De Yuan-dynastie was de keizerlijke dynastie die China van 1279 tot 1368 regeerde. Ze volgde de Song-dynastie op. De Yuan-dynastie was de voortzetting van het Mongoolse Rijk en een nieuwe dynastie in China. In de Yuan Shi (de geschiedenis van de Yuan), geschreven in 1370, tijdens de volgende Ming-dynastie (1368-1644), is de Yuan-dynastie synoniem voor het Mongoolse rijk. Volgens dat boek begint de dynastie met de aanstelling van Dzjengis Khan in 1206 tot khagan. Latere Chinese historici die de Yuan als een uitsluitend Chinese dynastie zagen, plaatsten de aanvang van die dynastie bij de finale val van de Zuidelijke Song-dynastie in 1279.
De naam Yuan zelf werd pas vanaf eind 1271 gehanteerd toen het de term Groot Mongools Rijk verving als de formele benaming van het rijk. Het karakter yuan betekent "begin". Het is het eerste karakter van het Boek der Veranderingen dat gerekend wordt tot een van de Vijf Klassieken. De Yuan werd met deze naam de eerste dynastie sinds de Zhou-dynastie (ongeveer 900 v. Chr. – 265 v. Chr.) die een naam koos die niet naar een specifiek gebied in China verwijst.
Het machtscentrum dat Koeblai Khan (1215-1294) creëerde in het noorden van China verschilde van het bestuur van eerdere Mongoolse khans. Met de verkiezing van Koeblai Khan tot Groot Khan op de khuriltai van 1260 verving dit nieuwe machtscentrum de oudere machtscentra in Mongolië. Vrijwel alle hedendaagse historici laten de periode van de Yuan-dynastie als een apart te onderscheiden deel van een inmiddels verdeeld Mongools rijk aanvangen in 1260.
Dynastieën van veroveraars Vanaf het begin van de tiende eeuw hebben een aantal niet-Chinese volken grote delen in vooral het westen en het noorden van China beheerst en daar een eigen dynastie gecreëerd. De eersten waren de Khitan, een volk uit het stroomgebied van de rivier de Liao in Mantsjoerije. Zij vestigden de Liao-dynastie (907-1125). Vanaf het midden van de tiende eeuw beheersten zij Mantsjoerije, het oosten van Mongolië, delen van Shanxi en een groot gebied rondom het huidige Peking. Hun macht werd gebroken door een tijdelijke coalitie van de Song-dynastie en de Jurchen. Een deel van de Khitan vluchtte daarop naar het westen, waar zij in 1124 het rijk van de Westelijke Liao (Kara-Kitan) stichtten. In 1218 werd dat rijk door Dzjengis Khan (1162-1227) weer vernietigd. left|thumb|Het rijk van de Jin-dynastie De tweede groep waren de Tangut, die tussen 1038 en 1227 over het noordwestelijke deel van China heersten en de Xixia-dynastie (1038-1227) stichtten. Hun rijk omvatte het Ordosgebied, Gansu, Shaanxi en het westelijk deel van Binnen-Mongolië. Het rijk controleerde de handelsweg van China naar Centraal-Azië (het oostelijk gedeelte van de zijderoute). Dit rijk werd in 1227 door Dzjenghis Khan veroverd.
De derde groep waren de Jurchen, eveneens uit Mantsjoerije afkomstig. Nadat zij in de tijdelijke coalitie met de Song de macht van de Khitan hadden gebroken, veroverden zij het grootste deel van het noorden van China. Zij stichtten de Jin-dynastie (1115-1234). Na de definitieve nederlaag van de Noordelijke Song vormden zij nog lange tijd een bedreiging voor de Zuidelijke Song. Pas in 1141 werd er een vorm van vrede gesloten en stabiliseerde zich de situatie. De oprukkende Mongolen waren de aanleiding voor de vlucht van de Jin in 1214 uit Peking, die dan van Kaifeng hun hoofdstad maakten. In 1232 werd die stad belegerd door de Mongolen onder leiding van Ögedei Khan, derde zoon van Dzjengis Khan, in een coalitie met troepen van de Zuidelijke Song. In de stad brak een enorme epidemie uit, waarbij ongeveer 800.000 mensen zouden zijn omgekomen. De finale val van de Jin-dynastie was in 1234.
De vorming van de Yuan-dynastie
Vanaf 1251 is Möngke Khan (1208-1259) de vierde khagan van het Mongoolse rijk. Hij gaf Koeblai Khan een leengoed en de supervisie in het noorden van China. Koeblai Khan begon daar functionarissen met het gedachtegoed van Confucius te rekruteren. Koeblai Khan creëerde een nieuwe bestuurlijke elite die bestond uit zowel functionarissen uit de Jin-dynastie en nieuwe groepen van immigranten als Oeigoeren, Tangut, moslims uit het Midden-Oosten of Turkestan en ook nog enkele christenen. thumb|left| Schilderij van Koeblai Khan op de jacht van de Chinese hofschilder Liu Guandao, c. 1280. Na de dood van Möngke in 1259 ontstond een machtsstrijd tussen Koeblai Khan en zijn broer Ariq Boke. De laatste trachtte zijn positie in Mongolië te gebruiken om de steun te krijgen van de oude Mongoolse elite die onder Möngke had gediend alsmede die van de heersers van het Kanaat van Chagatai en de Gouden Horde.
