thumb|Sex(tus) Gracch(ius) Fronto, zoon van T(itus), [van het stemdistrict] Pol(lia), uit Faventia, soldaat in de 4e pretoriaanse cohorte in de centuria van Gallus. Hij heeft 17 jaar gediend en is 36 jaar oud geworden. Hij rust hier veilig. Museo Epigrafico, Rome

De Romeinse legionair was een professionele infanteriesoldaat in het leger van het Romeinse Rijk en vormde de kern van de legioenen. In de door keizer Augustus hervormde legioenen werd een legionair (Latijn: gregarius miles of legionarius miles) gedefinieerd als een mannelijke Romeinse burger (plebejer), doorgaans jonger dan 45 jaar, die zich meestal vrijwillig aanmeldde voor een langdurige, betaalde militaire dienst.

Legionairs ondergingen een intensieve training die hen voorbereidde op zowel gevechten als zware fysieke arbeid, zoals het bouwen van forten, wegen en belegeringswerken. Hun uitrusting was gestandaardiseerd en omvatte onder andere een schild (scutum), zwaard (gladius), werpspeer (pilum) en een helm.

De kracht van de legionair lag naast individuele vaardigheden voornamelijk in de collectieve discipline en tactiek. In hechte formaties, zoals de beroemde testudo, konden de legionairs zich bijvoorbeeld effectief verdedigen tijdens een aanval. De Romeinse legionair vormde de ruggengraat van het leger en speelde een cruciale rol in de expansie en het behoud van de Romeinse macht.

Legerhervormingen Het Romeinse leger had rond het begin van de jaartelling al twee grote hervormingen doorgemaakt: vanaf 107 v.Chr. werden er door de generaal Gaius Marius naast de kleine zelfstandige Romeinse boeren ook voor het eerst de armste Romeinse burgers gerekruteerd. Hierdoor werd het leger naast een militair ook een politiek werktuig voor zijn aanvoerder, want al deze soldaten konden deelnemen aan de politiek belangrijk geworden comitia centuriata. Augustus maakte van het Romeinse leger het eerste beroepsleger in de westerse geschiedenis. Hij trok de diensttijd op van 16 naar 20 jaar plus 5 jaar reserve, met de mogelijkheid om daarna nog opgeroepen te worden als evocatus, en spande zich in om steeds meer provincialen’’ met Romeins burgerrecht aan te trekken.

De legionairs kwamen meer en meer uit de met Romeins burgerrecht bedeelde provinciae zoals Hispanië en Gallia Narbonensis, terwijl er steeds minder "echte" Italische Romeinen deel uitmaakten van de basis van hun legioenen. Er werd bij voorkeur gerekruteerd onder boerenzonen, stadsbewoners kwamen slechts zelden in aanmerking. Uitgesloten van rekrutering waren banketbakkers, vishandelaren, linnenwevers en allen die een "vrouwenberoep" uitoefenen. Steenhouwers, smeden, timmerlieden, slagers en jagers waren welkom.

Litterae commendaticiae (aanbevelingsbrieven) waren zeker aan te raden, want er werd wel degelijk rekening mee gehouden. Daardoor kwamen vooral zonen van oud-soldaten in het leger terecht. Ook – indien men geen familie meer had of een (ex-)soldaat als vader – kon men zijn aanbevelingsbrief laten opstellen door de patronus waar men cliens bij was.

Na de eerste selectie moest de rekruut eerst een medische keuring ondergaan. De voorkeurslengte was 6 Romeinse voet (bijna 1,80 m) lang hoewel de meeste Romeinen gemiddeld 20-30 centimeter korter waren. De rekruut moest in het bezit zijn van een scherp zicht en goede fysieke conditie. In de praktijk werd er regelmatig afgeweken van dit ideaal vooral wat betreft de lengte. Vervolgens moest de rekruut nog 4 maanden probatio of proeftijd doen, waarbij hij naast een intensieve training nog eens grondig medisch gecontroleerd werd en men ook zijn karakter bestudeerd had. Hierdoor kon men voorkomen dat luieriken, veroordeelden, bannelingen, dieven of gewetenloze bruten in de legioenen werden ingelijfd. Na zijn probatio ontvangt hij een viaticum (reisgeld) van 75 denarii of 3 aurei om zich bij zijn legioen te gaan vervoegen. Pas hierna werd hij in de administratie van het legioen ingeschreven.

