De Big Five is een theorie die de persoonlijkheid beschrijft in een taxonomie van vijf algemene dimensies of clusters van persoonlijkheidstrekken die elk weer onder te verdelen zijn in specifiekere trekken of facetten die op hun beurt ook weer verder te nuanceren zijn. Deze facetten liggen daarbij ergens op de spectra van de persoonlijkheidstrekken. Hiermee onderscheidt de continue benadering van persoonlijkheidstrekken zich van de dichotome onderverdeling zoals gebruikelijk is bij persoonlijkheidstypes.

De huidige theorie is het eindresultaat van vele theoretische pogingen om menselijke persoonlijkheidstrekken te categoriseren. Bekende voorgangers van de Big Five waren onder meer de vier temperamenten van de oude Grieken, de 16-factortheorie van Raymond Bernard Cattell en de driedimensionale theorie van Hans Eysenck. De 16-factortheorie was echter volgens critici te overtollig en de driedimensionale theorie juist te simpel. Na veel studies in meerdere landen en talen kwamen onderzoekers uiteindelijk uit op vijf centrale persoonlijkheidstrekken die alle menselijke gedragseigenschappen zouden moeten omvatten. Elk van deze vijf is een dimensie waarbij het spectrum zich uitstrekt tussen twee tegengestelde extremen.

De theorie onderscheidt vijf dimensies van persoonlijkheidstrekken: Neuroticisme versus stabiliteit Extraversie versus introversie Openheid voor ervaring (ook intellect) versus geslotenheid Consciëntieusheid (zorgvuldigheid) versus laksheid Vriendelijkheid versus antagonisme

De vijf dimensies hebben niet noodzakelijk evenveel gewicht en reproduceerbaarheid. De drie factoren extraversion, agreeableness en conscientiousness zijn over het algemeen beter te reproduceren dan neuroticism en openness. (1996): The Five-factor Model of Personality. Theoretical Perspectives, Guilford Press

De Big Five is oorspronkelijk gebaseerd op een Amerikaans onderzoek naar het gebruik van alle bijvoeglijk naamwoorden waarmee proefpersonen het karakter van een bekende persoon beschreven. Later is dit onderzoek in verschillende, meest westerse, talen herhaald en ook met meer woordsoorten. De term werd in 1981 door Lewis Goldberg bedacht. (1981): 'Language and Individual Differences: The search for universals in personality lexicons' in (ed.) Review of Personality and Social Psychology, Volume 2, Sage, р. 141-165. Gearchiveerd op 4 april 2022.

De theorie van de Big Five is niet de eerste theorie die de persoonlijkheid uitdrukt in een bepaald aantal termen. Oorspronkelijk kwamen Amerikaanse onderzoekers uit op de vijf centrale persoonlijkheidstrekken die nu onder de naam Big Five bekend geworden zijn. Volgende onderzoeken in andere westerse talen, waaronder het Nederlands, bevestigden dit vijf-factoren-model. Elk van deze vijf trekken heeft extremen van heel sterk naar heel zwak aanwezig. De vijf trekken zijn dus de hoofdcategorieën van de kenmerken. Er zijn echter onderzoeken in sommige westerse talen zoals het Italiaans waar de vijf factoren niet goed naar voren komen. Ook in niet-westerse talen kan het best zijn dat mensen in andere hoofdcategorieën over persoonlijkheidstrekken denken. Dat wordt nog onderzocht.

Uit verschillende onderzoeken is overigens gebleken dat als mensen het karakter van hun huisdieren of paarden beschrijven er uit een statistische samenvattende analyse dezelfde vijf factoren komen.

Ook bij beoordelingen van kinderen door hun ouders of leraren zijn deze vijf factoren door de algoritmen duidelijk als onderliggende trekken tevoorschijn te halen. Dit manifesteert zich bij schoolgaande kinderen, niet bij beschrijvingen van heel jonge kinderen.

De vijf persoonlijkheidstrekken De vijf trekken zijn van een hoog en breed algemeen betekenisniveau. Daarom zijn aanduidingen met abstracte termen uit de psychologie, zoals extraversie of neuroticisme, beter dan aanduidingen met woorden die in de omgangstaal een specifiekere betekenis hebben, zoals tactvol. Er zijn vele varianten van de Big Five met elk eigen benamingen en verdere onderverdelingen.

