Helena Hubertina Johanna (Lenny) Kuhr (Eindhoven, 22 februari 1950) is een Nederlandse singer-songwriter. In 1969 was ze een van de vier winnaars van het Eurovisiesongfestival met het lied De troubadour.
Jeugd Kuhr werd geboren als dochter van de Eindhovense huis- en reclameschilder Gerardus Josephus Antonius Kuhr en Wilhelmina Frederika Filarski uit Amsterdam, die in april 1945 in Eindhoven getrouwd waren. Op haar tiende verjaardag kreeg ze een gitaar. Ze kreeg gitaarles op de muziekschool van Noud van Erp en mocht meedoen met optredens van het door hem geformeerde accordeon- en mandolineorkest "De Echo van het Zuiden". Toen ze ook een keer - met groot succes - mocht zingen tijdens een van de optredens, wist ze na afloop zeker dat ze zangeres wilde worden.
Op haar twaalfde jaar maakte ze een reis naar Auschwitz en zo ontstond een voorliefde voor Poolse, Jiddische en Hebreeuwse volksliedjes. Ook de spirituals van Mahalia Jackson stonden op haar vroege repertoire.
Haar eerste fan was haar buurjongen Joep. Hij maakte met een bandrecorder de eerste opnames van haar en stuurde deze naar de platenmaatschappij (CNR) van Addy Kleijngeld (die het mooi maar niet commercieel genoeg vond). Ook gaf Joep haar op voor songfestivals in de buurt.
In mei 1965 eindigde Kuhr op een gedeelde vijfde plaats in de finale van de amateurwedstrijd van het 20-jarige Algemeen Nederlands Jeugd Verbond in de Nieuwe RAI in Amsterdam.
In de jaren 1965-1968 trad Kuhr meermalen op met de Eindhovense Poolse volksdans- en zanggroep Cracovia.
Loopbaan Van Cabaret der Onbekenden tot Eurovisiesongfestival thumb|Lenny Kuhr zingt De troubadour tijdens het Nationaal Songfestival 1969 Op 17 maart 1967 won Lenny (toen nog Lenie) Kuhr het Cabaret der Onbekenden in Eindhoven met haar lied Laat maar, waarvoor Armand de tekst schreef. Het werd haar eerste single, uitgegeven op het Philipslabel. In datzelfde jaar maakte ze ook haar televisiedebuut in het VARA-programma Nieuwe liedjes, geregisseerd door Nico Knapper. Knapper was onder de indruk van haar talent en zou, samen met zijn vrouw Jeanine, Kuhr tijdens de eerste jaren van haar carrière begeleiden.
In april 1968 ontmoette Kuhr tijdens een liedjesbeurs van Stichting Conamus in Hilversum de Groningse dichter en tekstschrijver David Hartsema, met wie ze een intensieve samenwerking begon. Hun lied De straten werd in oktober 1968 uitgebracht als B-kant van Kuhrs tweede single Zigeunerjongen. Daarnaast was ze, samen met andere jonge Nederlandse singer-songwriters als Rikkert Zuiderveld, Elly Nieman en Joost Nuissl, actief betrokken bij De Werkwinkel, een stichting opgericht door Knapper ter promotie van het Nederlandse luisterlied.
thumb|De jurk waarin Lenny Kuhr het Eurovisiesongfestival 1969 won Vier dagen na haar negentiende verjaardag won ze, begeleid door Piet Souer op gitaar, het nationale songfestival in het Scheveningse Circustheater met De troubadour, een eigen compositie op tekst van David Hartsema. Een maand later, op 29 maart 1969, werd zij samen met Salomé (Spanje), Lulu (Verenigd Koninkrijk) en Frida Boccara (Frankrijk) winnares van het Eurovisiesongfestival in Madrid.
Dat hele jaar trad ze ook op in de Harlekijnvoorstellingen van Herman van Veen. In november 1969 ontving Kuhr van Conamus de Zilveren Harp, een aanmoedigingsprijs die dat jaar voor het eerst werd uitgereikt.
Internationale carrière Na haar songfestivaloverwinning kreeg Kuhr een internationaal platencontract bij Phonogram in Frankrijk. In de vroege jaren 70 was ze dan ook voornamelijk actief én succesvol als Franstalige zangeres. Begin 1970 tourde Lenny Kuhr door Frankrijk in het voorprogramma van Georges Brassens.
