thumb|Interviewfragment bij DWDD in 2017 over de start van een onderzoek met behulp van big data waarvan in 2022 de resultaten naar buiten kwamen. Het verraad van de onderduikers in het Achterhuis is het mogelijke verraad van het onderduikadres van acht personen die waren ondergedoken in het Achterhuis in Amsterdam. Onder hen was Anne Frank. Op 4 augustus 1944 werden ze bij een huiszoeking ontdekt en gevangengenomen. Daarna werden ze via Kamp Westerbork naar Duitse concentratiekampen gedeporteerd. Alleen Otto Frank overleefde de ontberingen.
Onderzoeken naar het mogelijke verraad hebben verschillende daderhypotheses opgeleverd, maar geen sluitend bewijs. Na de oorlog werd verschillende keren onderzoek gedaan, hetgeen niks opleverde. In 1948 werd onderzoek gedaan door Politieke Recherche Afdeling, in 1957 door de Duitse journalist Ernst Schnabel en door de Nederlandse en Oostenrijkse autoriteiten in 1963. De Anne Frank Stichting publiceerde in 2016 de resultaten van een onderzoek, waarin de mogelijkheid genoemd werd dat de onderduikers bij toeval ontdekt werden. In januari 2022 verscheen het boek Het verraad van Anne Frank, waarin een theorie werd gepresenteerd dat een lid van de Joodse Raad het adres gekend zou hebben en doorgegeven zou hebben aan de Zentralstelle für jüdische Auswanderung in Amsterdam (Joodse emigratie), de organisatie verantwoordelijk voor de deportatie van Joden door de nazi's. Na veel kritiek werd dit boek in maart 2022 door de uitgever uit de handel gehaald.
Achtergrond De Joodse familie Frank, gevlucht uit Duitsland om aan de vervolging door de nazi's te ontkomen, had zich in de jaren 1930 in Amsterdam gevestigd. Het gezin bestaande uit Otto Frank, zijn vrouw Edith, en hun dochters Margot en Anne, was na de bezetting van Nederland door de nazi's ook niet veilig. Nadat Margot een oproep had ontvangen om zich te melden voor 'tewerkstelling in Duitsland' dook het hele gezin op 6 juli 1942 onder. Zij verstopten zich in een achterhuis achter het bedrijf van Otto Frank op de Amsterdamse Prinsengracht 263. De deur naar de hogere verdiepingen van dit achterhuis zat verstopt achter een boekenkast. Anne Frank was toen net 13 jaar oud, Margot was 16 jaar.
Een week later doken ook Otto Franks zakenpartner Hermann van Pels (in het dagboek "Van Daan"), diens echtgenote Auguste en hun zoon Peter onder in het Achterhuis. Vier maanden later voegde een andere Duits-Joodse vluchteling, Fritz Pfeffer ("Albert Dussel"), zich bij het gezelschap. De groep van acht personen dook meer dan twee jaar succesvol onder. De onderduikers werden echter ontdekt en samen met twee van hun helpers, Victor Kugler ("Kraler") en Johannes Kleiman ("Koopman"), op 4 augustus 1944 gearresteerd door de Gestapo en Nederlandse politiemannen.
Arrestatie Ongeveer tussen tien uur en half elf op de warme zomerochtend van vrijdagmorgen 4 augustus 1944 stopte een Duitse auto voor de openstaande magazijndeuren van het pand aan de Prinsengracht 263. Een geüniformeerde Oostenrijker, Karl Silberbauer, vergezeld door vier à vijf Nederlandse SD'ers (als burger verkleed), onder wie Maarten Kuiper, liep het pand binnen. Een lid van het gezelschap stelde een vraag aan de op de begane grond werkzame Willem van Maaren. Deze antwoordde: 'Boven' en stak zijn duim omhoog. Een Nederlandse SD'er bleef beneden, terwijl de rest zich naar de eerste verdieping begaf. Na een snelle zoektocht door het gebouw begaf de geüniformeerde Duitser zich naar de plek waar de toegang tot het achterhuis was. Men schoof de boekenkast open die de ingang verborg. Met de inmiddels gearresteerde Victor Kugler (een van de achterhuis-helpers) voorop begaf het gezelschap zich naar de vertrekken waar de onderduikers zich bevonden. Op bevel van Silberbauer moesten de onderduikers hun geld en sieraden afstaan.