De revised NEO personality inventory (NEO PI-R) is de gouden standaard om de vijf dimensies te bepalen.; ; (2007): 'Construct validation of a short five-factor model instrument: A self-peer study on the German adaptation of the Ten-Item Personality Inventory (TIPI-G)' in European Journal of Psychological Assessment, Volume 23, p. 166-175. Gearchiveerd op 3 december 2021. Daarbij staat NEO voor de domeinen neuroticism, extraversion en openness, waaraan agreeableness en conscientiousness werden toegevoegd. Door de lexicale achtergrond – gebaseerd op het voorkomen van woorden die betrekking hebben op persoonlijkheidstrekken – zijn die benamingen niet voor elke taal gelijk en brengt een directe vertaling risico met zich mee van gedeeltelijke begripsverandering. Er zijn dan ook verschillende vertalingen.

+NEO PI-R; ; (1999) Domeinen neuroticisme(emotionele stabiliteit) extraversie openheid(intellectuele autonomie) altruïsme(mildheid) consciëntieusheid(ordelijkheid) Facetten angst hartelijkheid fantasie vertrouwen doelmatigheid ergernis sociabiliteit esthetiek oprechtheid ordelijkheid depressie dominantie gevoelens zorgzaamheid betrouwbaarheid schaamte energie veranderingen inschikkelijkheid ambitie impulsiviteit avonturisme ideeën bescheidenheid zelfdiscipline kwetsbaarheid vrolijkheid waarden medeleven bedachtzaamheid Factoren IV I V II III

Theorievorming Het big-five-model (B5M) en het vijffactorenmodel (five-factor model, FFM) zijn vrijwel gelijke persoonlijkheidsmodellen, maar kennen een aparte ontstaansgeschiedenis, een via de sedimentatiehypothese of lexicale hypothese en de andere via vragenlijsten. De lexicale hypothese is atheoretisch en beschrijvend, terwijl vragenlijsten ontworpen werden om theorieën als de behoeftetheorie van Murray te onderzoeken en een verklarende uitspraak pogen te bieden.

Verder geldt dat B5M is opgezet als taxonomie van fenotypische eigenschappen van persoonlijkheid zoals die zijn overgeleverd in taal, terwijl FFM is opgezet als model van de genotypische persoonlijkheidstrekken.

Er zijn vooral verschillen te zien tussen de benaderingen bij de vijfde factor, veelal intellect bij B5M en openness to experience bij FFM. In publicaties is de benadering veelal te herkennen aan de aanduiding van de factoren of domeinen met Romeinse cijfers bij B5M en met de enkele letters N, E, O, A en C bij FFM.

Lexicale hypothese Verschillende onderzoekers gingen te werk volgens de lexicale hypothese, ervan uitgaande dat alle belangrijke persoonlijkheidstrekken hun weerslag hebben op taal en dus te vinden zijn in een woordenboek of lexicon. Cattell zou daar later over zeggen: The position we shall adopt is a very direct one, verging on a pragmatic philosophy, and making only the one assumption that all aspects of human personality which are, or have been, of importance, interest, or utility have already become recorded in the substance of language. (1943): 'The description of personality: Basic traits resolved into clusters' in Journal of Abnormal and Social Psychology, Volume 38, Issue 4, p. 476–506

