De Phaedo (Oudgrieks: Φαίδων Faídōn) is een van de dialogen van Plato. Hierin vertelt Phaedo aan Echekratès hoe de laatste dag van Socrates' leven (399 v. Chr.) verlopen is, met name het gesprek dat enkele vrienden met hem hadden.

De serene Phaedo is qua teneur de tegenhanger van het uitgelaten Symposium, dat een scène midden uit Socrates' leven beschrijft.The Phaedo and Symposium could not be further apart in mood, since the one shows Socrates discussing immortality with intimate friends in his last few hours on earth, and in the other we see him some seventeen years earlier, un-Socratically spruced up, at a celebration dinner-party where there are plenty of high spirits and conversation both philosophical and unphilosophical. W.K.C. Guthrie, A History of Greek Philosophy, dl. 4, blz. 324. Wilamowitz ziet in deze combinatie van het komische en tragische bij Plato iets was uns immer an Shakespeare erinnert (Platon I, blz. 321). De Phaedo vertoont specifiek pythagorische invloeden, reden waarom men aanneemt dat Plato dit werk geschreven heeft na zijn eerste reis naar Zuid-Italië en Sicilië (±390-385 v. Chr.), alwaar hij pythagorische filosofen als Archytas uit Tarente heeft ontmoet. De sterke nadruk op de scheiding tussen lichaam en ziel en het streven naar 'zuiverheid' in de vorm van een zo groot mogelijke onthechting van het lichaam, waarvan de dood de ultieme verwezenlijking is, zijn voorbeelden van deze invloed. De 'setting' van de dialoog is hiermee in overeenstemming: men bespreekt de onsterfelijkheid van de ziel in de Atheense gevangenis waar Socrates na zijn veroordeling naartoe is gebracht. Een ander gegeven voor de datering van deze rijke dialoog is de tamelijk expliciete verwijzing naar de Meno,In 73a-b wordt kort samengevat hoe iemand op eigen kracht een wiskundig probleem kon oplossen, een duidelijke verwijzing naar de in de Meno beschreven ontmoeting van een slaaf met Socrates. waaruit men kan opmaken dat de Phaedo na de Meno is geschreven.

Naast de uitvoerige discussie over de onsterfelijkheid van de ziel, bevat de Phaedo ook enkele beroemde intermezzo's, zoals dat over de 'misologen', en Socrates' intellectuele autobiografie, naast de klassieke uiteenzetting van de Ideeënleer.

Deelnemers aan het gesprek Phaedo uit Elis is merendeels als verteller aan het woord; zijn enige gesprekspartner is Echekratès, een verder onbekend pythagorisch filosoof. Tijdens de vertelling worden enkele van Socrates' intimi genoemd, met name zij die een rol spelen in het gesprek, zoals Simmias en Kebès. Expliciet wordt gezegd59b.: Plato, meen ik, was ziek, hetgeen moet verklaren waarom Plato er niet bij was. Men heeft wel aangenomen dat Plato dit heeft toegevoegd om aan te geven dat hij hier geen letterlijk verslag van de laatste dag van Socrates' leven geeft.Bijvoorbeeld Paul Friedländer, Plato, III, blz. 36: ... to justify the freedom of inventing the conversations according to his own design while giving an exact record of the situation itself.

Inhoud Inleiding (57a - 70b) De ware filosoof is iemand, die niet geeft om zaken als dure kleding e.d. De grote massa zegt van zo iemand dat hij nauwelijks leeft. Maar onze ziel functioneert het beste, wanneer ze niet gestoord wordt door invloeden afkomstig van het lichaam. Hiertoe rekent Plato ook hetgeen via de zintuigen tot ons komt.Althans hier in de Phaedo. Later, in de Theaetetus, zal hij het probleem van de waarneming uitgebreider beschouwen, en de ziel er een rol in toebedelen. Zaken als 'Het Schone', 'Het Rechtvaardige' etc. nemen wij niet waar middels de zintuigen, maar met de ziel. Voor de kennis van deze onzichtbare zaken zijn de filosofen het best toegerust, omdat zij degenen zijn die zich op hun zielenleven concentreren, en zich zo min mogelijk laten storen door hun lichaam bij hun 'denken', en wier ideaal het is met de ziel zelf de dingen zelf te aanschouwen, zoals Plato het noemt.66d. Feitelijk is de dood hetgeen waarnaar de filosoof streeft, want pas dan is de ziel volledig gescheiden van het lichaam (alle gesprekspartners zijn het er over eens dat de dood de scheiding van ziel en lichaam is).64c. Pas dan zullen we door ons zelf alleen kennen hetgeen zuiver is.67a. In die zin is het leven een voorbereiding op de dood,81a. al is zelfmoord niet iets wat de goden goedkeuren.62b. Hiermee heeft Plato het bovengenoemde 'verwijt' dat men de filosofen maakt, omgedraaid, en er een compliment van gemaakt. De filosoof zal de dood dus verwelkomen en niet vrezen. Socrates ziet de dood dan ook met vertrouwen tegemoet. Maar een van zijn vrienden, Kebès, werpt de vraag op of de ziel na de scheiding van het lichaam wel blijft voortbestaan. Socrates zal nu trachten zijn vrienden ervan te overtuigen dat de ziel onsterfelijk is.

