Newfoundland en Labrador is de meest oostelijk gelegen provincie van Canada. Het is als tiende provincie sinds 1949 toegetreden tot de federale staat Canada. Voordien bestond het als het Dominion Newfoundland, een dominion van het Britse Rijk.
De provincie telt ongeveer 510.000 inwoners van wie meer dan 90% op het eiland Newfoundland woont. Van hen spreekt 97% Engels als moedertaal. De economie van de provincie is vooral gebaseerd op olie en visserij. Olie beslaat zo'n 44% van de totale export van Newfoundland en Labrador en het levert de grootste bijdrage aan de economische groei.
De hoofdstad St. John's, die op het schiereiland Avalon van Newfoundland ligt, telt ruim 110.000 inwoners (2021). Inclusief de omliggende agglomeratie gaat het om ruim 210.000 inwoners, oftewel 40% van het inwoneraantal van de provincie. Newfoundland heeft een eigen dialect, het Newfoundlands-Engels. Het Franse dialect van de provincie is nagenoeg uitgestorven en komt vrijwel enkel nog voor op het schiereiland Port au Port.
Geografie thumb|250px|left|De provinciehoofdstad St. John's Newfoundland en Labrador ligt aan de Atlantische Oceaan en is de meest oostelijke provincie van Canada.
De provincie beslaat zo'n 405.720 km², waarvan ongeveer driekwart bestaat uit de regio Labrador en een kwart uit het eiland Newfoundland. De regio Labrador beslaat het noordoostelijk deel van het schiereiland Labrador, dat grotendeels tot de provincie Québec behoort. Ten zuiden van de regio Labrador ligt het ruim 100.000 km² grote eiland Newfoundland, dat de oostelijkste landmassa van Noord-Amerika (exclusief Groenland) is. Beide gebieden worden van elkaar gescheiden door de relatief smalle Straat van Belle Isle.
De provincie bevat ook enkele duizenden eilanden die voor de kust van de twee bovengenoemde hoofdgebieden liggen. Daaronder bevinden zich ook enkele grote eilanden zoals South Aulatsivik Island (456 km²), Random Island (249 km²) en Fogo Island (237 km²). Het erg afgelegen Funk Island ligt bijna 60 km ten noordoosten van Newfoundland.
Kenmerkend voor het westen van Newfoundland is de Long Range, een bergketen die een noordelijke uitloper van de Appalachen is. In het noorden van Labrador bevindt zich het Torngatgebergte dat deel uitmaakt van de Arctische Cordillera. De in dat gebergte gelegen Mount Caubvick (1.652 m) is het hoogste punt op het vasteland van Canada ten oosten van de Rocky Mountains.
In het binnenland van Labrador bevindt zich het Smallwood Reservoir dat met 6.527 km² het op een na grootste stuwmeer ter wereld is. Het wordt afgewaterd door de Churchill, de langste rivier van Atlantisch Canada. De langste rivier van het eiland Newfoundland is de Exploits.
Newfoundland kent in het zuidoosten een groot schiereiland genaamd Avalon. Het is het meest dichtbevolkte gebied in de provincie dat onder meer de provinciehoofdstad St. John's huisvest. Net ten noorden ervan ligt Bonavista, het andere grote oostelijke schiereiland van Newfoundland. Vanwege de vele opmerkelijke rotsformaties is de oostelijke helft ervan door UNESCO erkend als het Discovery Geopark.
De regio Labrador wordt volledig doorkruist door de 1.149 km lange Trans-Labrador Highway. Newfoundland wordt op zijn beurt doorkruist door Route 1, een onderdeel van de Trans-Canada Highway.
De grens tussen Québec en Newfoundland en Labrador is al meer dan een eeuw een twistappel tussen beide provincies.
Geschiedenis Vóór de komst van de Europeanen Circa 5500 v.Chr. bouwden leden van de Maritiem-Archaïsche cultuur de grafheuvel van L'Anse Amour aan de zuidkust van Labrador. Het is de oudst gekende grafheuvel op het Amerikaanse continent. , "Burials and Bones. A Summary of Burial Patterns and Human Skeletal Research in Newfoundland and Labrador", Newfoundland and Labrador Studies 9, 2 (1993), p. 213-234. Op het voor de noordkust van Labrador gelegen South Aulatsivik Island bevinden zich twee Maritiem-Archaïsche grafheuvels uit circa 5000 v.Chr. , Beliefs and Rituals in Archaic Eastern North America: An Interpretive Guide, Tucaloosa, 2015, p. 58. Het laat-Maritiem-Archaïsch tijdperk eindigde ca. 1500 v.Chr.