Francis Galton schatte dat er zo ongeveer duizend woorden te vinden zouden zijn. (1884): 'Measurement of Character' in Fortnightly Review, Volume 36, no. 212, p. 179-185 George E. Partridge kwam tot zo'n 750 termen. (1910): 'Partial list of terms in English which describe mental traits' in An Outline of Individual Study, Sturgis & Walton, p. 106–111 M.L. Perkins dacht tot zo'n 3000 termen te komen uit de ongeveer 400.000 woorden in Webster's New International Dictionary. (1926): 'The teaching of ideals and the development of the traits of character and personality' in Proceedings of the Oklahoma Academy of Science, Volume 6, Issue 2, p. 344–347 Louis Leon Thurstone was al in 1933 van 60 persoonlijkheidstrekken via factoranalyse tot 5 factoren gekomen: [...] we have a list of sixty adjectives that are in common use for describing people. These adjectives together with their synonyms were given to each of 1300 raters. Each rater was asked to think of a person whom he knew well and to underline every adjective that he might use in a conversational description of that person. [...] With 1300 such schedules we determined the tetrachoric correlation coefficient for every possible pair of traits. [...] The table of coefficients for the sixty personality traits was then analyzed by means of multiple factor methods and we found that five factors are sufficient to account for the coefficients. [...] It is of considerable psychological interest to know that the whole list of sixty adjectives can be accounted for by postulating only five independent common factors. It was of course to be expected that all of the sixty adjectives would not be independent, but we did not foresee that the list could be accounted for by as few as five factors. This fact leads us to surmise that the scientific description of personality may not be quite so hopelessly complex as it is sometimes thought to be. (1934): 'The Vectors of Mind. Address of the president before the American Psychological Association, Chicago meeting, September, 1933' in Psychological Review, Volume 41, p. 1-32

Ludwig Klages zag in 1910 een enorme opgave, gezien de bijna vierduizend woorden die het Duits telt voor de kenmerken van het innerlijke leven.: Es gehört eine wahre Hybris des Verstandes dazu, um angesichts der nahezu viertausend Wörter, die uns allein z. B. die deutsche Sprache zur Bezeichnung sowohl einfachster wie kompliziertester Vorgänge, Zustände und Eigenschaften des Innenlebens an die Hand gibt, die psychologische Nomenklatur erst — erfinden zu wollen! (1910): Prinzipien der Charakterologie, Johann Ambrosius Barth In 1933 publiceerde Franziska Baumgarten op basis van de suggestie van Klages een werk over de lexicale benadering met 1093 Duitse termen. (1933): Die Charaktereigenschaften. Beiträge zur Charakter- und Persönlichkeitsforschung, A. Francke

In Duitsland vond Baumgarten weinig navolging, maar zij beïnvloedde wel Gordon Allport en Henry S. Odbert die in de Webster's New International Dictionary 17.953 woorden vonden die betrekking hadden op persoonlijkheid of gedrag. Daarvan classificeerden zij er in de eerste kolom 4504 die werkelijke persoonlijkheidstrekken weergaven.; (1936): Trait-names. A psycho-lexical study, Psychological Review Company Allport maakte daarna onderscheid tussen kardinale, centrale en secondaire trekken. Kardinale trekken komen niet bij iedereen voor, maar als ze voorkomen zijn ze zeer dominant en bepalen ze in sterke mate het gedrag. Meestal zijn er echter meerdere trekken die de persoonlijkheid bepalen en dit zijn de centrale trekken. De secondaire trekken spelen een bijrol en vallen vaak alleen op voor diegenen die dichterbij staan. (1937): Personality. A Psychological Interpretation, Henry Holt, p. 337-338 Allport deed echter weinig onderzoek in hoeverre zijn onderverdeling werkelijk terug te vinden was.

De lijst van Allport was onpraktisch lang en Cattell deed diverse pogingen om deze terug te brengen. Allereerste voegde hij nog 100 termen uit de kolom van de tijdelijke gemoedstoestanden toe aan de 4504 termen. Met een student bracht hij de termen vervolgens onder in ongeveer 150 categorieën die als vrijwel synoniem beschouwd konden worden, waarbij termen gepaard werden met hun tegenpool. Naast bestaande termen gebruikte Cattell ook nieuwe technische termen die vooral betrekking hadden op psychose en neurose. Daarnaast voegde hij 10 categorieën voor speciale vaardigheden en 11 categorieën voor speciale belangen om zo tot 171 categorieën te komen. In enkele publicaties kwam hij tot 181 of 182 categorieën, maar meestal betrof het er 171.; ; (1988): 'The lexical approach to personality: A historical review of trait taxonomic research' in European Journal of Personality, Volume 2, Issue 3, p. 171-203