thumb|Pupil voor de Eerste Wereldoorlog in uitgangstenue thumb|Pupillen Van 1892 in uniform, een luitenant en twee onderofficieren thumb|De pupillenschool in Aalst thumb|Oorlogsmonument voor de Oud-leerlingen, Troepenkinderen en Pupillen in Aalst

De Belgische Koninklijke Cadettenschool (KCS) (École Royale des Cadets) was een opleidingsinstituut van het Belgische leger. Tot 1991 verschafte de school in een militaire sfeer een algemene en academische vorming op het niveau van secundair onderwijs als voorbereiding op de toegangsproeven voor de Koninklijke Militaire School. Hoewel het leger het onderwijs inrichtte, werden de diploma's door het ministerie van onderwijs erkend.

Oorsprong Frankrijk en PruisenGuy Stevins p. 2 In Frankrijk bestonden tijdens het ancien régime cadettenscholen. Het waren scholen die zonen van de aristocratie voorbereidden op hun taken als officier in de legers van de koning. Ook Pruisen had, naar Frans voorbeeld, cadettenscholen opgericht. Die cadettenscholen werden door het Verdrag van Versailles verboden.

Kinderen onder de wapensGuy Stevins p. 3 De oorsprong van de Belgische Cadettenschool ligt bij de instellingen die waren opgericht om kinderen van militairen, wezen van gesneuvelden en verlaten en verwaarloosde kinderen op te vangen. In 1687 al werden zonen van militairen vanaf tien jaar en wezen vanaf zeven jaar opgevangen in scholen van het leger, één in Oostende en één in Lier. Ze gaven elk onderdak aan driehonderd jongeren.

Tijdens het Oostenrijks bewind, in 1776, werd een gratis opvang- en onderrichtscentrum opgericht voor weeskinderen en dochters van arme militairen: het Keizerlijk Gesticht van Mesen, sedert 1845 het Koninklijk Gesticht van Mesen.Historiek van het Koninklijk Gesticht van Mesen. Gearchiveerd op 5 juni 2023.

In Nederland werden gedurende de Franse tijd wezen en gevonden of achtergelaten kinderen ondergebracht in de legers. Het Koninkrijk Nederland zette dat beleid verder: compagnies van “Koninklijke Kwekelingen” werden opgericht voor zeven- tot zeventienjarigen.

Compagnie van de Troepskinderen In België hadden regimenten na 1830 de Franse tradities van “regimentskinderen” verdergezet. Met het Koninklijke Besluit Nr 2809 van 9 maart 1838 kregen die kinderen officiële erkenning als "Troepskinderen".“Troepskinderen” is een vroegere vertaling van “enfants de troupe”, de oorspronkelijk exclusief Franstalige benaming. Hedendaags Nederlands verkiest “troepenkinderen”, naar analogie met andere samengestelde woorden met “troep”. Dat leidde niet tot een verbetering van hun levensomstandigheden.Yvan Van Renterghem p. 6 Onder impuls van Koning Leopold I werden ze samengebracht in de "Compagnie van de Troepskinderen" in de Sionkazerne te Lier, onder bevel van een kapitein. De Compagnie bood plaats aan zevenhonderd jongens tussen tien en zestien jaar. Ze zou hen voorbereiden op de rekruteringswedstrijd voor de lagere rangen van het leger.Koninklijke Besluit Nr 6213 van 15 april 1847 In 1856 werd de "Compagnie van de Troepskinderen" de “School der Troepskinderen”. In 1859 werd de “School der Troepskinderen” ondergebracht in de omgebouwde oude gevangenis van Aalst. Met het oog op rekrutering van officieren en geschikte onderofficieren werd in de “School der Troepskinderen” na 1870 middelbaar onderwijs gegeven.

Pupillenschool

In 1883 werd de “School der Troepskinderen” de “Pupillenschool van het Leger”. Ze bestond uit een afdeling lager onderwijs voor tien- tot dertienjarigen te Aalst en een voor middelbaar onderwijs voor dertien- tot zestienjarigen in Namen. De scholen waren toegankelijk voor zonen van militairen, ambtenaren of rechthebbenden van het Leger. De pupillen ondertekenden op de leeftijd van veertien jaar een dienstverbintenis voor een regiment naar keuze. In 1894 werd de minimumleeftijd om ingelijfd te worden bij Koninklijke besluit Nr 11133 op zestien jaar gebracht.Yvan Van Renterghem p. 42

Na de algemene mobilisatie op 31 juli 1914 moesten de oudere pupillen zich aanmelden bij hun regiment. De pupillen die nog geen dienstverbintenis hadden ondertekend werden naar huis gestuurd.Yvan Van Renterghem p. 92

In 1919 werd de Pupillenschool heropend om ook oorlogswezen van tien jaar en ouder op te vangen. Het internaat was gratis. De pupillenschool verschafte voor de Nederlandstaligen lager onderwijs in Saffraanberg en middelbaar onderwijs In Aalst. Voor de Franstaligen was dat respectievelijk Bouillon en Marneffe.

