De Noordse agrarische partijen of Noordse centrumpartijen zijn politieke partijen in de Scandinavische gebieden van Europa die primair het belang van agrariërs vertolken. In de Baltische staten en Polen bestaan soortgelijke partijen.Het gaat om volgende partijen: de Poolse Volkspartij (PSL), de Estse Centrumpartij, de Letse Unie van Groenen en Landbouwers en de Litouwse Landbouwers Volksunie.

In hun geschiedenis worden alle Noords agrarische partijen geconfronteerd met een afnemend belang van de landbouw als economische sector en zullen ze zich moeten heruitvinden. Op die manier sluipen standpunten over milieu en decentralisatie binnen in de partijprogramma's van de centrumpartijen. Hoewel alle Noords agrarische partijen op dezelfde gronden zijn ontstaan, zullen ze - afhankelijk van het land - verschillende paden gaan bewandelen. In sommige landen wordt de agrarische partij een belangrijke regeringspartij, elders is de partij eerder klein. Sommige partijen schuiven op naar rechts, andere profileren zich eerder centrumlinks; enkele partijen stellen zich eurosceptisch op, terwijl andere voorstanders zijn van een verdere Europese integratie.

Internationaal zijn ze gelieerd aan de European Liberal Democrat and Reform Party (ELDR) en Liberal International (LI).

Historische ontwikkeling Partijen op een breuklijn (eind 19e eeuw – ca. 1920) De Noorse politiek wetenschapper Stein Rokkan stelt dat het breuklijnenmodel voor de Scandinavische landen gebaseerd is op drie economische situaties, waarvan één de tegenstelling tussen centrum en periferie is. De agrarische partijen zullen zich rond deze breuklijn vormen. Andere partijen, met name de sociaaldemocratische en de conservatieve, positioneren zich in Scandinavië rond de tegenstelling arbeid-kapitaal.Sundberg (1999), 221, 234. De drie traditionele partijen – de conservatieve, sociaaldemocratisch en agrarische partij – komen voort uit evenveel klassen, respectievelijk de middenklasse, de arbeiders en de landbouwers. Torben Worre heeft het in verband met die laatste klasse over een rural subculture: een subcultuur met eigen (religieuze) tradities en eigen belangen; een gesloten milieu waar de druk groot is om de gangbare politieke lijn te volgen.Worre (1980), 302, 307-308. Vanuit voornoemde breuklijnen en deze plattelandscultuur moeten we de opkomst van de Noords-agrarische partijen begrijpen.

