Het impressionisme is een kunststroming, ontstaan vanuit de schilderkunst. De beweging had haar bakermat in Frankrijk, in de tweede helft van de negentiende eeuw. Aanvankelijk ontstond ze als een revolterende beweging tegenover de toen algemeen aanvaarde en officieel door de staat erkende academische kunst. Uiteindelijk ontwikkelde ze zich tot een totaal nieuwe stijltechnische conceptie die aan de wieg stond van het modernisme uit de twintigste eeuw. Typerende kenmerken van het impressionisme zijn de gerichtheid op de beleving van het moment ('impressie'), de keuze voor thema's uit het 'moderne leven', de bijzondere aandacht voor lichteffecten en kleur, een schetsachtige werkwijze en het werken in de open lucht.
Tot de bekendste vertegenwoordigers behoorden kunstschilders als Claude Monet, Berthe Morisot, Pierre-Auguste Renoir, Édouard Manet, Edgar Degas en Paul Cézanne. De impressionisten exposeerden hun werk tussen 1874 en 1886 op acht door henzelf georganiseerde tentoonstellingen in Parijs. Na 1886 werd hun vernieuwersrol overgenomen door neo- en postimpressionistische groeperingen, hoewel de stroming ook na die tijd in diverse landen buiten Frankrijk nog belangrijke bloeiperiodes zou kennen.
Ook in de eenentwintigste eeuw kan het impressionisme nog steeds bogen op een grote populariteit. Thema-exposities en impressionistenafdelingen van grote musea trekken hoge bezoekersaantallen.Zie een onderzoek naar bezoekersaantallen van musea en exposities in 2012 Qua prijzen kunnen impressionistische topwerken zich meten met 'oude meesters'.Een versie van De kaartspelers van Cézanne bracht in 2011 een recordbedrag van tussen de 170 en 190 miljoen euro op, op dat moment het duurste schilderij ooit. Zie ook: Lijst van duurst verkochte schilderijen. De Impressionismeroutes zijn sinds 2018 een Europese Culturele Route van de Raad van Europa.
Het impressionisme werkte ook in andere kunstvormen door, zoals de klassieke muziek, de literatuur, de beeldhouwkunst en de fotografie.
Stijl en kenmerken thumb|Manets Een bar in de Folies-Bergère, 1882, in zijn latere impressionistische stijl, gesitueerd in het Parijse uitgaansleven. Er bestaat geen algemene theorie van het impressionisme. Renoir zei ooit: 'Ik heb geen regels of methodes. Iedereen mag komen kijken wat ik gebruik of mij bij het schilderen gadeslaan. Ze zullen zien dat ik geen geheimen heb'.Citaat ontleend aan K. H. Grimme: Impressionisme, blz. 6. De vraag wat het impressionisme typeert is dan ook niet eenduidig te beantwoorden en kan per kunstenaar sterk verschillen.
Niettemin is er een aantal criteria te noemen die doorgaans als onderscheidend worden gezien:Indeling ontleend aan Peter H. Feist e.a.: Het Impressionisme, deel 1 en Karin H. Grimme: Impressionisme (hoofdstuk Schilderen met licht en kleur).
Impressie, schetsmatige werkwijze Op de eerste plaats kan gewezen worden op de term 'impressie', die bij uitstek tot het impressionistische vocabulaire ging behoren: de onmiddellijke beleving van het moment, vaak een willekeurig tafereel uit het dagelijks leven, zonder verdere boodschap of doel. Daarbij ging het in de weergave niet langer om een objectieve registratie van de werkelijkheid, maar vooral om de subjectieve waarneming van de kunstenaar, met veel aandacht voor sfeer. De kunstenaar was tevreden en 'klaar' zodra de impressie was vastgelegd, hetgeen de spontane en schetsmatige indruk van een kunstwerk vaak versterkte: alsof het in een paar minuten op doek was gezet, in een losse toets, nog niet geheel af. De vlotte penseelstreken en de ogenschijnlijk slordige uitvoering kunnen daarbij gezien worden als metaforen voor het vluchtige moment en de snelheid van het dagelijks leven.
Thema's uit het eigentijdse leven Hoewel ook portretten en landschappen in zwang bleven, was het impressionisme vernieuwend in zijn thema's, die veelal gekozen werden uit het eigentijdse en alledaagse leven. Voor het eerst werden arbeiders, prostituees, cafégangers, willekeurige voorbijgangers en andere 'gewone mensen', systematisch tot onderwerp van een schilderij gemaakt, vaak op locaties waar het moderne leven zich bij uitstek afspeelde: stations, bruggen en parken, operahuizen, stranden, regatta's, enzovoort. Door de 'impressies' van het veranderende leven tot het brandpunt van hun kunst te maken legden de impressionisten de nadruk op het aspect van de individualiteit, dat een kenmerk van de nieuwe, moderne samenleving zou worden. In deze zin kan de impressionistische kunst tevens worden gezien als een weerspiegeling van een proces van maatschappelijke verandering. Een ideaal decor was Parijs, dat in de jaren 1860 door baron Georges-Eugène Haussmann werd getransformeerd van een oude stad vol middeleeuwse steegjes tot een moderne metropool met brede boulevards.
De aandacht van de impressionisten voor technologische ontwikkelingen kan worden gekoppeld aan de interesse van velen onder hen voor de opkomende fotografie, die het doel van de schilderkunst in een ander daglicht stelde. Typerend is dat de impressionisten deze ontwikkeling niet als bedreiging zagen, maar het nieuwe medium volop omarmden. De vluchtige weergave van mensen en objecten alsook het gebruik van afsnijding (of zelfs volledige lege plekken in de compositie), zijn duidelijk te herleiden naar de techniek van de fotografie. thumb|De kaartspelers van Cézanne, 1893-1896, in de voor zijn werk kenmerkende monumentale stijl waarmee hij vooruitliep op het latere modernisme.
