De reuzenpad of zeepad (Rhinella marina) is een kikker uit de familie van de padden (Bufonidae). De reuzenpad staat ook wel bekend onder andere Nederlandse namen, zoals zeepad en suikerrietpad en daarnaast zijn verschillende wetenschappelijke namen gepubliceerd. In de literatuur werd de soort vroeger meestal aangeduid met Bufo marinus.

De reuzenpad komt oorspronkelijk voor in grote delen van Midden- en Zuid-Amerika, maar is door de mens op verschillende andere plaatsen geïntroduceerd, zoals het Caraïbisch gebied, delen van Azië en op Australië. De kikker werd hier vrijgelaten om insecten en muizen te bestrijden, maar in plaats van deze plaagdieren op te eten richtte de kikker zich op andere dieren, zoals andere amfibieën die ook insecten eten. Daarnaast is de kikker erg giftig en vijanden in gebieden waar de kikker van nature niet voorkomt kunnen doodgaan als ze de kikker proberen te eten. Hierdoor wordt de reuzenpad tegenwoordig zelf als plaagdier gezien. De reuzenpad is zelfs een symbool geworden voor diersoorten die een ecologische ramp veroorzaakt hebben als ze in gebieden terechtkomen waar ze eigenlijk niet thuishoren.

De reuzenpad is een van de grootste soorten kikkers ter wereld en kan een lengte bereiken van meer dan 20 centimeter. De kikker lijkt uiterlijk sterk op de in België en Nederland voorkomende gewone pad, die echter veel kleiner blijft. De lichaamskleur is bruin en de pad heeft een tekening die variabel is. De huid is ruw en voorzien van vele wratachtige huidklieren. Achter de ogen zijn twee grote 'bobbels' aanwezig die voorzien zijn van kleine gaatjes. Deze verdikkingen zijn de gifklieren, de gaatjes zijn de poriën waardoor het gif naar buiten stroomt als de kikker wordt verstoord.

Naamgeving en taxonomie thumb|De naam is te danken aan de grootte; hier een gehanteerd exemplaar.

De reuzenpad heeft verschillende Nederlandse namen, zoals agapad, Zuid-Amerikaanse reuzenpad, (suiker)rietpad en zeepad. Op Aruba, waar de soort is geïntroduceerd, wordt de naam sapo gebruikt, wat Spaans is voor 'pad'. De wetenschappelijke naam van de kikker was lange tijd Bufo marinus, wat 'pad van de zee' betekent. Later hebben biologen de soort een andere naam gegeven omdat de kikker minder sterk verwant bleek aan de andere soorten die behoren tot het geslacht Bufo. De huidige wetenschappelijke naam is Rhinella marina maar de oude naam wordt nog veel gebruikt in de literatuur.

De naam reuzenpad slaat op de lichaamslengte van het dier dat behoorlijk fors kan worden. De naam zeepad is afgeleid van de soortaanduiding marina. Dit woord komt uit het Latijn en betekent letterlijk vertaald 'van de zee'. Ook de namen agapad en suikerrietpad worden wel gebruikt, deze slaan op het gewas dat de kikker moest beschermen tegen plaaginsecten, suikerriet.

De reuzenpad behoort tot de familie padden, lange tijd werd deze familie als een aparte 'klasse' gezien, los van alle andere kikkers. Tegenwoordig is dit idee verlaten omdat gebleken is dat er kikkerachtigen zijn die van padachtigen afstammen en vice versa. De reuzenpad wordt daardoor gewoon kikker genoemd net als alle andere kikvorsachtigen.

De reuzenpad werd in 1758 door Carl Linnaeus vermeld in zijn Systema naturae. Oorspronkelijk werd de naam Rana marina gebruikt, wat letterlijk 'kikker van de zee' betekent. Het geslacht Rana wordt tegenwoordig tot de familie echte kikkers (Ranidae) gerekend en niet meer tot de padden (Bufonidae).

Uiterlijke kenmerken thumb|Dikke exemplaren hebben een bijna ronde lichaamsvorm.

De reuzenpad heeft een typisch pad-achtige bouw, het lichaam is zwaargebouwd en gedrongen en heeft een ruwe, wrattige huid. De kop is afgeplat en breed en duidelijk te onderscheiden van de rest van het lichaam.