Training Met behulp van oefenwapens moesten de rekruten trainen op de volgende onderdelen: zwemmen, exercitie met speciale aandacht voor het herkennen van bevelen en signalen, het zwaardvechten – waarbij opgemerkt moet worden dat de rekruten eerder gericht steken dan houwen –, het gooien van werpspiesen, het gebruik van steenslingers, paardrijden, het dragen van een zware last (door middel van dagmarsen met een bepakking van circa 25 kilogram). Ongeveer één derde van de rekruten moest worden onderricht in boogschieten.

De oefenwapens die bij de training werden gebruikt, houten zwaarden en gevlochten schilden van wilgentenen, waren zwaarder dan de echte wapens, zodat de veldtocht gemakkelijk leek in vergelijking met de training.

Een beschrijving van een training is in de 2e eeuw v.Chr. te vinden bij de Griekse geschiedschrijver Polybius (X 20.2-6.). Editie: Polybius, Historiae, ed. (naar de editie van ), Leipzig, 1893-. Vertaling (Engels): , Historiae, introd. - trad. , Londen - New York, 1922-1927.

2. De eerste dag beval hij om in wapenrusting over dertig stadiën (ca. 5,46 km) te lopen, de tweede om de hele wapenrusting op te blinken, te herstellen en in het openbaar na te kijken, de volgende om te rusten en zorgeloos te zijn. 3. de daaropvolgende (beval hij) sommigen om te zwaardvechten met houten, met leer bedekte zwaarden, en anderen om te speerwerpen met werpspiesen voorzien van een ronde knop. De vijfde (dag) opnieuw dezelfde gang (van zaken) van het begin af aan. 4 En opdat er aan wapens voor oefening of werkelijkheid geen tekort zou zijn legde hij des te meer inspanning aan de dag voor de handwerkers. 5 Per gedeelte stelde hij daarom opzichters aan met het oog op deze nood, zoals ik (hier)boven al gezegd heb: zelf doortrok hij (de werkplaats) dagelijks, en zelf bedeelde hij ieder de benodigde voorraad toe. 6 Ten slotte, terwijl de infanterie haar kamp opsloeg op de plaatsen buiten de stad, zich bezighoudend met oefeningen en trainingen, terwijl de vloot zich sterkte op zee met exerceren en roeien, en terwijl degenen in de stad (wapens) scherpten met bronsgieten en timmeren, kortom terwijl iedereen zich beijverde wapens te vervaardigen, ...

Uitrusting thumb|Miles met pilum (werpspeer), lorica hamata, gladius, pugio en scutum. Tot het begin van de christelijke jaartelling waren de milites uitgerust met een lorica hamata. Dan kregen zij ook de beschikking over de lorica segmentata, die betere bescherming bood, ook tegen slagwapens. Schubpantsers kwamen slechts zelden voor; deze boden minder bescherming maar gaven de legioensoldaat wel meer bewegingsvrijheid (een schubpantser bestaat uit een lederen vest waar men metalen plaatjes op naaide). Ze droegen verder een cassis (helm), scutum (schild) en caligae (zware sandalen) en een balteus, een riem (vgl. het Engels belt, de riem werd ook vaak cingulum genoemd). Verder waren ze uitgerust met een pilum (werpspeer), of soms een hasta (lans), een pugio (dolk) en een gladius (kort steekzwaard), later werd de gladius vervangen door de spatha, een tweesnijdend slagzwaard.

De uitvoering van deze basisuitrustingsstukken van de milites varieerde sterk, omdat ze deze zelf moesten bekostigen. De pugio hoorde evenmin tot de standaarduitrusting, omdat deze door de legionair zelf betaald moest worden. De uitrusting van de officieren was dus veel beter en rijkelijker bewerkt dan die van een simpele miles. De miles was dan ook extra zuinig op zijn uitrusting, omdat een nieuwe helm zeer kostbaar was. Helmen gingen, duur als ze waren, vaak van hand tot hand, wat blijkt uit de verschillende namen van gebruikers die in veel helmen zijn terug te vinden. Er zijn helmen gevonden met wel drie namen.