Begin van de jaren dertig liep de toevloed van oorlogswezen op zijn einde en de wet op de leerplicht en ruim beschikbaar middelbaar onderwijs hadden gezorgd voor voldoende goed opgeleide jongeren om in de behoeften van de krijgsmacht te voorzien. De lagere afdelingen van de pupillenschool werden na het schooljaar 1932-1933 afgeschaft en de rekrutering van pupillen voor het middelbaar onderwijs stopgezet. In 1935 waren de pupillenscholen gesloten.

Van oprichting tot sluiting Van 1897 tot 1914Yvan Van Renterghem p. 7 De Cadettenschool werd in 1897 opgericht in de schoot van de Pupillenschool in Namen om zonen van officieren voor te bereiden op het toelatingsexamen tot de Militaire School. Veertig Nederlandstaligen en veertig Franstaligen, minstens elf jaar oud en jonger dan zeventien jaar konden toegang krijgen tot de Cadettenschool, na een medisch onderzoek en mits te slagen in een toelatingswedstrijd en batig gerangschikt te zijn. thumb|De Cadettenschool te Namen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog Bij de algemene mobilisatie van het leger op 31 juli 1914 waren de cadetten jonger dan zestien jaar thuis met vakantie. In de school in Namen verbleven nog zesenvijftig cadetten die een dienstverbintenis hadden aangegaan. Vijfentwintig cadetten werden bevorderd tot sergeant. Ze werden in de vrijwilligersbrigade, en later in de opleidingscentra ingezet als instructeur. Een aantal niet bevorderde cadetten kon zich bij het veldleger voegen. Andere achtergebleven cadetten konden met de hulp van de aalmoezenier de school verlaten, in burgerkledij en met een vrijgeleide van de Duitse bezetter.Yvan Van Renterghem p. 94Een artikel in het tijdschrift TPCI, 93ste jaargang, 3de trimester 2018, pagina 21 meldt dat cadetten die reeds in de vesting Namen waren weigerden zich over te geven en in burgerkledij terugkeerden naar de stad. Drie van hen werden door de Duitsers geïdentificeerd als onderofficier en naar een krijgsgevangenenkamp gestuurd waar ze gans de oorlog verbleven.

Van 1919 tot 1940Yvan Van Renterghem p. 98 en volgende Na de Eerste Wereldoorlog werd in Namen een Nederlandstalige en een Franstalige Cadettenschool voor hoger middelbaar onderwijs geopend. Zeshonderd leerlingen mochten aangeworven worden, tweehonderd in elk van de drie schooljaren. De daaropvolgende jaren werd dat teruggebracht naar honderd leerlingen per taalstelsel voor de “derdes” (het eerste van de drie schooljaren).

Zonen van militairen en gelijkgestelden van alle rangen en zonen van de broer van een militair, van burgerslachtoffers van de oorlog, van ambtenaren of bedienden van openbare diensten of van een familie met minstens zes kinderen hadden toegang tot de Cadettenschool mits te slagen in de toelatingswedstrijd en batig gerangschikt te zijn. Indien nodig werden ze gerangschikt rekening houdend met een voorrangsorde op basis van het oorlogsverleden van de vader.Yvan Van Renterghem p. 102 en 103

Volgens de taalwet op het lager en middelbaar onderwijs van 1932 moest onderwijs gegeven worden in de streektaal.De erkenning van diploma’s was een nationale bevoegdheid De Nederlandstalige afdeling van de Cadettenschool kon niet in Namen blijven en verhuisde in 1933 naar Saffraanberg.

