thumb|Leden van de Koninklijke Militaire School tijdens de nationale feestdag van België 2018 thumb|Generaal-majoor Harry Vindevogel schouwt officieren van de Koninklijke Militaire School tijdens het defilé op 21 juli 2011 thumb|Het Koninklijk escorte te paard en officieren van de Koninklijke Militaire School in 2011 De Koninklijke Militaire School (Frans: ; Engels: ) is een militaire academie; een universiteit die verantwoordelijk is voor de vorming van de kandidaat-officieren ten behoeve van alle componenten van de Belgische Defensie. De school is gevestigd te Brussel in de Campus Renaissance, ter hoogte van het Jubelpark in de Renaissancelaan, in een gebouw ontworpen door de architecten Henri van Dievoet en Henri Maquet. De cursussen worden er in drie talen (Nederlands, Frans en Engels) gegeven.

Structuur Deze militaire universiteit bestaat uit twee faculteiten:

de Faculteit Polytechniek (POL) die het diploma burgerlijk ingenieur polytechnicus aflevert met als specialisaties: SMP (Structure Mobility and Propulsion) NEC (Network Enabled Capabilities) de Faculteit Sociale en Militaire Wetenschappen (SSMW) die volgende diploma's verstrekt: Master in sociale en militaire wetenschappen - Management & Wapensystemen Master in sociale en militaire wetenschappen - Defensie- en politieke wetenschappen

De school ressorteert onder het ministerie van landsverdediging, maar het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming erkent de Nederlandstalige diploma's als van universitair niveau. Op onderwijsvlak heeft de KMS een samenwerkingsakkoord gesloten met de associatie van de VUB. Een gelijkaardige samenwerking bestaat er met de ULB.

Naast de twee faculteiten waarin het merendeel van de leerlingen zijn ondergebracht, telt de KMS eveneens een zogenaamde Speciale Divisie (SDiv). De SDiv heeft louter een administratieve functie en geen academische. Zij bestaat uit kandidaat-officieren die extra-muros (in de burgerij) studeren; het gaat hier over industrieel ingenieurs (II), militaire studenten aan de Antwerp Maritime Academy (ESNA), en medische studies (MED) voor arts, tandarts en apotheker. Daarnaast vallen ook de kandidaat-piloten (PIL) en kandidaat-luchtverkeersleiders (ATC) van het hulpkader onder de verantwoordelijkheid van SDiv. Deze laatsten krijgen respectievelijk sinds 2004 en 2006 hun theoretische cursussen gedoceerd op de KMS.

Sinds 2008 is ook het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie (KHID) gevestigd in de gebouwen van de Koninklijke Militaire School. Het KHID kan vergeleken worden met een post-universitaire instelling die verantwoordelijk is voor de voortgezette opleiding van de officieren van de Belgische krijgsmacht. Het KHID fungeert daarnaast als "denktank" voor militaire aangelegenheden.

De KMS vormt samen met het KHID de "Campus Renaissance" (CaRe). Deze benaming bestaat echter niet officieel en wordt enkel in militaire kringen gebruikt om het geheel van eenheden aan te duiden die zich in het kwartier aan de Renaissancelaan bevinden.

In CaRe is alles gecentraliseerd wat met de opleiding en vorming van officieren te maken heeft. Daar tegenover staat de "Campus Saffraanberg" (CaSa) te Sint-Truiden waar alle opleidingen van het niveau onderofficieren zijn ondergebracht.

Geschiedenis Voor het ontstaan van België Reeds van bij het begin van de 16e eeuw bestonden er in de Lage Landen militaire academies waar pages een opleiding kregen in onder andere paardrijden, wiskunde en schermen, als voorbereiding op een eventuele loopbaan als officier.

In 1675 liet de Gouverneur der Spaanse Nederlanden, de hertog van Villa-Hermosa, een "Academie voor Wiskunde en Versterkingen" oprichten in de Naamsestraat in Brussel. Spaanse afstammelingen genoten er de voorkeur en het onderwijs gebeurde er enkel in het Spaans. Jaarlijks volgden een twintigtal officieren en onderofficieren er een opleiding. Deze ‘Spaanse’ militaire academie verdween met het einde van de Spaanse Successieoorlog.