Alleen de rijken (de Patriciërs) konden zich de aanschaf en het onderhoud van een rijdier veroorloven. De armen (de Plebejers) daarentegen moesten meestal in een simpele wapenrusting achter de ruiters aanlopen. Het onderhouden van de lorica kon bovendien het leven van en strijder redden op het slagveld, omdat een slecht onderhouden lorica segmentata sneller uit elkaar viel. Milites voerden bovendien waar mogelijk zelf reparaties uit aan hun uitrusting om kosten te kunnen besparen. Hetzelfde gold voor de sandalen: de spijkers waarmee deze werden beslagen dienden door slijtage vervangen te worden; een klusje dat door de manschappen zelf werd uitgevoerd. Hiervoor kregen de soldaten overigens wel 'spijkergeld' Het staat vast dat in ieder geval één maal gestaakt werd vanwege een bezuiniging op dit spijkergeld. Verder moesten alle Romeinse soldaten een paal dragen voor het legerkamp, en potten en pannen voor het eten.

Taken in oorlogstijd thumb|links|Groep Romeinse soldaten (nagespeeld) Op het slagveld was de belangrijkste taak van de miles het volgen van het signum legionum, zijn pilum te slingeren als daartoe het bevel werd gegeven, zijn gladius te trekken en te vechten. De signifer (vaandeldrager) krijgt zijn commando's door signalen van de hoornblazers.

Onderweg, tijdens een campagne, was hij onderworpen aan de marsorde. Per acht man was er een tent, die door de miles zelf werd meegedragen. Verder droegen zij proviand. Tijdens de mars werd elke avond een versterkt marskamp gebouwd, inclusief een fossa (gracht) en vallum (omwalling). De contouren van een marskamp uit ongeveer 170 na Christus zijn op de Ermelosche Heide nog steeds te zien.

Dagelijks leven thumb|Romeinse handmolen (reconstructie) De dagelijkse karweitjes verschilden voor degenen die in de provinciae verbleven en hen die in Italië gelegerd waren. De troepen uit de provinciae klaagden dan ook vaak dat zij de zwaarste taken hadden. In vredestijd moest de gewone soldaat zowel aan wapendril, conditietraining, wachtlopen, wapens, gereedschap en militaire gebouwen onderhouden en reinigen, naast sloten en grachten graven, wegen en bruggen bouwen, administratieve zaken, het escorteren van handelstransporten van zowel de keizer als van private burgers, politietaken vervullen als het bestrijden van roverbendes, civiele berichten overbrengen, belastingen innen en soms zelfs meehelpen aan bouwwerken voor de burgerij. De immunes waren vrijgesteld van deze taken om zich te kunnen wijden aan gespecialiseerde zaken in de administratie, ateliers of dergelijke.

Vrije tijd en ontspanning Maar naast deze klusjes was er ook tijd voor ontspanning, waar faciliteiten voor werden geregeld, want de meeste opstanden en samenzweringen ontstaan nu eenmaal wanneer soldaten niets omhanden hebben. Daarom werden er sportwedstrijden tussen de soldaten gehouden, maar evengoed gladiatoren- of andere soorten spelen. Ook waren er de vele religieuze festiviteiten die het soldatenleven structureerden. In de buurt van de castra was er soms gelegenheid tot jacht, die naast ontspanning ook wat variatie in het menu kon brengen. De soldaat kon zijn partner, gezin, of 'gezelschapsdame' gaan opzoeken buiten de diensturen in het nabijgelegen dorp, de canabae legionis die meestal bij de grotere castra werd gevonden. Hier waren kroegen en prostituees te vinden, maar ook handwerkslieden, veteranen, en gezinnen van de miles.

Godsdienst Inscripties op altaren laten zien dat niet alleen Romeinse goden aanbeden werden, maar vaak ook lokale godheden. Nehalennia is hiervan een goed voorbeeld. Als een lokale god in de interpretatio Romana kon worden vereerd, sloeg men zelfs twee vliegen in één klap. Vanaf eind 2e eeuw werd de Mithrascultus populair in het leger.

Relaties met vrouwen De Romeinse legionair werd gescheiden van het burgerlijke leven door een reeks wettelijke privileges en beperkingen. De meest drastische beperking was dat het hem sinds het Principaat en de regering van Augustus verboden was om te trouwen. Hoewel relaties met vrouwen werden toegestaan, was matrimonium iustum, het legitiem huwelijk, verboden. Septimius Severus verleende hun dit recht pas eind 2e eeuw.Sara Elise Phang, The Marriage of Roman Soldiers (13 BC-AD 235): Law and Family in the Imperial Army

Rangen en standen