Ze bleef ook deelnemen aan internationale songfestivals. Zo won ze in februari 1971 met Oui tant mieux het songfestival van Viña del Mar in Chili waarbij ze Frankrijk vertegenwoordigde. In april van datzelfde jaar ontving ze de derde prijs op het eerste internationale songfestival van Mexico voor het zelfgeschreven This little song of joy. In augustus '71 werd ze tijdens de 'Poolse dag' van het Sopotfestival in Polen tweede met Jasiu. Eind 1971 scoorde ze een Franse Top 10 hit met haar versie van Roberto Carlos' Jesus Cristo, waarvan meer dan 100.000 exemplaren verkocht werden.
In Nederland trad ze in het seizoen 1971-1972 op in de theaterversie van het komische tv-programma Kort en Klein. Korte sketches, gespeeld door onder andere Martin Brozius en Jaap Stobbe, werden afgewisseld door optredens van Kuhr en een trio onder leiding van pianist Bob Adams.
In februari 1972 ontving Kuhr een Edison voor haar tweede elpee De zomer achterna (uitgebracht november 1970) in de categorie Nederlands vocaal. In de zomer van 1972 verscheen haar enige Franstalige album: Tout ce que j'aime. Op dit album staat Les enfants, opgenomen met Les Poppys, dat in Nederland de hitparade haalde. Tegelijkertijd bracht ze in Nederland de elpee De wereld waarvan ik droom uit. In juli 1972 deed ze mee aan het Rose d'Or d'Antibes festival en won de prijs voor beste uitvoering voor Pense à moi).
Een jaar later behaalde ze een hoge hitnotering in Franstalig Canada met Vivre, gevolgd door tv-optredens en een tournee aldaar. In het voorjaar van 1974 maakte Kuhr een tournee door Japan. Tijdens het WK '74 bracht ze, op een feest voor de Oranjeselectie, een ode aan bondscoach Rinus Michels getiteld De Generaal, op de melodie van De Troubadour.
Niet lang daarna kwam haar vijfde studio-album, God laat ons vrij, uit dat met Kom, liefste geef me je hand een bescheiden Top 40 hit opleverde. Een poging om met Engelstalig repertoire door te breken strandde weliswaar na de tweede single (Searching) maar hetzelfde nummer leverde met een Franstalige tekst (Cet amour c'est ta vie) opnieuw een hitnotering in Canada op.
In 1976 verscheen haar laatste album bij Philips, getiteld 'n Dag als vandaag. De single Sterren, een eigen compositie op tekst van Willem Wilmink, reikte niet verder dan de tipparade. Begin 1977 stapte ze over naar Gerrit den Braber's Polydor. De geplande langspeelplaat Tommy de zanger werd echter niet uitgebracht.
In het seizoen 1977-1978 ondernam Kuhr een solo theatertoer met voornamelijk Nederlandstalige chansons en akoestische begeleiding, een "vrij ambitieus waagstuk", omdat er voor deze theatervorm in Nederland geen traditie bestond. De muzikanten uit haar begeleidingsband Zarabande vormden na de toer de popgroep Braak. In 1978 verscheen ook haar laatste Franstalige single Y'a pas de quoi en faire une chanson.
Visite Eind 1978 tekende Lenny Kuhr een contract bij platenmaatschappij CNR. De eerste door Bart van der Laar en Francis Goya geproduceerde single, Eenmaal in je leven (1979), bereikte de hitparades niet. Maar in 1980 scoorde ze samen met Les Poppys haar grootste hit in Nederland en Vlaanderen met het lied Visite op een tekst van Herman Pieter de Boer. Het album Dromentrein kreeg de gouden status (meer dan 50.000 exemplaren verkocht) en leverde met Maar ja nog een tweede Top 40 hit op.
De jaren daarop verschenen een aantal albums en singles die het succes van Visite niet konden evenaren. In de jaren 1984-1985 bracht ze geen nieuw materiaal uit. Wel toerde ze met haar toenmalige partner Herman Pieter de Boer (en Freek Dicke, sinds 1978 haar vaste begeleider op gitaar) door Nederland met de Kuhr & De Boer Show, een theaterprogramma met liedjes, verhalen, sketches en poëzie. Ook schreef ze nummers voor anderen, zoals voor Kinderen voor Kinderen, Jan Simon Minkema en Willeke Alberti.
Quo vadis Eind 1986 sloeg Lenny Kuhr een nieuwe weg in met de elpee Quo vadis. Een album over, zoals ze het later omschreef, "spiritualiteit, gewoon verwoord, in normale taal, poëtische taal [...] niet gelieerd aan welk geloof dan ook". Omdat de platenmaatschappijen het risico niet aandurfden, bracht ze het album in eigen beheer uit. Het was een koers die ze zou blijven volgen.