De Nederlandse SD'ers doorzochten de vertrekken van het achterhuis op geld en kostbaarheden. De gearresteerden kregen de gelegenheid kleding en toiletgerei te pakken. Een Nederlander bestelde telefonisch een vrachtauto, groot genoeg om het gehele gezelschap te kunnen vervoeren. Na lang wachten arriveerde het vervoer rond 13.00 uur. De onderduikers werden naar een schoolgebouw aan de Euterpestraat gebracht, waar zich het hoofdkwartier van de Aussenstelle Amsterdam des Befehlshabers der Sicherheitspolizei und des SD bevond. Later vertelde Silberbauer - die was opgespoord door Simon Wiesenthal - dat hem door zijn superieur Julius Dettmann was opgedragen onderduikers te arresteren op de Prinsengracht 263. Dettmann zei hem daarover telefonisch ingelicht te zijn. Doordat deze Dettmann na de Duitse nederlaag zelfmoord heeft gepleegd, is onbekend met wie Dettmann dat telefoongesprek gevoerd heeft en of het telefoontje daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Verdachten Willem van Maaren (1895-1971) De chef van het magazijn van Opekta, Willem van Maaren,Personenoverzicht op website AnneFrank.org had een onderzoekende aard. Hij toonde zich nieuwsgierig naar wat er zich in het achterhuis van het Opekta-pakhuis bevond. Hij werd betrapt op kleine diefstallen uit de magazijnen. De helpers van de onderduikers voelden zich nooit zeker over Van Maarens betrouwbaarheid. Victor Kugler, Bep Voskuijl en Johannes Kleiman verdachten hem van het verraad, terwijl Miep Gies en Otto Frank er niet zeker van waren. Tijdens het in 1948 uitgevoerde onderzoek naar het verraad ontkende Van Maaren daarbij betrokken te zijn. Wel gaf hij toe vermoed te hebben dat er in het pand iets aan de hand was. Van Maaren, weinig geliefd in zijn omgeving, had geen Duitse of nazi-sympathieën. Van antisemitisme heeft hij, voor zover bekend, nimmer blijk gegeven. Dat zijn diefstallen de bewoners van het achterhuis en hun helpers achterdochtig én angstig maakten, is begrijpelijk. De helpers konden tijdens het onderzoek in 1948 geen feiten die op verraad wezen, aandragen. De recherche vond dat ook. Na zijn voorwaardelijke invrijheidstelling ging Van Maaren tegen die beslissing in verzet met als gevolg dat hij geheel vrijgesproken werd.
Hij werd tot 1963 met rust gelaten. Toen werd hij opnieuw als verdachte gehoord, nadat Karl Silberbauer was ontdekt in Oostenrijk. Ook dit onderzoek leverde geen ondersteuning voor de aanname dat Van Maaren bij het verraad betrokken zou zijn. Op 4 november 1964 werd het dossier-Van Maaren door de Rijksrecherche gesloten en naar de officier van justitie gestuurd. In de begeleidende brief stond 'dat het onderzoek niet heeft kunnen leiden tot enig concreet resultaat'. Rechercheur A.J. van Helden noemde vervolgens ook nog een vijftal ontlastende factoren: Van Maaren weigerde uit principe steun van de nationaalsocialistisch getinte Winterhulp-Nederland, die het monopolie op liefdadigheid had; Van Maaren kende de ondergedokenen niet zodat de factor rancune ontbrak; Van Maaren zat financieel aan de grond, maar van een (verraad)vergoeding blijkt niets; Van Maaren heeft geholpen delen van Annes dagboek in veiligheid te brengen, terwijl hij het gemakkelijk aan de SD had kunnen geven en Van Maaren werd door ex-verzetsmensen uit zijn buurt niet sympathiek gevonden, maar hij leek hun geen verrader van ondergedoken Joden. Hoewel hij wist van verzetsactiviteiten in zijn buurt, had hij nooit de Duitsers ingelicht.
Toch was niet iedereen van zijn onschuld overtuigd. Zo schreef Kugler nog in 1964 aan Bep Voskuijl over Van Maaren: 'Het is erg genoeg de dood van zeven mensen op het geweten te hebben en schuldig te zijn aan de ellende van drie anderen gedurende bepaalden tijd'. Meer dan tien jaar later schreef Otto Frank in een brief dat Van Maaren niet vervolgd kon worden, 'Aangezien er geen bewijzen zijn.'
