De Tank, Cruiser, Challenger, A30, beter bekend als de Cruiser Mk VIII Challenger, was een Britse tank uit de Tweede Wereldoorlog. Het voertuig had een zeer krachtig Ordnance QF 17-pounder kanon van het kaliber 76,2 mm, gemonteerd in een speciaal ontworpen grote toren die op het chassis van de Cruiser Cromwell geplaatst was. Het doel van de tank was de antitankondersteuning, onder andere aan cruiser tank-eenheden.
Het ontwerp van zo'n tank was al bevolen in 1941. De ontwikkeling liep ernstige vertraging op wegens de technische moeilijkheden die verbonden waren aan het combineren van een brede toren met de smalle romp van de Cromwell. De productie begon in maart 1944 en liep door tot in 1945. Al in november 1943 was besloten maximaal tweehonderd stuks te bouwen. Het 17-ponder kanon kon namelijk ook worden geplaatst in de toren van de M4 Sherman, de standaardtank van de westelijke geallieerden.
In juli 1944 ontvingen de eenheden aan het front in Frankrijk hun eerste Challengers. Wegens allerlei kinderziekten moesten de tanks vaak teruggeroepen en omgebouwd worden. De inzet bleef beperkt tot enkele pantserdivisies, van het Verenigd Koninkrijk en Polen, die ieder over een vijftiental Challengers beschikten om lichter bewapende tanks te ondersteunen. Het type heeft zo geen belangrijke rol gespeeld in de gevechten.
Na de oorlog dankte het Britse leger de Challenger snel af. Tsjecho-Slowakije nam echter tweeëntwintig voertuigen over die men tot 1951 bleef gebruiken. De laatste vrijwel complete Challenger wordt tentoongesteld door het Oorlogsmuseum Overloon.
Ontwikkeling Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakten de Britten in hun ontwerpen een onderscheid tussen cavalerietanks en infanterietanks. In beide categorieën liepen de Britse tanks in hun bewapening achter op de Duitsers. In 1941 werd dat pijnlijk duidelijk door zware verliezen in slagen tegen het Afrikakorps. Het Britse opperbevel verzocht de Tank Board, de institutie die de tankontwikkeling reguleerde, voertuigen te ontwikkelen met kanonnen die een groot kaliber met een hoge aanvangssnelheid combineerden zodat Duitse tanks op een grote afstand konden worden uitgeschakeld. Voor de infanterie zette men een project op waarbij een 76,2 mm luchtafweergeschut in de romp van een Churchilltank werd geplaatst. Dit leidde niet tot productie.
Gelijktijdig werd in 1941 door de cavalerie het A 29-project opgestart, de "Clan", dat een voertuig moest opleveren, als doorontwikkeling van de eerdere lijn van cruiser tanks, dat bewapend was met het krachtige 17-ponder kanon. Tegelijkertijd moest het zwaar genoeg bepantserd zijn om immuun te zijn voor Duitse tankkanonnen. De eerste opzet ging al uit van een gewicht van vijfenveertig ton en al snel bleek dat het eindontwerp nog zwaarder zou uitvallen. Daarom stelde men dat in januari 1942 bij tot vijfendertig ton, de eis van zware bepantsering vallen latend, en het nieuwe project kreeg de aanduiding A 30. De Birmingham Railway Carriage and Wagon Company kreeg, onder begeleiding van ingenieur "Roy" Robotham, opdracht op basis van de A 27 Cromwell, waarvan men al de producent was, een prototype te ontwikkelen. Het bedrijf Stothert & Pitt moest de toren ontwerpen, gebaseerd op hun eerdere ontwerp voor de TOG 2. William Arthur Robotham was afkomstig van Rolls-Royce en had ervoor gezorgd dat de krachtige V12 Merlin-motor in de Cromwell ingebouwd werd. Een lid van de Tank Board, nam hij het nu op zich de productie van de A 30 te coördineren, die de naam "Challenger" kreeg. Alle cruiser tanks hadden namen die begonnen met een C. left|thumb|De Challenger had een hoog profiel Met de constructie van de eerste twee prototypen van de Challenger werd al begonnen in mei 1942. Het eerste werd op 13 augustus 1942 afgeleverd en getest door het leger. Hieruit kwam een aantal zwakten van het ontwerp naar voren. Het gewicht lag drie ton hoger dan de Cromwell, wat de ophanging te zwaar bleek te belasten. De bepantsering werd daarom verminderd. De kanonwieg was ook al te zwaar belast en de toren kon niet snel genoeg gedraaid worden zodat een sterkere Metadyne elektromotor geïnstalleerd moest worden. De munitievoorraad was te gering en men liet daarom het rompmachinegeweer weg om meer ruimte te scheppen. Uit de test bleek dat de tank met gemak het pantser van de Duitse Panzerkampfwagen IV op grote afstand kon doorslaan, maar dat het type wegens het zwakke eigen pantser en de trage vuursnelheid van het kanon kwetsbaar zou zijn in een tankduel. Ondertussen was de Duitse Tiger I verschenen en de Challenger was daar duidelijk geen evenwaardige tegenstander van.