Na de Vrede van Utrecht in 1713 richtten de Staten van Brabant in dezelfde gebouwen aan de Naamsestraat de École des Mathématiques du Corps d’Artillerie op, terwijl er in Antwerpen in 1773 een Militär Knaben Stiftung zu Antwerpen kwam. Deze laatste was voorbehouden voor zonen van Oostenrijkse officieren die de cursussen aan de Theresiaanse Militaire Academie in Wiener Neustadt niet konden volgen. De voertaal was Duits.

In 1813 werd in Delft een Artillerie- en Genieschool opgericht die in de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden instond voor de vorming van officieren. Koning Willem I liet deze school in 1826 vervangen door de Koninklijke Militaire Academie, die in het Kasteel van Breda werd opgericht. Maar pas vanaf november 1828 begonnen de eerste kandidaat-officieren er hun vier jaar durende opleiding. De selectie van jongeren tussen 14 en 18 jaar gebeurde via een toelatingsexamen.

De Belgische Militaire School In het premature Belgische leger werd, kort na de onafhankelijkheidsstrijd in november 1830, in elk artillerieregiment een peloton aspiranten gecreëerd dat gerekruteerd werd onder jongeren die door hun vroegere studies meer technisch georiënteerd waren. Deze pelotons kregen bijkomende technische cursussen en als zij slaagden voor hun examens werden ze onderluitenant van de artillerie. Om deze opleiding eenvormiger en doeltreffender te maken, stelde het Ministerie van Oorlog na de Tiendaagse Veldtocht (1831) één opleidingscursus samen voor alle aspiranten van de artillerie. Aanvankelijk had men deze school willen oprichten in Luik, centrum van de metaal- en wapenindustrie. Maar op vraag van artilleriekapitein de Nieulant kreeg de school vanaf september 1831 één zaal toegewezen in het Borgendaellyceum te Brussel.

Tijdens de Tiendaagse Veldtocht had koning Leopold I kunnen vaststellen hoezeer de Belgische gelegenheidsbevelhebbers de minderen waren van hun Nederlandse collega’s die aan militaire academies waren gevormd. In alle Europese landen en in de Verenigde Staten werden officieren, vooral ingenieurs, immers in speciale scholen opgeleid. Daarom richtte Leopold I op 7 februari 1834 een Militaire School op om de officieren van de artillerie en de genie te vormen (vanaf 1841 gegroepeerd in de afdeling "speciale wapens": Artillerie-Genie of afgekort AG ) De officieren van de andere wapens kregen enkel een praktijkopleiding en kwamen vooral uit het onderofficierenkorps (vanaf 1841 gegroepeerd in de afdeling "gewone wapens": Infanterie-Cavalerie of afgekort IC ). Maar pas in 1849 ging de legerleiding ook voor de gewone wapens over tot een jaarlijkse rekrutering.

Al deze aspiranten namen na hun opleiding van twee jaar deel aan een uitgangsexamen. Wie hierin slaagde, werd benoemd tot onderluitenant. In functie van zijn eindrangschikking mocht de kandidaat dan zijn wapen en eenheid kiezen. Op vraag van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en van de Marine werden sinds 1836 ook de aspiranten van de marine aan de Militaire School gevormd. Van bij aanvang studeerden er ook een aantal buitenlandse officieren, voornamelijk afkomstig uit Oost-Europa.

De Militaire School in de 19e eeuw Omdat koning Leopold I een grote bewondering had voor de École Polytechnique in Frankrijk, gaf hij de uitbouw van de Militaire School in handen van een oud-leerling van deze befaamde school: kolonel Jean-Jacques Edouard Chapelié. Deze in Marseille geboren Fransman, had zich reeds in 1814 laten opmerken toen hij als leerling-officier Parijs verdedigde tegen de Russische troepen. Als officier onderscheidde hij zich later in veldtochten in Spanje en Noord-Afrika (bevelhebber bij de befaamde "Spahis"), en werd tot officier bij het Legioen van Eer bevorderd. Sinds 1832 was hij onderstafchef van de Belgische Generale Staf. In 1844 werd Chapelié Belgisch staatsburger. Hij was met een Belgische gehuwd en twee van zijn drie zonen studeerden aan de Militaire School.

