloten halfopen ɔ̃ː ɔ̃ːː open ɑ̃ ɑ̃ː