William Sherard (Bushby, bij Leicester, 27 februari 1659 – Londen, 11 augustus 1728)Alle data in dit artikel zijn data volgens de juliaanse kalender. Bij data tot en met 28 februari 1700 moeten er tien dagen opgeteld worden om de datum in de gregoriaanse kalender te vinden. Na die datum is het verschil elf dagen. De gregoriaanse kalender werd in Engeland pas op 14 september 1752 (3 september volgens de juliaanse kalender) ingevoerd. was een Engels botanicus. Hij heeft vooral invloed gehad doordat hij de botanische namen in Mark Catesby's Natural History of Carolina (1731–1743). The Natural History of Carolina, Florida and the Bahama Islands (Londen). Deel 1 van ongewijzigde tweede druk online op Botanicus, Deel 2 van ongewijzigde tweede druk online op Botanicus. en in Dillenius' Hortus Elthamensis (1732). Hortus elthamensis (Londen). Online op Real Jardín Botánico Madrid. heeft verzorgd, allebei werken waaruit Linnaeus veel namen overnam. Daarnaast verzorgde hij de postume uitgave van Paradisus Batavus van Paul Hermann (1646–1695), (1698). Paradisus Batavus, continens plus centum plantas, affabre aere incisas et descriptionibus illustratas. (Amsterdam). Online op Real Jardín Botánico Madrid. (zie deze pagina voor Sherards naam). en Musaeum Zeylanicum van dezelfde auteur, (1717). Musaeum Zeylanicum, sive catalogus plantarum in Zeylana sponte nascentium observatarum et descriptarum Hermannus, Paulus (Leiden). en financierde hij werken van andere botanici. Hij had een zeer uitgebreide correspondentie met alle bekende botanici uit zijn tijd. Uit het geld van zijn nalatenschap werd, in overeenstemming met zijn testament, een fonds geschapen waaruit de Sherardian Chair of Botany, een leerstoel in de botanie aan de Universiteit van Oxford werd bekostigd.
Biografie William was de oudste zoon van George Sherwood (of Sherard) en zijn tweede vrouw Mary. Hij had in elk geval nog een jongere broer, James (1666–1738). Hij kreeg zijn schoolopleiding op Merchant Taylors' School, in Londen. Op 11 juni 1677 werd hij aangenomen aan St John's College, Oxford. Op 11 december 1683 haalde hij zijn B.C.L. (Bachelor of Civil Law). Hij werd een "fellow of St John's College", waarschijnlijk al vóór hij zijn B.C.L. haalde maar de datum staat niet in de boeken. (1874). A sketch of the life of William Sherard. Journal of Botany, British and Foreign 12: 129–138. Op 23 juni 1694 haalde hij zijn D.C.L. (Doctor of Civil Law). Hij was dus in eerste instantie opgeleid als jurist.
Van St John's College kreeg hij op de dag dat hij zijn B.C.L. haalde toestemming om voor een periode van vijf jaar afwezig te zijn en overzeese reizen te maken, zonder zijn fellowship te verliezen. Die toestemming kreeg hij later nog twee keer. Intussen studeerde hij van 1686 tot 1688 botanie in Parijs, bij Joseph Pitton de Tournefort. In de zomer van 1688 verbleef hij enige tijd in Leiden, bij Paul Hermann, die hij in Parijs bij Tournefort had leren kennen. In 1689 reisde hij naar Genève, Rome en Napels, waar hij de flora bestudeerde, wat hij ook dichter bij huis deed, in Cornwall en Jersey. De lijst van planten die hij van die laatste twee locaties opstelde werd door John Ray overgenomen in zijn Synopsis methodica Stirpium Britannicarum (1690), (1690). Synopsis methodica Stirpium Britannicarum (Londen). Derde druk (1724) online op Real Jardín Botánico Madrid. de lijst met vermeldenswaardige planten uit het buitenland nam Ray op in Stirpium Europaearum Sylloge (1694). (1694). Stirpium Europaearum extra britannias nascentium sylloge (Londen). Online op Real Jardín Botánico Madrid. In de zomer van 1690 vertrok Sherard naar Ierland als tutor van de dan negentien jaar oude Sir Arthur Rawdon (1670–1695), en verbleef tot de lente van 1694 in Moira, County Down. Later in 1694 maakte hij een reis naar het vasteland van Europa als tutor van Charles, burggraaf Townsend. Van midden 1695 tot december 1699 reisde hij door Frankrijk en Italië als tutor