Haplocheirus is een geslacht van theropode dinosauriërs behorend tot de groep van de Coelurosauria, dat tijdens het late Jura leefde in het gebied van het huidige China.
Naamgeving De typesoort Haplocheirus sollers is in 2010 beschreven en benoemd door Jonah Nathaniel Choiniere, Xu Xing, James M. Clark, Catherine A. Forster, Guo Yu en Han Fenglu. De geslachtsnaam betekent "enkelvoudige hand" in het Klassiek Grieks, een verwijzing naar de relatief simpele bouw van de hand in vergelijking met de meer directe verwanten van het dier. De soortaanduiding betekent "handig" in het Latijn, een verwijzing naar het feit dat juist vanwege die simpele bouw de hand niet sterk gespecialiseerd was en dus tot meer functies in staat.
Vondst Het fossiel, holotype IVPPV 15988, is in 2004 opgegraven in de Shishugouformatie, aardlagen in het Junggarbasin, die stammen uit het Oxfordien en gedateerd zijn tussen de 161,2 en 158,7 miljoen jaar geleden. Het bestaat uit een tamelijk compleet en in verband liggend skelet waarvan alleen de atlas, delen van de onderarm, het bovenprofiel van de darmbeenderen en het uiteinde van de staart na de veertiende staartwervel ontbreken en dat niet sterk platgedrukt is. Het betreft een jongvolwassen individu.
In 2014 werden schedel en onderkaken na verdere preparering in detail beschreven.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken Haplocheirus is een vrij klein dier. De beschrijvers hebben via twee al bestaande extrapolatiemethoden de totale lengte proberen vast te stellen, die door het ontbreken van de staart niet direct vastgesteld kan worden. De resulterende schattingen liepen niet sterk uiteen en bedroegen 1,9 en 2,3 meter. Een enkelvoudige schatting van het gewicht bedroeg 10,56 kilogram. Haplocheirus is daarmee de grootste alvarezsauroïde die van goede resten bekend is. left|thumb|Haplocheirus in grootte vergeleken met een mens In 2014 werd een herziene lijst van onderscheidende kenmerken aangegeven. Twee daarvan zijn unieke autapomorfieën die verder niet ion de Theropoda voorkomen. De onderranden van de processus paroccipitales van het achterhoofd zijn naar achteren gedraaid. Het derde middenhandsbeen heeft maar de helft van de lengte van het tweede middenhandsbeen. Bij dit laatste kenmerk moet bedacht worden dat in de oorspronkelijke beschrijving uitgegaan werd van het minderheidsstandpunt dat de hand van Coelurosauria de tweede tot en met vierde vinger bewaard heeft zodat daar het derde middenhandsbeen het vierde heet en het tweede het derde.
Daarnaast is er een aantal kenmerken die verder niet van de Alvarezsauroidea bekend zijn maar ook afwijken van de vermoedelijke voorouderlijke toestand. De achterste tak van het bovenkaaksbeen is naar boven verbreed. De vierde tand van het dentarium van de onderkaak is afwijkend vergroot. De voorste kaakrand van het dentarium is bol. De maxillaire en dentaire tanden hebben kartelingen op de achterrand.
Bij de oorspronkelijke beschrijving uit 2010 gaf men nog een onderscheidend kenmerk aan: het bezit van een secundair zijvenster in de onderkaak, schuin voor en boven het normale venster. Bij nader inzien bleek dat te berusten op een beschadiging van het fossiel.
Skelet Schedel thumb|upright=1.7|De schedel van het holotype De schedel, met een lengte van 212,8 millimeter, is laag en zeer langwerpig. De snuit is in bovenaanzicht zeer puntig, plots versmallend van een brede achterkant van de schedel uit en met holle zijkanten. Dit zorgt ervoor dat de oogkassen iets naar voren gericht zijn. De snuit is bij het holotype in zijaanzicht ook iets naar boven gekromd en heeft een opvallend hol bovenprofiel. De uitholling rond de fenestra antorbitalis is groot en loopt ver naar voren door, tot over het neusbeen en over bijna de volle lengte van het bovenkaaksbeen. Er is een forse tongvormige fenestra maxillaris met een rechte achterkant, met dezelfde hoogte als de voorkant van de fenestra antorbitalis en daarvan gescheiden door een lage verticale beenbalk. Het raakt de voorkant van de uitholling niet en is op ongeveer de middelste hoogte daarvan gelegen. Weer daarvoor bevindt zich een verticale spleetvormige fenestra promaxillaris, in zijaanzicht bedekt door de buitenwand van het bovenkaaksbeen. Het neusgat is groot, langwerpig, eirond met de brede kant naar voren gericht en bijna horizontaal gelegen. De bovenste slaapvensters lopen over de achterste takken van de voorhoofdsbeenderen door en zijn slechts gescheiden door een dunne middenkam. Ze zijn halfcirkelvormig met een rechte buitenzijde en een gebogen binnenzijde. Het onderste slaapvenster is hoog en smal, van achteren iets ingesnoerd ter hoogte van het raakvlak tussen het squamosum en het quadratojugale.
