Het arrest Depex/Bergel (HR 15 november 1991, NJ 1993/316) is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad dat betrekking heeft op eigendomsvoorbehoud en natrekking naar verkeersopvatting van apparaten door een onroerende hoofdzaak.
Samenvatting In 1987 is onder eigendomsvoorbehoud een waterdestillatie-unit met bijbehorende apparatuur aan Bergel geleverd ten behoeve van een farmaceutische productie-inrichting. Depex is nog niet betaald als in 1988 surseance wordt verleend. Het eigendomsvoorbehoud wordt erkend, maar de bewindvoerder weigert mee te werken aan afgifte van de apparatuur. In kort geding vordert Depex afgifte van de door haar geleverde apparatuur. Wordt het eigendomsvoorbehoud van Depex doorbroken door natrekking van de installatie door het fabrieksgebouw? De Hoge Raad geeft een maatstaf voor natrekking door verkeersopvattingen, om deze vraag te beslissen. De Hoge Raad wijst op gebreken in de motivering van het hof, omdat niet duidelijk is wat met het woord "fabriek" wordt bedoeld.
Casus Depex heeft in 1987 onder eigendomsvoorbehoud een waterdestillatie-unit met bijbehorende apparatuur aan Bergel geleverd ten behoeve van een farmaceutische productie-inrichting. De apparatuur is geplaatst en in gebruik genomen in een fabrieksgebouw van Bergel. In april 1988 is surseance van betaling verleend en in oktober 1988 (tijdens het hoger beroep) is Bergel failliet verklaard. Omdat een rekening van f 126.000 nog niet is betaald, wil Depex in mei 1988 de waterdestillatie-unit cum annexis terugnemen. Bergel en de bewindvoerder hebben geweigerd om de apparatuur terug te geven.
thumb|Zakjes met infuusvloeistof
Rechtsvraag Wordt het eigendomsvoorbehoud van Depex doorbroken door natrekking van de installatie door het fabrieksgebouw? Is de waterdestillatie-unit cum annexis te beschouwen als bestanddeel van het fabrieksgebouw van Bergel?
Procesgang Betrokkenen: Dépex BV Bergel Manufacturing NV de bewindvoerder tijdens de surseance de (twee) curatoren in het faillissement drie schuldeisers met een hypotheekrecht als onderpand.
De vordering van Depex is door de president in kort geding afgewezen. Dit vonnis is door het hof bekrachtigd. Beiden beslissen dat de betreffende apparatuur door natrekking onroerend is naar verkeersopvattingen. Het arrest van het hof is in cassatie vernietigd, terwijl het geding is doorverwezen naar een ander hof voor verdere behandeling.
President in kort geding In kort geding vordert Depex medewerking aan afgifte van de door haar geleverde apparatuur.
De president in kort geding overwoog:
Hof Het hof overwoog:
Hoge Raad De Hoge Raad wijst op gebreken in de motivering van het hof, omdat niet duidelijk is wat met het woord "fabriek" wordt bedoeld: het fabrieksgebouw of de farmaceutische productie-inrichting? Niet de productie-inrichting maar het fabrieksgebouw is de hoofdzaak als het gaat om (het beoordelen van) natrekking van de onderhavige apparatuur naar verkeersopvatting. Als het hof dat misschien anders heeft gezien, dan is dat een onjuiste rechtsopvatting. Dat een machine essentieel is voor het productieproces dat in een fabriek wordt uitgeoefend, is niet maatgevend.
De Hoge Raad geeft i.c. een maatstaf voor het beoordelen van natrekking naar verkeersopvatting(en). De Hoge Raad overwoog (r.o. 3.7):
Tot besluit Het arrest heeft betrekking op de situatie vóór invoering van het nieuw BW (1992). Natrekking naar verkeersopvatting was gevestigde jurisprudentie, welke intussen is gecodificeerd in artikel 3:4 lid 1 BW:
Zie ook 1936: arrest Sleepboot Egbertha (eigendomsvoorbehoud, natrekking, verkeersopvattingen) 1973: Arrest Nationaal Grondbezit/Kamphuis (eigendomsvoorbehoud, levering c.p.) 1992: Love Love-arrest (eigendomsvoorbehoud, natrekking door casco)
Depex/Bergel