van Wriothesley (1680–1711), oudste zoon van William, Lord Russell.William, Lord Russel (1639–1683). Brits parlementslid, koos de zijde van de protestanten die tegen de opvolging van Charles II door de katholieke James II waren en maakte deel uit van een complot tegen de koning. Hij werd daarvoor op 21 juli 1683 onthoofd.De hier geciteerde biografieën van Jackson en Woodward verhalen beide over een reis van zo'n vier jaar. Jackson vermeldt dat de reis begon onmiddellijk na het huwelijk, op veertienjarige leeftijd, van Wriothesley, die op 13 juni 1695 "Baron Howland" werd. Jackson citeert ook een brief van Sherard uit Rome van de zomer van 1699, waarin hij zich beklaagde over de aandacht die Wriothesley kreeg, waardoor het voor hem moeilijk was om de bezoeken af te leggen die hij voor zichzelf wenste. Jackson meldt echter ook dat Sherard op het moment dat de reis een aanvang zou moeten hebben genomen, dus kort na het huwelijk, dat plaatshad op 32 mei 1695, al enige tijd in Den Haag was, vanwaaruit hij brieven schreef. Als hij Wriothesley bijna vier jaar heeft begeleid, dan niet meteen vanaf diens vertrek. Bronnen The Peerage p. 1002 en p. 1017, geven een afwijkende versie van het verhaal, waarbij niet Wriothesley maar zijn grootvader de titel "Baron Howland" kreeg, en verder dat Wriothesley zich op 13 mei 1696 inschreef op Magdalen College in Oxford, en dat hij rond 1698 opdracht gaf voor een groot constructiewerk. Hoewel hij dat laatste niet ter plekke heeft hoeven doen, lijkt het erop dat hij niet vier jaar onafgebroken met Sherard op het continent is geweest. Uit de door Jackson geciteerde brieven blijkt dat Sherard zelf wél al die tijd op het vasteland van Europa was. Tijdens die reis ontstond het idee voor een voortzetting van de Pinax van Gaspard Bauhin. (1623). Pinax theatri botanici (Basel). De Pinax was weliswaar een uitgebreid werk maar Sherard kwam door het vele reizen ook veel planten tegen die niet in dat standaardwerk stonden. De rest van zijn leven bleef hij aan dat project werken.
In 1700 ging Sherard naar Badminton, South Gloucestershire, als tutor van Henry, tweede hertog van Beaufort (1684–1714). Hij bleef daar twee jaar, totdat zijn pupil 18 jaar geworden was. In die periode assisteerde hij ook John Ray bij het corrigeren van zijn manuscripten voor het laatste deel van de Historia Plantarum, waaraan hij "meer dan duizend planten" bijdroeg.Volgens Jackson (1874) bewaart het Botanical Department van het British Museum een deel van de manuscripten van Ray, waarin de toevoegingen in Sherards handschrift te zien zijn.
In juni 1702 werd hij, geholpen door vrienden, benoemd tot "Commissaris voor de zieken en gewonden en voor de uitwisseling van gevangenen", tegen een jaarlijkse vergoeding van 300 pond. Het volgende jaar werd hij echter consul in Smyrna (het huidige İzmir), en hij vertrok in juli naar die stad.In de biografie in Dictionary of National Biography lezen we dat hij "consul for the Turkisch Company" werd, wat suggereert dat hij ging werken voor een bedrijf waarvan de naam "Turkish Company" is. Die 14 jaar in Smyrna legden hem geen windeieren want hij kwam als zeer gefortuneerd man terug. Wegens zijn blijvende afwezigheid werd zijn fellowship van St John's College in 1703 vervallen verklaard. In Smyrna hield hij zich bezig met oudheidkundig onderzoek en met botanie. Hij maakte verschillende reizen in Klein-Azië. In 1711 kocht hij een landhuis in Sedi-Keui (Seyde Köy, Gaziemir), een kilometer of tien van Smyrna. In hetzelfde jaar maakte hij een botanische excursie naar Halicarnassus. Hij verliet Smyrna eind 1716 of vroeg in het volgende jaar en keerde tegen Kerstmis 1717 terug in Londen. Dat hij er zo lang over deed kwam door een uitbraak van een niet nader gespecificeerde ziekte aan boord van het schip waarmee hij reisde, waardoor hij enige tijd in quarantaine doorbracht in Livorno. Van daar reisde hij over land verder, via Parijs in september, en Holland.