In bovenaanzicht is de snuitpunt U-vormig. De praemaxilla, het voorste bot van de snuit, is kort met het profiel van een staande rechthoek waarvan het grootste deel nog vóór het neusgat is gelegen. Door beschadigingen is de precieze vorm van de opgaande tak en de tak onder het neusgat onduidelijk. Vermoedelijk reikte die laatste tak niet tot aan het neusbeen, zodat het bovenkaaksbeen een bijdrage leverde aan de onderrand. De uitholling rond het neusgat loopt naar voren ver over de opgaande tak door en loopt naar beneden uit in een groeve net als bij sommige Tyrannosauroidea zoals Guanlong. Onder het neusgat ligt een foramen op de beennaad tussen de praemaxilla en het bovenkaaksbeen. Het bovenkaaksbeen heeft een korte voorste tak. De opgaande tak vormt over het achterste twee derde deel geen onderdeel van het schedeldak en de beennaad met het neusbeen is daar dus in zijaanzicht zichtbaar. De opgaande tak is achteraan gevorkt waarbij de ongeveer één centimeter lange "tanden" als dunne taps toelopende beenplaatjes de voorste tak van het traanbeen omvatten. Een ondiepe afgeronde pneumatische groeve ligt op de buitenzijde van de onderste vorktand, onder een rij pneumatische uithollingen op de naad tussen het bovenkaaksbeen en het traanbeen. De binnenzijde van de opgaande tak heeft meer vooraan twee boven elkaar gelegen uithollingen, ter hoogte van de balk tussen de fenestra maxillaris en de fenestra antorbitalis. De bovenste uitholling loopt naar achteren over in een depressie op de binnenzijde van de voorste tak van het traanbeen. Vooraan vormen korte interne vleugels de bodem van de neusholte. De balk tussen de fenestra maxillaris en de fenestra antorbitalis heeft op de achterzijde een opening, de fenestra posterioris antri maxillaris, die een verbinding vormt tussen beide vensters. Over de dunne tak naar het jukbeen loopt een horizontale richel. Vooraan bevindt zich daaronder in een ondiepe groeve een reeks ovale aderkanalen die groter zijn dan gebruikelijk en waarvan in 2014 vermoed is dat ze gepneumatiseerd zijn. De groeve doet de tandrij inspringen ten opzichte van de kaakrand, vooral in het midden. Interne vleugels ontspruitend aan de achterste takken vormen een secundair verhemelte. Op het raakvlak met de neergaande tak van het traanbeen, is het bovenkaaksbeen naar boven verdikt, wat verder in de Alvarezsauroidea niet voorkomt. Dit dringt het jukbeen van de rand van de fenestra antorbitalis. De neusbeenderen zijn samen overdwars licht bol. Hun bovenvlak is glad. Vlak achter het raakvlak met de praemaxilla heeft het neusbeen de bij theropoden gebruikelijke drie kleine foramina. Boven de fenestra antorbitalis liggen achter elkaar drie langwerpige ovale horizontale pneumatische uithollingen die echter niet uitlopen in interne holten. De beennaad met het bovenkaaksbeen ligt geheel in de uitholling boven de fenestra antorbitalis. Achteraan is er een overdwars recht raakvlak met de voorkant van het voorhoofdsbeen waarbij dat laatste overlapt wordt. De vrij rechte neergaande tak van het traanbeen vormt de volle voorrand van de oogkas. De voorste tak is zeer lang en taps toelopend. Intern reikt deze tak nog verder dan extern, tot aan de balk tussen de fenestra maxillaris en de fenestra antorbitalis, en heeft helemaal vooraan de binnenkant een eironde luchtholte die naar achteren en bezijden insteekt. Een achterste tak ontbreekt vrijwel, evenals een hoorntje dat Shuvuuia wel bezit.
Het prefrontale is een klein slank driehoekig element met de punt naar achteren gericht. Het vormt een gedeelte van de voorste bovenhoek van de oogkas, het traanbeen van het voorhoofdsbeen scheidend. Aan de onderrand van dat gedeelte bevindt zich een ondiepe groeve. De onderzijde van het prefrontale heeft een lage richel lopen langs het rechte raakvlak met het voorhoofdsbeen. Vooraan is er een uitholling als contact met het traanbeen. Het holotype is opvallend door het aan beide zijden bewaren van de scleraalringen in de oogkassen, de beenplaatjes die de oogbollen ondersteunden. De plaatjes daarvan waren oorspronkelijk als een complete en verbonden rij bewaard, slechts iets vervormd door de fossilisering. Daarna zijn ze echter beschadigd geraakt. De ringen bestaan uit ongeveer twintig overlappende plaatjes. De plaatjes zijn ovaal en naar binnen gebogen zodat de buitenzijde hol is en de binnenzijde bol. De binnenste doorsnede van de ring, waardoorheen vermoedelijk slechts de iris zichtbaar was, is drieëndertig millimeter, gelijk aan 76% van de doorsnede van de oogkas als geheel, en de buitenste doorsnede negenendertig millimeter. Het grootste deel van de achterrand van de oogkas wordt gevormd door de neergaande en de overdwars dunne voorste tak van het postorbitale, welke laatste boven de achterste tak uit kromt. Intern is er op de voorste tak een klein hol raakvlak met het laterosfenoïde van de hersenpan. De achterste tak is kort, laag en bol naar boven gekromd. De neergaande tak richting jukbeen is driehoekig in dwarsdoorsnede.