In 1990 kwam het album De blauwe nacht uit, geproduceerd door Kees Buenen. De cd verscheen op het Free platenlabel, waarmee Free Record Shop eigenaar Hans Breukhoven "kwaliteitsartiesten van eigen bodem die tussen de wal en het schip vallen" een kans gaf.
In januari 1991 werkte Lenny Kuhr mee aan de muziekvideo Shalom from Holland, een steunbetuiging van Nederlandse artiesten aan de Israëlische bevolking tijdens de Golfoorlog. In maart bezocht ze Israël voor de overhandiging van de originele beeldband aan de voorzitter van de Knesset. Later dat jaar deed ze enkele optredens in Israël met de schrijvers van het lied, Simon Hammelburg en Ron Klipstein.
Geïnspireerd door die optredens, nam ze daarna, tijdens een concert in Aalsmeer, de beslissing om niet meer met een orkestband op te treden en vervolgde het concert alleen met haar gitaar. Ook ging ze, voortaan zonder management, zelf haar optredens boeken, op podia die beter aansloten bij het intieme, akoestische karakter van haar concerten. In 1992 toerde ze, begeleid door haar vaste gitarist Freek Dicke, door Nederland met een nieuw programma getiteld Heilig vuur. De gelijknamige cd met een selectie uit het concertprogramma verscheen later dat jaar.
Stemverlies Begin 1993 raakte Lenny Kuhr plotseling, tijdens een optreden, haar stem kwijt, waardoor zingen en zelfs praten onmogelijk werd. Haar optredens werden voor langere tijd afgezegd. De zangeres raakte, toen het ernaar uitzag dat ze niet meer zou kunnen zingen, in een existentiële crisis. "Ik werd helemaal teruggeworpen op mezelf. Het werd een periode van diepe eenzaamheid, maar ook van diepe bezinning". Langzaam keerde haar stem terug, aanvankelijk kwetsbaar en minder krachtig.
Vanaf oktober 1993 begon ze weer met optreden. In de twee albums die volgden, Altijd heimwee (1994) en Gebroken stenen (1997) beschreef ze de innerlijke zoektocht na haar stemverlies. Optreden deed ze in deze periode voornamelijk in het alternatieve circuit, zichzelf begeleidend op gitaar.
Zoals zij Schubert zingt Na enkele jaren in de luwte keerde Lenny Kuhr eind 1997 terug met Stemmen in de nacht - zoals zij Schubert zingt, een album vol Schubert-liederen, door Herman Pieter de Boer voorzien van Nederlandstalige teksten. In haar uitvoering klinken de liederen als "mooie chansons". Haar zwager Nico van der Linden (piano) en Fred Snel (contrabas) begeleidden haar op dit album, waarmee ze voor het eerst in 17 jaar de album hitlijsten weer haalde. Nico van der Linden produceerde samen met Lenny Kuhr ook de opvolger Oeverloze liefde. Dit album bevatte onder meer twee duetten met haar zus Ine Kuhr. Optreden in het theater deed ze slechts sporadisch, samen met Van der Linden, later met Gerard de Graaf op piano en bassist Joop de Man.
In het najaar van 2001 verscheen Fadista, een album met Nederlandstalige fado's. Een jaar later stond ze met dit repertoire op het Folkwoods Festival in Eindhoven. Ze trad op met haar nieuwe band: Gerard de Graaf (piano, accordeon), Cor Mutsers (gitaar) en Eric Coene (bas). Het bleek het begin van een nieuw hoofdstuk in haar carrière waar jaarlijkse theatertours een vast onderdeel van zouden worden.
Op de grens van jou en mij In juni 2003 trouwde Kuhr met Rob Frank, die ook in haar loopbaan een belangrijke rol vervult, als manager en als tekstschrijver. Zijn teksten zijn volgens haar "aardser en directer" dan het "prachtig lyrisch[e]" werk van Herman Pieter de Boer. Franks eerste tekst voor Kuhr, Op de grens van jou en mij werd de naam van haar nieuwe theaterprogramma, dat in september 2003 in première ging. De toer én de gelijknamige cd die zij op 29 maart 2004 – 35 jaar na haar songfestivalwinst – in het Muziekcentrum Frits Philips in Eindhoven presenteerde, werden enthousiast ontvangen door de landelijke media. In het tweede seizoen van het programma (2004-2005) werd Gerard de Graaf opgevolgd door Will Maas op piano en accordeon.
Lovende recensies waren er ook voor het volgende theaterprogramma en album, getiteld Panta Rhei. In 2006 werd Jurre Hogervorst haar nieuwe bassist.
40 Jaar verliefd