De reuzenpad is een van de grootste soorten kikkers ter wereld en bereikt een gemiddelde lichaamslengte van 15 tot 18 centimeter exclusief poten. Vrouwtjes worden echter ruim een derde groter dan de mannetjes en de grotere vrouwelijke exemplaren kunnen een lichaamslengte bereiken van meer dan 20 cm. De maximumlengte is ongeveer 25 centimeter en het dier heeft dan een gewicht van ongeveer 1300 gram.Andere zeer grote kikvorsachtigen zijn de goliathkikker (33 cm) en de reuzenfluitkikker (20 cm).

Huid De huidskleur is bruin tot bruingeel of bruingrijs, soms komen afwijkende kleuren voor. Er komen exemplaren voor met een meer oranje, rode, grijze of donkerbruine huidskleur. Ook heel lichte exemplaren zijn bekend, deze hebben vaak donkere vlekken. De buikzijde is altijd lichter van kleur tot witgeel, en heeft kleine donkere en onregelmatige vlekjes.

De huid is bij juveniele exemplaren aan de bovenzijde van de rug voorzien van regelmatige rijen bultjes, die minder zichtbaar worden naarmate de kikker groter wordt. Oudere padden hebben meer onregelmatige 'wratten', deze bestaan uit een onderhuidse klier met aan de bovenzijde één of meerdere verhoornde stekeltjes die de kikker een ruwe huid geven. Er zijn geen twee exemplaren met exact hetzelfde bultjespatroon, iedere kikker heeft een unieke verdeling. De huidinsluitingen van kikkers en padden worden vaak met wratten aangeduid, maar het zijn in feite klieren die de huid voorzien van vocht en tevens een verbinding uitscheiden die micro-organismen doodt. Een aantal klieren scheiden ook een gifstof af, die een bittere smaak geeft aan de kikker wat sommige predatoren op afstand houdt.

Kop thumb|Vooraanzicht met verbeende randen en oorklieren (links)

De reuzenpad heeft een grote afgeplatte kop die vrij gedrongen is, met duidelijk zichtbare ogen en een brede bek. Wat direct opvalt aan de kop zijn de benige randen tussen de ogen en de snuitpunt die een soort helmachtige functie hebben. Dergelijke verbeningen komen hoogst zelden voor bij andere kikkers, maar als ze voorkomen zijn ze nooit zo prominent als bij de reuzenpad. Vooral bij oudere volwassen exemplaren steken ze duidelijk uit en doen denken aan een hockeymasker. De randen lopen aan weerszijden van de kop van de binnenhoek van het oog naar de snuitpunt. De verbeningen komen samen in het midden aan de voorzijde van de snuit. Ook naast het oog, vanaf de voorzijde bezien, is een benige rand aanwezig van de bovenzijde van de binnenooghoek naar de onderzijde van het oog. Als men de snuit van voren bekijkt, lijkt het geheel van randen enigszins op een 'M'. De verschillende verbeende opstaande randen van de kop zijn zeer stevig en hebben een beschermende functie.

De ogen hebben een oranje iris en een duidelijk horizontale pupil. Boven de ogen zijn de oogleden duidelijk zichtbaar aan een dikke rand aan de bovenzijde. Deze dient ter bescherming; als het oog gesloten is ligt deze rand precies boven de oogkas. De structuur heeft wel iets weg van een wenkbrauw, en geeft de kikker een enigszins 'hooghartige starende blik'. Achter de rand van het ooglid zijn aan de bovenzijde dikke, stevige wratten aanwezig die eveneens een beschermende functie hebben.

Achter het oog is een trommelvlies of tympanum gelegen dat duidelijk afsteekt tegen de rest van de kop. Het tympanum heeft een doorsnede die ongeveer de helft is van die van het oog. Achter ieder oog is aan de bovenzijde, naar de rug toe, een langwerpige en verdikte gifklier aanwezig. Deze gepaarde klier wordt wel de oorklier of parotoïde genoemd en is vooral bij oudere exemplaren behoorlijk opgezwollen, de klieren zien eruit als een soort zak die deels over de schouders hangt. De oorklieren zijn voorzien van kleine maar duidelijk zichtbare 'gaatjes', dit zijn de poriën waardoor het gif naar buiten stroomt. Zie voor de werking van deze gifklieren ook onder het kopje verdediging.

Poten De poten zijn relatief kort en de vingers aan de voorpoten zijn niet voorzien van zwemvliezen, de tenen aan de achterpoten wel. De zwemvliezen reiken bij de reuzenpad tot ten minste de helft van de teen. De mannetjes krijgen in de voortplantingstijd drie paarkussentjes op de vingers aan de voorpoten, die donker van kleur zijn.