De eerste boerenpartij ontstaat in Denemarken. Sinds in dat land in 1849 een nieuw, grondwettelijk regime is ontstaan, gaan ook landbouwers politiek participeren. Vanuit verschillende reeds bestaande groeperingen ontstaat omstreeks 1870 een nieuwe partij: Det Forenede Venstre (letterlijk: Verenigd Links), later kortweg bekend als Venstre.Venstre is Deens voor ‘links’. In de context van de 19de eeuw worden daarmee de linkse, in casu liberale, politieke groeperingen aangeduid. Tegenover de linkse liberalen staan de rechtse, conservatieve stromingen die benoemd worden als højre (‘rechts’). De termen ‘links’ en ‘rechts’ komen op hun beurt voort uit de tijd van de Franse Revolutie, wanneer de progressieve-revolutionairen in de Assemblée links zetelen den conservatieven rechts. Omwille van deze historische reden spreekt men nog steeds van Venstre of Links in de Deense politiek, hoewel de Deense liberalen zich in het huidige politieke spectrum centrumrechts profileren. Ook in het politieke landschap zijn hiervan sporen terug te vinden. Daarmee is een ietwat bijzonder samengaan tussen (kleine) boeren en stedelijke groepen tot stand gekomen. Van meet af aan is er een sterke band met De Samvirkende Danske Landboforenige (DSL; Nederlands: Federatie van Deense Landbouwassociaties) en de Landbrugsraadet (LR; Nederlands: Landbouwraad). Tegen de rechts-conservatieve facties (højre) in voert Venstre strijd voor de invoering van het parlementarisme. In 1905 scheurt de linkervleugel van de partij zich af: kleine, anticonservatieve boeren en intellectuelen gaan hun eigen weg met Det Radikale Venstre (te vertalen als Deense Sociaalliberale Partij).Met Det Radikale Venstre ofwel ‘Radicaal Links’ wordt geen extreemlinkse partij bedoeld, maar – naar analogie met de hierboven geschetste situatie – een partij die zich links positioneert ten opzichte van Links of Venstre. Het adjectief ‘radicaal’ en het radicalisme als ideologie heeft ook eveneens een Franse oorsprong. De linkse liberalen staan een grotere staatsinterventie voor dan Venstre, dat traditioneel vasthoudt aan vrije marktwerking.Laux (1968), 437; Madsen (2007), 20-22; Larkin (1988), 1130. In het Finland van het eerste decennium van de 20ste eeuw is twee derde van de bevolking actief in de landbouw: een veel groter aandeel dan in Zweden of Noorwegen. In 1906 ontstaat de Finse Agrarische Liga (Fins: Maalaisliito) uit afscheuringen van twee 19de-eeuwse nationalistische groeperingen (de Oude en de Jonge Finnen). De Finse agrarische partij steunt hoofdzakelijk op onafhankelijke boeren in de noordwestelijke en noordoostelijke regio’s van het land.Arter (1999), 159-160. In 1913 maakt Zweden kennis met de Bondeförbundet (Nederlands: Boerenliga). De geboorte van de partij kan gezien worden als reactie tegen de snel voortschrijdende industrialisatie van het land. De partij raakt snel verdeeld: al in 1915 bestaan twee agrarische partijen, die zich eerst in 1921 opnieuw zullen verenigen. De Zweedse Bondeförbundet ontwikkelt zich los van boerenorganisatie RLF (Riksförbundet Lantbygdens Folk) en zal zich zelfs sterk tonen, daar waar de RLF zwakker staat.Christenssen (1997), 395, 402 (noot 6). In tegenstelling tot de Zweedse partij ontstaat de Noorse agrarische partij wel als onderdeel van de Norsk Landmansforbundet (Nederlands: Boerenunie). Die Boerenunie neemt al in 1920 als organisatie deel aan de verkiezingen. Vanaf 1922 is er ook een echte partij: de Bondepartiet (Boerenpartij). Aanvankelijk heeft de partij geen ledenstructuur en ook de partijfinanciën zullen tot 1940 afhangen van de bijdragen van de leden van de Landmansforbundet.Christensen (1997), 396; Senterpartiet Enkele jaren voor de Noorse partij, ziet ook in IJsland een agrarische politieke groepering het levenslicht. In 1916 ontstaat uit een samengaan van de reeds bestaande Boerenpartij (Bændaflokkur) en de Onafhankelijke Boeren (Óháðir bændur) de Progressieve Partij of Framsóknarflokkurinn. De agrarische partijen in Denemarken, Finland, Zweden en Noorwegen krijgen navolging in enkele, vandaag autonome, (ei)landen in het bezit van voornoemde staten. Op de Deense Faeröereilanden ontstaat al in 1906 de Sambandsflokkurin (Nederlands: Verbondspartij). Op de eilanden bestaat sinds 1992 ook een agrarische Centrumpartij (Miðflokkurin). In een andere Deense autonome regio, Groenland, is er vanaf 1976 Atassut (letterlijk: Gevoel van Gemeenschapssolidariteit), een partner van de Liberale Partij in Denemarken. Op de Ålandarchipel – enkele Finse eilanden voor de Zweedse kust met een Zweedstalige bevolking – ontstaat midden de jaren 1970 ook een centrumpartij (Ålandsk Center).