Naast schoolcommandant was Chapelié ook studiedirecteur. Om het niveau van de School op dat van de Franse École Polytechnique te brengen, werd een toelatingsexamen uitgeschreven. Om hieraan te mogen deelnemen moest men Belg zijn en tussen de 16 en 21 jaar oud zijn. Het toelatingsexamen betrof de grondige kennis van het Frans, wiskunde, de algemene geschiedenis en aardrijkskunde, alsook de grondige kennis van de geschiedenis en aardrijkskunde van België. De kandidaten moesten daarenboven een hoofd naar model kunnen natekenen. Het eerste jaar slaagden 24 kandidaten voor dit examen. Vanaf 1 juli 1834 volgden de allereerste leerlingen de lessen op verschillende plaatsen in het centrum van Brussel (bv. theorielessen in leslokalen van het Borgendaellyceum, militaire oefeningen in de stoeterij van het Museumplein, fysica en scheikunde in het Museum van Kunsten en Ambachten). De leerlingen logeerden vanaf 1836 in een huis in de Ruysbroeckstraat dat speciaal voor hen gehuurd werd. In de Sint-Jacobskerk woonden de leerlingen de mis bij. Als de kandidaat-officieren een tuchtstraf moesten uitzitten, werden ze per koets naar het huis van arrest in Brussel gevoerd. De staf van de School verbleef in de gebouwen aan de Naamsestraat waar in de 17e en 18e eeuw de vroegere militaire academies gevestigd waren. Het onderwijzend personeel bestond zowel uit burgers als uit militairen.

Pas met de organieke wet van 18 maart 1838 kreeg de Militaire School een bestendig karakter: de School werd een instelling van hoger onderwijs voor de vorming van officieren van de Krijgsmacht. Van dan af werden de eisen bij het toelatingsexamen aanzienlijk verzwaard. Vanaf 1847 werd als basis voor het toelatingsexamen de leerstof van de humaniora tot aan de poësis genomen, vanaf 1858 werd er over het volledige humanioraprogramma ondervraagd.

In de 19e eeuw was het aantal aspiranten aan de Militaire School vrij beperkt: 38 in 1840, 62 in 1850, 100 in 1860 en 97 in 1870. De School was immers vrij elitair. Het schoolgeld, samen met de onkosten voor kledij en bureaubehoeften, was aanzienlijk: 1650 frank, hetgeen in die tijd overeenkwam met een volledige jaarwedde van een onderluitenant bij de infanterie. Het systeem van studiebeurzen bleef zeer beperkt, ook al streefde het militaire milieu naar de uitbreiding ervan. Alleen militairen met 2 jaar dienst (zij behielden hun soldij als ze naar de School gingen), de zonen van militairen, van ambtenaren of van verdienstelijke personen kwamen in aanmerking voor een studiebeurs. Daarnaast was er een niet onbelangrijk percentage kandidaat-officieren dat afstamde van onderofficieren en via een examen, onafhankelijk van de Militaire School, toegang kreeg tot lagere officiersrangen en uitzonderlijk doorstootte tot de hogere. Het is vanzelfsprekend dat officieren afkomstig uit de Militaire School meer promotiekansen hadden. Het grootste deel van de officieren was afkomstig uit de kleine burgerij en uit het Franstalig landsgedeelte.

In de Militaire School werden alle cursussen uitsluitend in het Frans gegeven. Volgens napoleontische traditie vreesden de leiders van de jonge Belgische staat en de legerleiding immers het verdelende effect van een tweede taal. Toch werd vanaf 1840 een cursus Nederlands van 42 lesuren ingevoerd en vanaf 1864 werd er meer belang gehecht aan talen in het algemeen. Voortaan stond er wekelijks één uur Nederlands, één uur Duits en één uur Engels geprogrammeerd. Door de wet van 31 juli 1913 werd de elementaire kennis van het Nederlands bij het toelatingsexamen verplicht.