Lena Hartog-van Bladeren (1897-1963) Melissa Müller beschuldigt Lena Hartog-van Bladeren van het verraad in haar in 1998 verschenen biografie van Anne Frank. Hartog-van Bladeren was de echtgenote van Lammert Hartog, die van het voorjaar 1944 tot augustus 1944 magazijnknecht bij Opekta, het bedrijf van Otto Frank, was geweest. Hartog-van Bladeren werkte als schoonmaakster op de Prinsengracht 263. Zij ontkende weliswaar tijdens een naoorlogs verhoor dat zij ooit op de Prinsengracht 263 had gewerkt, maar deze getuigenis bleek onjuist. 'Het is zeker dat Lammert Hartog zijn vrouw Lena over de verstopte Joden heeft verteld', schrijft Müller. Volgens Müller maakte Lena zich ernstig zorgen over de veiligheid van haar man en haar zoon Klaas. Voor haar man, omdat hij ergens werkte waar Joden ondergedoken waren, en voor haar zoon die door de verplichte Arbeitseinsatz in de buurt van Berlijn werkte, maar die per 22 augustus 1944 vrijwillig bij de Kriegsmarine diende. Daarom is het volgens Müller aannemelijk dat Hartog-van Bladeren de persoon is geweest die op 4 augustus 1944 de Duitsers belde om de Joden op Prinsengracht 263 aan te geven. Vanwege de geringe kwaliteit van het politieonderzoek in 1947-1948 vermoedt Müller dat Hartog-van Bladeren nooit door de mand is gevallen. Omdat zij in 1963 overleed, kon ze niet meer voor een tweede keer verhoord worden.
Melissa Müller gaat bij haar reconstructie uit van een aantal aannames. Lammert Hartog wist twee weken vóór de inval dat er Joden verborgen waren, maar de bewering 'Het is zeker dat Lammert Hartog zijn vrouw Lena over de verstopte Joden heeft verteld', kan niet bewezen worden. Als zij zo bezorgd zou zijn over het lot van haar man, waarom zou zij dan de SD gebeld hebben op het moment dat haar man daar werkte? Deze wist in elk geval in zijn verhoor door de Politieke Recherche Afdeling (PRA) te vertellen wat zich bij de inval afspeelde en hij bleef nog een 'dag of drie, vier' daar werken. Daartegenover staat evenwel de verklaring van Kleiman, die de PRA vertelde dat Hartog 'bij de komst van de S.D. zijn jasje al aan had. Hij nam onmiddellijk de benen en wij hebben hem niet meer teruggezien.'
Wat kan het verraad te maken hebben gehad met het lot van haar zoon? Die was vrijwillig bij de Kriegsmarine gegaan, met als ingangsdatum 22 augustus 1944, en zij had wellicht langere tijd niets van hem gehoord. Maar toen zij zogenaamd de SD zou hebben gebeld, was er nog niets met haar zoon aan de hand. Pas zeven jaar na de oorlog wordt zijn dood officieel aangegeven in Berlijn bij het Standesamt 1, waarbij zijn overlijdensdatum op Anfang Mai 1945, Tag nicht bekannt, wordt gesteld. In die datum kan veel speling zitten, maar het is uitgesloten dat Lena in augustus 1944 de dood van haar zoon bijna negen maanden later voorzag.
De 'hardnekkige geruchten' dat er sprake was geweest van een vrouwenstem zijn terug te brengen tot een mededeling van Cor Suijk, voormalig directielid van de Anne Frank Stichting en een vertrouweling van Otto Frank. Hij had dit lang geleden gehoord van Frank. Ook de weduwe van Frank, Elfriede Frank-Markovits, vertelde kort voor haar dood in oktober 1998 dat er sprake was geweest van een vrouwelijke stem. Ook zij wist dat van haar man. Waar Otto Frank die kennis van had, blijkt nergens uit. Cor Suijk heeft substantieel bijgedragen aan het boek van Melissa Müller en het is voorstelbaar dat Melissa Müller met de vrouwenstem als uitgangspunt op zoek gegaan is naar een passende verdachte.
Tonny Ahlers (1917-2000)