Licht en kleur, werken in de open lucht In de technische uitwerking vielen de impressionisten vooral op door hun behandeling van contrast, kleur en licht. Er was veel aandacht voor de verschillende schakeringen bij veranderend licht en voor de onderlinge relaties van de kleurwaarden, die vaak in complementaire tonen werden weergegeven op een fijn verdeelde schaal van licht naar donker. Motieven, vormen en omtrekken (belijning) werden daaraan ondergeschikt gemaakt. Het kleurgebruik werd bovendien feller en intenser, hetgeen samenviel met een toename van kleur in de buitenwereld: de chemische techniek had geleid tot een enorme groei in de beschikbaarheid van kleurstoffen. Dat leidde bijvoorbeeld tot een toename van bonte kleren op straat, maar bijvoorbeeld ook tot een grotere beschikbaarheid van allerhande pigmenten, vaak ook nieuwe, zoals chroomgroen. Zwart werd zelden gebruikt. De elementaire kleuren werden vaak nat-in-nat in los naast elkaar geplaatste toetsen op doek gebracht, zodat ze op afstand de gewenste kleurvariaties vormden en aldus een subtielere nuancering toelieten. Belangrijk was hierbij niet meer de stoffelijke preciesheid van de vormen in de natuur, maar veeleer de kleurrijke oplossing van zon, licht en lucht.
Veel schilders maakten zich vrij van het natuurlijke kleurenpalet. Het violet, dat in de natuur zeldzaam is en voorheen hooguit 4 procent van de schilderwerken kenmerkte, was aan het eind van de 19e eeuw prominent aanwezig in 36,5 procent van de doeken. Impressionisten maakten opvallend gebruik van het kortgolvige deel van het kleurenspectrum en tijdgenoten beschuldigden hen van violetgekte en indigogekte.
De kant-en-klare beschikbaarheid van verf in tubes, na de uitvinding door Geoffrey Rand in 1841,Grimme, Karin H. (2017) Impressionism, p. 14 bevorderde bovendien het werken 'en plein air', hetgeen nog een ander aspect was dat de impressionistische kunstschilder typeerde. Impressionisten wilden het 'waargenomene' direct afbeelden zoals het zich aan hen toonde en zoals ze de impressie zelf ter plekke ervoeren. Ze waren dan ook altijd op straat te vinden of ergens in het landschap, in elk geval buiten.
Geschiedenis Context en invloed Parijs werd in de negentiende eeuw in toenemende mate beschouwd als het artistieke middelpunt in de wereld. Na de bloeiperiode van de romantiek was de op een academische leest geschoeide realistische Franse schilderkunst rond 1850 toonaangevend geworden in Europa. Een belangrijke substroming was het neoclassicisme, dat de klassieke Griekse en Romeinse kunst ten voorbeeld nam en thema's zocht in de geschiedenis en de mythologie. Veel werken droegen een boodschap uit. De belangrijkste vertegenwoordigers waren Jean-Auguste-Dominique Ingres en Eugène Delacroix, hoewel de laatste afweek van de gangbare opvattingen omdat hij kleur en niet de lijnvoering als belangrijkste beeldend middel beschouwde.
Een nieuwe ontwikkeling in de realistische schilderkunst werd rond 1850 in gang gezet door de schilders van de School van Barbizon. Vanuit een kunstenaarskolonie even ten zuiden van Parijs maakte deze groep jonge kunstenaars genrewerken en landschappen, zonder romantische opsmuk, maar met veel aandacht voor de verschillende verschijningsvormen van het licht. Belangrijke vertegenwoordigers waren Theodore Rousseau, Camille Corot, Jean-François Millet en Charles-François Daubigny. De schilders van de School van Barbizon werkten in de vrije natuur, 'en plein air', waar ze de stemming van de natuur direct wilden weergeven.
Het ontstaan van het impressionisme dient geplaatst te worden in de lijn van de ontwikkeling die volgde op het realisme en het neoclassicisme. Een directe invloed ging uit van Delacroix en als gezegd van de Barbizonschilders, met wie veel impressionisten in de jaren 1860 samenwerkten. Invloeden kwamen echter ook vanuit het buitenland. Zo kan gewezen worden op de in Frankrijk werkende Nederlandse kunstschilder Johan Barthold Jongkind, die rond 1860 al een reeks impressionistisch aandoende schilderijen maakte van de Notre Dame, steeds bij een andere belichting. Jongkind werkte samen met Claude Monet en Eugène Boudin aan het Normandische strand, waar ze de effecten van het licht op het landschap bestudeerden. Aan de kust werd de basis gelegd voor het impressionisme zoals we dat nu kennen. Daarnaast kan de Engelsman William Turner worden genoemd, wiens werk veel indruk maakte op een aantal vroege impressionisten.De uit Engelse ouders geboren Sisley had reeds in de jaren zestig werk van Turner gezien in Londen. In 1871 leerden Monet en Pissarro Turners werk kennen toen ze vanwege de Frans-Duitse oorlog naar Londen vluchtten en toonden zich erg onder de indruk. Ook Félix Bracquemond kende het werk van Turner en exposeerde tijdens de eerste impressionistententoonstelling in 1874 een ets naar diens Rain, Steam and Speed - The Great Western Railway. Cf. James Rubin: Het verhaal van het impressionisme, 2013, blz. 234. Het waren allemaal schilders die lieten zien dat er nieuwe paden begaanbaar waren in de kunst, andere wegen dan de toen gangbare, waarvan de grenzen rond 1860 in Frankrijk streng bewaakt werden door de conservatief-classicistische Académie des Beaux-Arts.
Ontstaan