Het tweede prototype, waarin de gevraagde aanpassingen verwerkt waren, werd geleverd op 21 januari 1943 en weer volgde een ronde aan beproevingen. Er was grote twijfel of het project wel doorgang moest vinden. Het combineren van een groot kanon met het chassis van de Cromwell, de grootste cruiser die beschikbaar was, was niet mogelijk gebleken zonder allerlei tekortkomingen te accepteren en storingsgevoelige technische vernieuwingen te introduceren. In februari 1943 werd desalniettemin een order geplaatst voor tweehonderd exemplaren. Men wilde per se over een voertuig met een 17-ponder kanon kunnen beschikken want zo'n krachtig wapen was hard nodig om de nieuwere generaties Duitse tanks partij te kunnen geven. In mei 1943 deed men nog een uiterste poging om of een nieuw 75 mm Lang 50 kanon of de 17-ponder in de normale Cromwelltoren in te bouwen maar dat bleek geheel onpraktisch. In november 1943 werd gemeld dat er geen vervolgorders voor de Challenger zouden komen: men zou de 17-ponder in de M4 Sherman gaan installeren, van welke versie er 1783 geproduceerd werden. Tegelijkertijd werd toen het A 40-project beëindigd, ofwel de Challenger Stage II, een plan om de Challenger van zwaardere bepantsering te voorzien wat het gewicht had doen oplopen tot zesendertig ton.
De productie van de Challenger begon pas in maart 1944, na talloze opstartmoeilijkheden. Dat jaar werden er 145 geleverd, en nog eens 52 tot april 1945 voor een totaal van 197: de order van tweehonderd omvatte ook drie prototypen. Er werd ook prioriteit gegeven aan de fabricage van de normale Cromwell. De bekende maandtotalen zijn acht in maart 1944, twaalf in april, elf in mei, drie in juni, twaalf in juli, tweeëntwintig in augustus en september, negentien in oktober, twintig in november, zestien in december, veertien in januari 1945 en dertien in februari.
Gedurende de productie werden enkele verbeteringen aangebracht. De order was verdeeld in twee series van veertig en honderdzestig stuks. De eerste serie had een kanonmantel met een dikte van veertig millimeter; bij de tweede werd dit vergroot tot 102 millimeter. Het was gebleken dat de voorste pantserplaat aan weerszijden van de kanonmantel gevoelig was voor doorslag door het standaard 75 mm kanon dat veel Duitse voertuigen bezaten. De veldwerkplaatsen lasten daarop extra platen van 25 millimeter dikte op de kwetsbare segmenten. Bij de laatste honderd geproduceerde voertuigen werd het hoofdpantser op die plekken in gelijke mate verdikt.
Beschrijving thumb|De eerste productieversie met klein geleidewiel In beginsel leek de Challenger veel op de Cromwell. De voorkant van de romp en de aandrijving waren vrijwel identiek. Doordat er een groter kanon op de Challenger zat dan op de Cromwell en er ook een tweede lader was, moesten de toren en de romp in vergelijking groter zijn. De toren, overigens van een geheel nieuw ontwerp met gekromde gewalst stalen segmenten, was veertig percent hoger, een voertuighoogte van 2775 millimeter scheppend. De tank was langer en er werd een extra, zesde, loopwiel toegevoegd. Doordat de tank door deze aanpassing zwaarder werd, moest de bepantsering dunner worden. Het pantser aan de voorzijde van de toren werd gereduceerd tot 63 mm en aan de zijkanten tot 40 mm. Voor de Cromwell waren de overeenkomende dikten respectievelijk 75 en 60 mm. Bij later geproduceerde voertuigen werd de pantserdikte weer opgevoerd. Het machinegeweer in de romp werd verwijderd om meer ruimte te scheppen voor de munitievoorraad van 48 granaten voor het kanon. Hierdoor hield de tank nog één machinegeweer over, coaxiaal aan het kanon aan de rechterzijde. De bemanning bestond uit vijf personen: commandant, bestuurder, richter en twee laders, waarvan vier in de toren. De chauffeur zat aan de rechterzijde, achter een rond luik. left|thumb|De commandant kon alleen het doel observeren door de romp uit de koepel te steken Bij proefnemingen was gebleken dat de torenring van de Cromwell met een diameter van zevenenvijftig duim net te weinig ruimte bood voor het zwaardere 17-ponder kanon. In een eerste opzet hoopte Stothert & Pitt dit te omzeilen door in een hogere toren het hele kanon boven het rompniveau te heffen. Dat zou echter de elevatie sterk beperken en het leger eiste dat het kanon onder een hoek van minstens 18° geheven kon worden. Hierop werd besloten de diameter van de opening te vergroten. Men verbreedde het bovenstuk van de romp met zes duim. Een extra vier duim werd gewonnen door de torenring waarop de koepel draaide maar helemaal weg te laten. In plaats daarvan rustte de hele toren op een centrale kogellager op de bodem, een unieke constructie. Dat schiep echter het gevaar dat de toren zich door de hefboomwerking vanwege het lange kanon en het eveneens lange achtergedeelte klem zou zetten op de kogellager. De toren is onmiddellijk herkenbaar aan de interne kanonmantel, eerst veertig, toen 102 millimeter dik. Daar werd voor gekozen om het gewicht zo dicht mogelijk op het draaipunt te leggen. Een ander risico was dat, vooral omdat de toren iets kon kantelen op de kogellager, granaatscherven of kogels tussen de toren en de romp klemvast zouden komen te zitten. Semi-automatische krikken waren ingebouwd om de toren indien nodig te heffen zodat die verwijderd konden worden. Om dit risico verder te verminderen werd er aan de voorkant van de toren een pantserkraag op de romp aangebracht. In de onderste achterzijde van de toren kon een luik geopend worden om de hulzen van de drijflading uit te werpen.