De eerste successen (ca. 1920-1930) De Deense Agrarisch-Liberale Partij heeft reeds in het laatste kwart van de 19de eeuw een grote aanhang. Wanneer Denemarken in 1901 zijn eerste democratische regering krijgt, komt Venstre meteen aan de macht. Tussen 1901 en 1909 regeert de partij alleen, daarna zal de partij, met uitzondering van enkele periodes in de jaren 1920, nog maar weinig regeringsverantwoordelijkheid nemen. De linkse afsplitsing van Venstre, Det Radikale Venstre kent zijn hoogtepunt in de periode 1910-1920. De radicalen nemen een sleutelpositie in tussen de liberalen en de sociaaldemocraten. Met steun van die laatste groep vormen de sociaalliberalen een minderheidsregering onder leiding van Carl T. Zahle. In de jaren 1930 komt het ook tot een coalitie met de sociaaldemocratische partij.Laux (1968), 445, 451; Madsen (2007), 20-22.

In Noorwegen kan de nieuw opgerichte Bondepartiet al in 1921 succes boeken: ze wordt de grootste niet-socialistische partij in de gebieden waar ook de boerenbond sterk staat, namelijk het oosten van het land. In het westen van het land heeft de partij echter te kampen met de Noorse Liberale Partij (Venstre) die een belangrijke aanhang heeft onder de landbouwers. Later – in de jaren 1930 – zal ook de Arbeiderspartij de landbouwers aanspreken. De Zweedse zusterpartij heeft meteen een groter electoraal potentieel, vooral in regio’s met een trage economische ontwikkeling. De gemiddelde percentages voor de periode van ca. 1920 tot ca. 1960 voor zowel de Noorse als Zweedse partij liggen desalniettemin dicht bijeen: respectievelijk 11,3% en 12,2%.Christensen (1997), 395-396; Arter (1999), 160.

De Finse Agrarische Liga steekt met kop en schouders boven de Bondepartiet en de Bondeförbundet uit: tussen 1919 en 1962 haalt de partij gemiddeld 22,9% van de stemmen en nooit minder dan 20%. In tegenstelling tot de andere twee partijen, die slechts in de jaren 1930 in de regering zetelen, is de Finse Maalaisliito tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voortdurend een regeringspartij, enkele kortere periodes in de jaren 1920 niet te na gesproken. Het grote succes van de Finse agrarische partij valt op zich al te verklaren door het feit dat in Finland in 1917 vijf maal meer mensen in de landbouw dan in de industrie zijn tewerkgesteld. Nog in 1930 kennen maar vijf Europese landen meer werkgelegenheid in de primaire sector dan Finland. Daarnaast speelt ook de rol die de partij heeft gespeeld in de staatsopbouw tussen 1917 en 1919 en de door de partij gepromote landverdeling van de jaren 1920 mee in het succes van de Agrarische Liga.Arter (1999), 160-161.

De crisis van de jaren 1930 en de Nieuwe Orde De jaren 1920-1930 brengen ook Scandinavië economische problemen. In Denemarken ontstaat, ten gevolge van de economische troebelen, de Landbrugernes Sammenslutning (Nederlands: Boerenunie). De Unie stelt zich heel wat radicaler op dan de DSL, de traditionele boerenvereniging achter Venstre. Daartoe gebracht door de economische crisis en de concurrentie van de Boerenunie sluit Venstre in 1933 een akkoord met de regering van sociaalliberalen en sociaaldemocraten.Laux (1968), 439, 445. Venstre heeft zich op economisch gebied steeds voorstander getoond van laissez-faire; dat kan ook gesteld worden voor de Zweedse Bondeförbundet. Door de crisis van de jaren 1930 zal de Zweedse partij echter overstag gaan voor protectionistische maatregelen. Anders dan de Deense en Zweedse agrarische partijen is de Noorse tegenhanger van meet af aan voorstander van protectionisme, teneinde de prijzen te stabiliseren. De Bondepartiet begint, onder meer door het organiseren van verkopen, steeds meer op een corporatie te lijken.Christensen (1997), 395-396.