In 1934 werd in de Cadettenschool in Saffraanberg en in Namen weer drie jaar lager middelbaar onderwijs gegeven. Militairen die dienst deden in een andere dan hun eigen taalregio konden er hun zonen in hun eigen taal les laten volgen als “cadetten in overtal”, tegen betaling.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog Op 10 mei 1940, de dag van Duitse inval in België, werden de Cadettenscholen van Namen en Saffraanberg gesloten. De cadetten die nog geen dienstverbintenis hadden gesloten en de leerlingen in overtal keerden naar huis. De cadetten die een dienstverbintenis hadden gesloten konden pas na omzwervingen en de capitulatie van het Belgische leger terug naar huis.

Voorlopige installatie in Seilles (1947) Op 1 januari 1947 werd de Cadettenschool opnieuw opgericht. Omdat het schoolgebouw te Namen gedeeltelijk beschadigd was door de Amerikaanse bombardementen van 18 augustus 1944 en bezet was door o.a. de genieschool, werd ze gehuisvest in Seilles. Het onderwijs werd beperkt tot de drie hogere jaren van het secundair onderwijs.

Zoals in het verleden, stond de Cadettenschool open voor zonen van militairen in actieve dienst en oorlogswezen, zonen van oud-strijders, politieke gevangenen, weerstanders, ambtenaren en zonen van kroostrijke gezinnen mits te slagen in een toelatingswedstrijd en batig gerangschikt te zijn. Alle kandidaten waren onderworpen aan dezelfde toelatingsproef. Het aantal leerlingen was beperkt tot honderd vijfendertig Nederlandstaligen en honderd en vijf Franstaligen. Naargelang de categorie van rechthebbenden waartoe hij behoorde werden aan de kandidaat cadetten bonificatiepunten toegekend.

Verhuis naar Laken (1948) thumb|Oorlogsmonument voor de gesneuvelde oud-cadetten, pupillen en troepskinderen van beide wereldoorlogen in de Sint – Annakazerne Laken De krijgsmacht hield eraan dat de diploma’s van de Cadettenschool gehomologeerd werden, d.w.z. dat het onderwijs erkend werd als volledig in overeenstemming met de wetgeving op onderwijs. De homologatie van de diploma’s van de Nederlandstaligen in Seilles had kunnen in het gedrang komen. De taalwet van 14 juli 1932 bepaalt immers dat onderwijs moet gegeven worden in de streektaal. Om het probleem op te lossen verhuisde de Cadettenschool naar Laken, in de tweetalige regio Brussel. Daar gold gold het principe “de moedertaal is onderwijstaal”. In 1948 opende de Cadettenschool met een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling de deuren in het Sint-Annakwartier in Laken. thumb|Wapenschild van de Koninklijke Cadettenschool thumb|Koningin Elisabeth en cadetten

Nederlandstalige Onderafdeling Lier (1955) De jaren na de Tweede Wereldoorlog was er een tekort aan Nederlandstalige officieren. Daarenboven was de verhouding tussen het aantal Nederlandstalige en Franstalige cadetten 40/60, het omgekeerde van de gewenste verhouding 60 Nederlandstaligen / 40 Franstaligen. Om daaraan te verhelpen werd besloten de toegang tot de Cadettenschool te verruimen. Bij Koninklijk Besluit van 13 maart 1955 zou in het Vlaamse landsgedeelte en in het Waalse landsgedeelte een lokale onderafdeling opgericht worden die voor alle jongeren toegankelijk zou zijn. Voor de Vlamingen zouden jaarlijks vijfenvijftig plaatsen opengesteld worden, voor de Franstaligen dertig plaatsen.Guy Stevins p. 14

In september 1955 gingen in Lier de deuren van de Dungelhoeffkazerne open voor eenennegentig Nederlandstalige cadetten: tweeënvijftig in de "derdes", zevenentwintig in de "tweedes" en twaalf in de retorica (4de, 5de en 6de schooljaar). Daarmee was het aantal aangeworven Nederlandstaligen voor het 4de schooljaar gestegen van een vijftigtal naar een honderdtal cadetten. Het jaarlijks gemiddelde aantal aangeworven Nederlandstalige cadetten bleef op dat niveau tot het einde van de jaren zestig. Nadien daalde het tot tachtig à negentig.

De Onderafdeling Lier van de Cadettenschool onderscheidde zich van de Nederlandstalige afdeling in Laken op basis van haar specifiek kenmerk: de leerlingen behoorden niet tot een bepaalde categorie rechthebbenden. Ze kon zich in zekere mate onafhankelijk opstellen door de aparte vestiging en apart commando en staf.

Franstalige Onderafdeling (1959)