Van circa 800 v.Chr. tot 50 na Chr. werd zowel het vastelands- als eilandgedeelte van Newfoundland en Labrador bewoond door de Groswatercultuur. In de periode na hen was voornamelijk de Dorsetcultuur present in de regio. Rond de 15e eeuw was deze cultuur uitgestorven. In Labrador werd deze cultuur vervangen door de Thulecultuur, de voorgangers van de Inuit. In Newfoundland daarentegen ging de inheemse bevolking bestaan uit de Beothuk.
Ontdekking miniatuur|De Vikingnederzetting L'Anse aux Meadows De eerste Europeanen van wie bekend is dat zij de Noord-Amerikaanse kusten bereikten, waren Vikingen. In 982 ontdekte Erik de Rode Groenland en vestigden de Vikingen daar diverse nederzettingen. Van daaruit bereikten zij enkele decennia later de kust van Noord-Amerika. De enige met zekerheid door hen gestichte nederzetting was L'Anse aux Meadows (gesticht door Leif Eriksson), gelegen aan het noordelijke uiteinde van het Great Northern Peninsula. Onderzoek wijst uit dat de Vikingen er zeker waren in het jaar 1021.
Deze nederzetting kende maar een vrij korte levensduur en tot de ontdekkingsreizen van Christoffel Columbus was de kennis in Europa over de Nieuwe Wereld verdwenen, of alleen in enkele legenden bekend. In 1497 herontdekte John Cabot hoogstwaarschijnlijk Newfoundland. In opdracht van koning Hendrik VII voer hij met achttien man op de Matthew naar het westen om een vaarroute naar Azië te vinden. Engeland was destijds niet bij machte om het gebied te koloniseren, terwijl de Spanjaarden, Portugezen en Nederlanders zich op zuidelijkere streken richtten.
Vroegmoderne geschiedenis Korte tijd na de ontdekking door Cabot begonnen vissers reeds de visrijke wateren nabij Newfoundland te exploiteren. Ook walvisvaart was al vroeg van belang, met de 16e-eeuwse Baskische verwerkingsplaats Red Bay als belangrijkste voorbeeld. Intussen werd het gebied en de wateren eromheen verkend door ontdekkingsreizigers als Giovanni da Verrazano en Jacques Cartier. De eerste ruim honderd jaar was deze Europese visserij echter louter seizoensgebonden, waarbij men met andere woorden na het visseizoen weer de oceaan overstak zonder zich permanent te vestigen.
Newfoundlands zuidoostelijke schiereiland Avalon is een van de eerste gebieden van Brits-Amerika dat permanente kolonisten kende. Zo was de nederzetting Cupids (1610) de tweede permanente Britse nederzetting in Noord-Amerika (na Jamestown in Virginia). Baccalieu Tourism, 'Cupids, Site of Cupers Cove. Canada's Oldest British Colony, Founded in 1610'. Gearchiveerde versie van 3 september 2009. De eerste zeer succesvolle Britse kolonie op Newfoundland was de kolonie Avalon (1621), nabij het hedendaagse Ferryland. Parks Canada, 'Colony of Avalon National Historic Site of Canada'. Geraadpleegd op 21 juli 2020. Het schiereiland nam later de naam aan van die kolonie, die van 1637 tot 1650 de facto als hoofdstad van de kolonie Newfoundland fungeerde.
Later in de 17e eeuw werden er meer en meer gelijkaardige permanente nederzettingen in het gebied gesticht. Deze waren allen gesitueerd langs de zogenaamde Engelse kust van Newfoundland, waar de Britten visserijrechten genoten. Het noordoosten en zuiden van het eiland viel volledig in de invloedssfeer van Franse vissers en stond dan ook bekend als de Franse kust van Newfoundland.
De toenmalige kolonisatoren kwamen, net als de Vikingen, in contact met de lokale bevolking van Newfoundland (de Beothuk). De Europeanen brachten ziektes mee, verminderden (net als geëmigreerde Inuit en Mi'kmaq) hun mogelijkheden tot voedselverwerving en schuwden het geweld allerminst. Shanawdithit, de laatst bekende Beothuk, stierf in 1829.