In 1718 werd hij als lid in de Royal Society gekozen. In Engeland werkte hij voornamelijk aan het ordenen van zijn collecties. In 1721, 1723 en 1727 maakte hij nog excursies naar het continent, waarbij hij onder anderen Herman Boerhaave in Leiden bezocht. In 1721 bezocht hij Vaillant in Parijs, die zijn einde voelde naderen en vreesde dat het boek over de flora van Parijs, waaraan hij 36 jaar had gewerkt, nooit zou uitkomen. Sherard haalde Boerhaave over om het manuscript en de platen van AubrietClaude Aubriet (1665–1742), beroemde botanische tekenaar en schilder, die onder andere van 1700 tot 1702 Tournefort had vergezeld op zijn reis naar Klein-Azië. te kopen teneinde het werk tot een goed eind te brengen. In datzelfde jaar haalde hij Johann Jacob Dillenius naar Engeland, met de bedoeling dat die hem zou assisteren bij het schrijven van de nieuwe Pinax. In 1723 assisteerde hij Boerhaave in Leiden bij het drukklaar maken van Vaillants werk.
Intussen had zijn broer James fortuin gemaakt als apotheker en besloten te gaan rentenieren. Hij kocht een huis met tuin in Eltham, Kent, en begon daar, geholpen door adviezen van zijn broer, in het begin nog vanuit Smyrna, een plantencollectie aan te leggen. De tuin van Eltham stak spoedig de Koninklijke Tuin van Parijs naar de kroon. De collectie groeide zo uitbundig dat er later zelfs vrijelijk planten werden uitgedeeld aan de hortus in Leiden en andere openbare instellingen. Als Dillenius zich niet met de Pinax bezighield, beschreef en tekende hij de collectie in de tuin van James.
William Sherard overleed op 11 augustus 1728 in Londen, en werd begraven in Eltham, waar zijn broer James een huis had. Hij liet 3000 pond na aan de Universiteit van Oxford als stichtingsfonds voor een leerstoel in de botanie. De eerste hoogleraar die de stoel bekleedde was in overeenstemming met Sherards testament Johann Jacob Dillenius.Na Dillenius' dood was Humphrey Sibthorp (1713–1797) de tweede "Sherardian Professor". Hij maakte zich onsterfelijk door in de 37 jaar dat hij de stoel bekleedde slechts één cursus te geven. Sherard liet ook zijn collectie tekeningen, zijn herbarium en het manuscript van de Pinax na aan de Universiteit van Oxford, en zijn hele bibliotheek, 600 banden.Ter vergelijking: de bibliotheek van George Clifford, waarvan Linnaeus een catalogus opnam in de Hortus Cliffortianus, telde 295 werken en gold voor die tijd als een behoorlijk complete botanische bibliotheek.
Werk thumb|Titelpagina van Hortus Elthamensis Sherard had een voor zijn tijd uitgebreide kennis van de botanie, met inbegrip van de cryptogamen. Hij had bij zijn werk in Smyrna aardig fortuin gemaakt en steunde vele minder gefortuneerde wetenschappers. Hij onderhield een uitgebreide correspondentie met veel van zijn vakgenoten en stond bij hen in hoog aanzien. Sherard financierde werken van Paolo Boccone, Sébastien Vaillant, Giulio Pontedera en Pier Antonio Micheli. Hij werkte samen met John Ray, Johann Jacob Dillenius, Joseph Pitton de Tournefort, Paul Hermann, Herman Boerhaave en Mark Catesby. Hij bevond zich in het centrum van het botanisch onderzoek van zijn tijd, in een periode waarin de contouren van de taxonomie werden bepaald. Hij heeft mede vormgegeven aan de werken waarop Linnaeus bijna een halve eeuw later het invloedrijke taxonomische werk Species plantarum baseerde. Maar waar hij zo veel deed om anderen te helpen hun werk gepubliceerd te krijgen, heeft hij zelf maar weinig geschreven. Naast een aantal artikelen in de Philosophical Transactions van de Royal Society, is zijn enige werk onder eigen naam (zij het initialen):