Van alle andere pad-achtige kikkers en padden die voorkomen in het leefgebied van de reuzenpad is de soort hieraan te onderscheiden. Een typisch kenmerk zijn de benige randen aan de voorzijde van de kop, twee enigszins schuine randen die lopen van het oog tot de snuitpunt en overgaan in een enkele, verticale rand aan de voorzijde van de kop. De ogen zijn relatief groot, de pupil is horizontaal wat een gevolg is van de nachtelijke levenswijze. De huid van de kikker is wrattig, met name op de rug en de bovenzijde van de poten zijn vele stekel-achtige bultjes aanwezig. De man heeft over het algemeen een wat wrattigere huid en iets dikkere voorpoten om het wijfje beter vast te kunnen grijpen tijdens de paargreep of amplexus. Mannetjes krijgen in de paartijd ook kleine wratjes op de voorpoten, meestal zijn mannetjes gemakkelijk te onderscheiden doordat ze veel kleiner blijven dan de vrouwtjes.

De kikkervisjes zijn zwart aan de bovenzijde, en zilverachtig grijs met kleine donkere vlekjes aan de onderzijde.Ashton & Ashton, 1988

Voortplanting thumb|Een juveniel heeft kleinere oorklieren en een verhoudingsgewijs grotere kop.

De reuzenpad is een kolonist die zich heeft gespecialiseerd in een snelle ontwikkeling in tijdelijke wateren, zoals ondergelopen weilanden tot met water gevulde bandensporen. Dit heeft als voordeel dat de tijdelijke wateren, die vaak ondiep zijn, sneller opwarmen zodat de larven zich relatief snel kunnen ontwikkelen. Tevens ontbreken grote roofdieren zoals vissen in dergelijke wateren, zodat ze vrijwel geen vijanden hebben. Het nadeel is dat ze geen waterplanten bevatten die als voedsel kunnen dienen en dat de tijdelijke wateren soms opdrogen, waardoor de larven sterven. Om dit te voorkomen kent de reuzenpad een snelle ontwikkeling van larve tot jonge pad. De jonge dieren zijn echter nog onderontwikkeld in vergelijking met andere soorten en zijn dan nog erg kwetsbaar. Een kikker met een vergelijkbare ontwikkeling is de in Nederland en België levende knoflookpad.

De voortplantingscyclus is afhankelijk van de geografische locatie. In Florida plant de kikker zich gedurende het hele jaar voort. In Australië loopt de paartijd van september tot maart, met een piek in januari.

Paring Voordat de eitjes worden afgezet kruipt het mannetje op de rug van het vrouwtje, dit wordt amplexus genoemd. Tijdens de eiafzet loost hij zijn sperma en bevrucht zo de eitjes. Soms wordt door het vrouwtje een nest gemaakt dat bestaat uit een kuiltje aan de oever gevuld met water. Er is een tolerantie voor brakwater.

Vrouwtjes van de reuzenpad kunnen zich verweren tegen mannetjes door zichzelf vol te blazen met lucht. Daardoor worden ze groter en kunnen ongewenste mannetjes die willen paren zo niet op haar rug klimmen om zich vast te klemmen. Een sterker, fitter exemplaar kan dat dan eventueel wel. Als het vrouwtje daarna weer leegloopt, zit het mannetje te stevig op haar rug om nog door anderen verdreven te kunnen worden.

Ei Het aantal eitjes van de reuzenpad loopt per bron nogal uiteen, wat te danken is aan het voortschrijdend inzicht van de herpetologie wat resulteerde in een steeds veranderend aantal. In 1949 werd het aantal van 10.000 eitjes per legsel genoemd, later vond Crump in 1974 tussen 4.240 en 12.700 eitjes in Ecuador. Zug en Zug troffen tussen 6.050 en 23.000 eitjes aan in Panama. Herden deed onderzoek in Australië en vond 6.970 tot 36.100 eitjes. Bartlett en Bartlett schatten het aantal in 1999 op 20.000 per legsel. Omdat een reuzenpad echter drie legsels per jaar kan afzetten kan het totale aantal eitjes oplopen tot ongeveer 60.000. Vrouwtjes die jonger of kleiner zijn produceren aanzienlijk minder eitjes dan oudere, grotere vrouwtjes.

Larve