Argumenten voor de onsterfelijkheid van de ziel Er wordt meer dan één argument gegeven. Plato was hierin niet uitzonderlijk: het geven van meerdere argumenten, in de aanname dat als het ene argument niet aanslaat, het andere dat misschien wel doet, was gebruikelijk in de klassieke filosofie.Zie bijvoorbeeld John Dillon: Proclus' Commentary on Plato's Parmenides, Introduction, blz. xlii: All Greek thinkers were prepared to throw bad arguments as well as good at a thesis in the hope that something would stick. It did not necessarily mean that they were persuaded by the arguments themselves. Wij zijn geneigd te zeggen dat één valide argument afdoende moet zijn, en dat het geven van nadere argumenten de stellingname eerder verzwakt dan versterkt. Daarnaast is een dergelijk procedé misschien wel geëigender om een levend gesprek na te bootsen. Verder is het goed er op te wijzen dat de ziel soms beschouwd wordt in haar cognitieve functie (bv. in het anamnese argument), en soms in haar functie van levensprincipe (zoals in het argument van de tegendelen).

thumb|400px|right|Jacques-Louis David: La mort de Socrate, 1787. Links is Plato afgebeeld, de rug naar Socrates toegekeerd.

De uit elkaar voortkomende tegendelen (70c - 72e) Als eerste gebruikt Socrates een analogie argument: alles ontstaat / komt voort uit zijn tegendeel. Als iemand wakker wordt, volgt zijn waken op een toestand van slapen, en vice versa. Wat samenkomt was voordien gescheiden, en andersom. Nu, als iemand dood gaat, volgt dat op een toestand van leven: zou hier dan niet ook een corresponderend tegendeel van bestaan? Overal in de natuur zijn deze tegendelen noodzakelijk: anders zou alles bv. samenklonteren en nooit meer loskomen van elkaar. Dus moet er ook een tegendeel van sterven bestaan, het weer tot leven komen. Was dit er niet, dan zou alles uitsterven. Dit 'weer tot leven komen' noemen wij 'geboren worden'. Uit het feit dat dit kan, blijkt dat de zielen blijven bestaan na afloop van onze dood, anders zouden ze niet weer terug kunnen keren bij de geboorte van een ander persoon.

De anamnese (72e - 77a) Dan zegt Kebès dat de anamnese ook een argument is voor het bestaan van de zielen vóór onze geboorte. Deze in de MenoIn de Meno dient de anamnese theorie ertoe om de mogelijkheid van menselijke 'kennis' aan te tonen. voor het eerst geformuleerde these gaat ervan uit, dat ons kennen in wezen een herinneren is van eerder bezeten kennis. Socrates legt dit verder uit, door er op te wijzen dat wij bij het zien van (bijvoorbeeld) gelijke dingen, herinnerd kunnen worden aan 'Het Gelijke op zich'. Hoe komen we hieraan? Deze kennis moet latent in ons aanwezig zijn; en die kennis kan onze ziel alleen hebben opgedaan vóór onze geboorte. Dus moet onze ziel toen al bestaan hebben.Deze kennis van 'Het Gelijke op zich' e.d. is niet een soort kennis die iedereen bezit. Simmias roept op een gegeven moment (76b) zelfs uit, dat morgen niemand meer in staat zal zijn een en ander behoorlijk uit te leggen.