Na de Franse nederlaag in de Franse en Indiaanse Oorlog in 1763 werd langzaam maar zeker het gebied meer en meer verkend door de Britten, die er een kolonie van Brits Noord-Amerika van maakten. Hoewel de Kolonie Newfoundland in Britse handen was, behielden de Fransen wel visserij- en visverwerkingsrechten langs een gedeelte van de noord- en westkust tot 1904. Deze waren belangrijk aangezien Newfoundland vooral een interessante vestigingsplaats was vanwege de bijzonder visrijke wateren nabij het eiland. De Franstalige minderheid op het schiereiland Port au Port en heel wat Franstalige toponiemen herinneren aan dit verleden.
19e eeuw – 1945 Vanaf de jaren 1830 werd het achterland van Labrador verkend en in kaart gebracht. Newfoundland werd pas in 1822 voor het eerst te voet doorkruist en pas in de tweede helft van de 19e eeuw geheel in kaart gebracht. Zeer belangrijk voor ontsluiting van het binnenland van het eiland was de aanleg van de Newfoundland Railway, dewelke afgewerkt was in 1898.
Na de vorming van de Canadese Confederatie in 1867 bleef Newfoundland nog lange tijd een aparte Britse kolonie. In 1854 verkreeg het gebied intern zelfbestuur. In 1869 stemde de bevolking in een referendum tegen vereniging met Canada. Na de Entente Cordiale (1904) hield de "Franse kust" op te bestaan en hadden de Britten en Newfoundlanders voor het eerst volledige rechten over het gehele gebied. , Heritage Newfoundland and Labrador, 'The French Treaty Shore', 2001.
In 1907 werd de Newfoundland als dominion van het Britse Rijk een land. Als deel van het Britse Rijk streden duizenden Newfoundlanders in de Eerste Wereldoorlog mee om de bevrijding van Europa te bewerkstelligen. De Newfoundland Memorials in België en Frankrijk herinneren hieraan.
De economie van Newfoundland bleef doorheen de 20e eeuw sterk op de visserij gericht, al speelde ook mijnbouw een rol. Van de jaren 1890 tot in 1966 vond er op Bell Island, een eiland in Conception Bay, grootschalige ijzerertsontginning plaats. , The Canadian Encyclopedia, 'Bell Island', 2006 (laatste wijziging 2014). Geraadpleegd op 24 juli 2022.
Een zware storm op 31 maart 1914 deed de zeehondenjager SS Southern Cross met man en muis vergaan en zorgde ervoor dat in de nacht en dagen erna tientallen bemanningsleden van de zeehondenjager SS Newfoundland doodvroren op het ijs. De cumulatieve ramp eiste 252 mensenlevens en staat in de geschiedenis bekend als de Newfoundlandse zeehondenjachtramp.
De aardbeving van 18 november 1929 onder de Grand Banks werd gevolgd door een tsunami die het zuiden van Newfoundland trof. Vooral het schiereiland Burin werd zwaar getroffen. De tsunami eiste 28 dodelijke slachtoffers.
In 1934 gaf Newfoundland vrijwillig het zelfbestuur op en kwam het gebied via de zogenaamde Commission of Government opnieuw onder directe controle van Londen te staan. In de Tweede Wereldoorlog hielpen opnieuw vele duizenden militairen van het Royal Newfoundland Regiment mee aan de bevrijding van West-Europa.
1945 tot heden Na twee referenda in 1948 stemde een zeer kleine meerderheid van de Newfoundlanders in met vereniging, waarna Newfoundland op 31 maart 1949 toetrad tot de Canadese Confederatie als de tiende Canadese provincie, onder de naam "Newfoundland". In 2001 werd de naam van de provincie officieel gewijzigd in "Newfoundland and Labrador".
Halverwege de 20e eeuw kwam het traditionele vissersbestaan in de afgelegen outports meer en meer onder druk te staan. De provincieoverheid begon in 1954 daarom aan een politiek van hervestigingen. In twintig jaar tijd werden ruim 300 dorpen volledig ontvolkt en werden bijna 30.000 mensen hervestigd in groeipolen binnen de provincie.
Een voor de economie van Newfoundland en bij uitbreiding van heel de provincie dramatische gebeurtenis was de ineenstorting van de Noordwest-Atlantische kabeljauwvisserij en het bijhorende moratorium in 1992. Hierdoor begon kwam ontvolking van de afgelegen Newfoundlandse en in mindere mate Zuid-Labradorse gebieden in een stroomversnelling terecht.