De ziel heeft bestaan vóór onze geboorte, dat is nu aangetoond, maar zal ze ook voortleven na onze dood? Op deze door Simmias geuite twijfel antwoordt Socrates dat de twee genoemde argumenten gecombineerd hierop toch een antwoord geven. Maar goed, er valt meer over te zeggen.

De verwantschap van de ziel met de Ideeën (78b - 84b) Is het mogelijk dat de ziel uiteenvalt? Uiteenvallen is een eigenschap van samengestelde voorwerpen, zoals bv. ons lichaam. Dat wat één en altijd hetzelfde is zal dat niet doen, de Ideeën bijvoorbeeld. De ziel is duidelijk verwant aan deze Ideeën. Dus, als we zien dat zelfs het lichaam na onze dood niet direct uiteenvalt, maar, zoals in Egypte,80c Plato kende het Egyptische gebruik van het balsemen van lichamen. nog lange tijd blijkt te kunnen bestaan, dan moet dat in nog veel sterker mate gelden voor de ziel. (Plato ziet in de Phaedo de ziel nog niet als 'samengesteld' uit drie delen, zoals hij later in de Staat en Phaedrus wel zal doen. Maar ook daar geldt dat de ziel niet materieel is, en een hogere status heeft dan het lichaam, en dus 'verwanter' is aan de Ideeën dan aan lichamen.)

Tegenwerpingen van Simmias en Kebès (85b - 91c) Na enige aarzeling of het in deze omstandigheden wel passend is een tegenargument op te werpen, zegt Simmias dat hij altijd wel gecharmeerd is geweest van een andere vergelijking, nl. die van de ziel met de harmonie welke door een lier wordt voortgebracht. De ziel zou niets anders zijn dan de 'harmonie' van het lichaam, dat wil zeggen een juiste balans tussen warme en koude, droge en vochtige elementen.Deze 'harmonie' is dus ongeveer wat wij zouden aanduiden als de gezondheid. Daarbij geldt dat die (onzichtbare, goddelijke) harmonie van de lier meteen verdwijnt zodra de lier kapot is, hetgeen suggereert dat de ziel ook weleens meteen na de dood zou kunnen oplossen. De ziel zou dan slechts bestaan bij de gratie van het lichaam.

Kebès heeft een andere zorg: de ziel leeft wel langer dan het lichaam, want het lichaam vernieuwt zich onophoudelijk, terwijl de ziel blijft wat ze is. Ze verslijt als het ware verschillende jassen. Dus de ziel leeft wel langer dan een lichaam, en misschien gaat ze ook wel meerdere levens mee, maar daarmee is niet aangetoond dat ze echt definitief onsterfelijk is.

Antwoorden van Socrates (91c - 107a ) Op de tegenwerping van de vergelijking met de lier antwoordt Socrates, dat daarmee het argument van de anamnese zou komen te vervallen: wil Simmias dat? Verder zijn er goede en slechte zielen, en de ziel stuurt soms het lichaam: hoe zou dat kunnen wanneer de ziel slechts een harmonie is, gebaseerd op de verschillende onderdelen van het lichaam, m.a.w. afhankelijk is van het lichaam?

Tegen Kebès zegt Socrates dat een definitief antwoord hierop niet anders kan worden gegeven dan via een algemene beschouwing van de fenomenen ontstaan en vergaan, en oorzakelijkheid.Zoals Friedländer (Plato, III, blz. 54) aangeeft stijgt Socrates' beschouwing ver uit boven een antwoord op Kebès tegenwerping: We sense the opening of an entirely new movement, and soon we are on so different a level that the objection raised by Kebes has completely disappeared from sight. Hij beschrijft nuVoor het eerst in Plato's werk. de Ideeën en hun functie: de Ideeën zijn de uiteindelijke oorzaak van alles. Dan gaat hij verder: een mens of voorwerp hier op aarde kan meerdere eigenschappen hebben, zelfs tegengestelde: A is klein ten opzichte van B, maar groot ten opzichte van C. Er zijn echter dingen die altijd slechts een van twee tegendelen kunnen verdragen: bijvoorbeeld vijf is altijd oneven, vuur is altijd warm. En zo zit het ook met de ziel: ziel heeft altijd deel aan Leven, ze is onverenigbaar met Dood. Dus daar waar ziel is, is leven. Daarmee is de onsterfelijkheid van de ziel aangetoond. Simmias zegt toch nog enige twijfel te voelen.

Mythe (107d - 115a)