Koeblai Khan had de controle over het noorden van China en wist die ook te behouden. Zijn steun was afkomstig van daar en in Binnen-Mongolië wonende Mongolen, een aantal Chinese groepen en door hem gemobiliseerde migranten. Koeblai Khan heeft zijn overwinning op Ariq Boke in belangrijke mate te danken aan de veel betere organisatie van zijn bestuur. Hij kon daardoor veel effectiever militaire uitrusting en menskracht mobiliseren en inzetten. Gedurende deze campagne werd Kaiping het militaire hoofdkwartier van Koeblai Khan. Yanjing – het huidige Peking – werd de stad van waaruit de legers van Koeblai Khan werden bevoorraad. Hij wist Ariq Boke en zijn troepen in zijn hoofdkwartier Karakorum te omsingelen met een grote hongersnood daar als gevolg. Alghu, de heerser van het kanaat van Chagatai, liep naar Koeblai Khan over en in 1264 vond de overgave van Ariq Boke plaats. Hierna erkenden ook Berke, heerser van de Gouden Horde en Hulagu van het Il-kanaat de overwinning van Koeblai Khan.
De vorming van het rijk thumb|260px|Inname van Peking in 1213.Illustratie uit de Jami' al-tawarikh van de Perzische historicus Rashid al-Din thumb|260px|Bij de verovering van Xiangyang in het zuiden gebruikten de Yuan werktuigen als deze trebuchet thumb|250px|Brief van Koeblai Khan uit 1266 aan de ´´koning van Japan´´ Het hart van het rijk van de Yuan was het noorden van China, Mantsjoerije en Binnen-Mongolië. Het laatste gebied was al in 1211 door de Mongolen veroverd. In 1214 begon de verovering van het noorden van China. Op het tijdstip van het overlijden van Dzjengis Khan in 1227 was het gebied van Hebei, Shanxi en Gansu onder controle gebracht. Ögedei Khan (1189-1241) veroverde geheel Mantsjoerije, Shaanxi en Henan. Deze gebieden kregen te maken met een sterke daling van de bevolking. Binnen-Mongolië werd verdeeld in gebieden voor de aristocratie van de Mongolen en die van hun bondgenoten. Mantsjoerije werd gegund aan families van de nazaten van de broers van Dzengis Khan.
Ongeveer de helft van het noorden van China werd verdeeld in apanages voor de leden van de aristocratie. Gedurende en na de militaire campagnes werden stadsmuren vernietigd, werd de bevolking gedwongen om zich te hervestigen in gemakkelijk te controleren plaatsen en werd een verblijfplaats op het dunbevolkte platteland verboden. Grote delen werden herbestemd als weidegebied voor de kudden van de Mongoolse garnizoenen. Koeblai Khan verplaatste de hoofdstad naar Yanjing, dat hernoemd werd als Daidu (Grote Hoofdstad, Peking). Kaiping kreeg de naam Xanadu en bleef de zomerresidentie.
Tussen 1240 en 1260 veroverden de Mongolen de belangrijkste steden van Sichuan en een deel van het huidige Yunnan. Vanaf 1250 werd Tibet gecontroleerd. Korea ging pas vanaf 1270 deel uitmaken van het Yuan-rijk. In 1279 is de val van de Zuidelijke Song compleet en maakt ook het zuiden van China deel uit van het rijk van Koeblai Khan. Bij de verovering van het zuiden kon door andere terreinomstandigheden de Mongoolse cavalerie maar een beperkte rol spelen. Die verovering werd – net als bij de Mantsjoes vierhonderd jaar later – voor het grootste deel uitgevoerd door Chinese legers, die voor een groot deel bestonden uit naar de Mongolen overgelopen troepen.
Bij de verovering van het zuiden werd de verwoesting die in het noorden had plaatsgevonden vermeden. Het resultaat was dat de bevolking van het zuiden aanzienlijk omvangrijker bleef dan die in het noorden. Latere Chinese historici hebben de hereniging van het noorden en zuiden als een van de belangrijkste verworvenheden van de dynastie beschreven. De Mongolen zelf bleven de gebieden verschillend zien en hanteerden ook verschillende woorden daar voor. Kitad en nanggiyad waren de woorden voor respectievelijk het zuiden en het noorden. De Mongolen hadden weinig vertrouwen in Chinezen uit het zuiden, zij wantrouwden hun loyaliteit. Het aantal functionarissen uit het zuiden was ondanks het daar aanwezige bevolkingsoverwicht aanzienlijk kleiner.
Invasies van Japan in 1274 en 1280 mislukten. Dat gold ook voor een invasie op Java in 1292. Invallen in Myanmar in 1282-1287 en Vietnam in 1285-1288 hadden ook weinig resultaat. Het enige was dat beide landen tribuutplichtig werden. Een invasie in Thailand in 1301 was het einde van de militaire ambities van de Yuan in het zuiden van Azië.
Mongolië bleef zelf belangrijk als een grensgebied en als de plaats waar de voorouders begraven waren. Het laten bezetten door garnizoenen van Mongolië was tot aan de dood van Mingzong in 1329 de gebruikelijke weg naar de macht. De Yuan-dynastie maakte aanspraak op een autoriteit boven alle andere Mongoolse staten. Het Il-kanaat, gesticht door Hulagu, een broer van Koeblai Khan, bracht dat tot uitdrukking in zijn munten. Na 1269 begonnen de andere takken van de afstamming van Dzjenghis Khan de suprematie van de Yuan te verwerpen. In 1304 sloten de diverse Mongoolse heersers weer vrede. Vooral de relaties met het Il-kanaat bleven, ondanks spanningen in het westen van Tibet, hecht tot aan de val van dat kanaat in 1335. De khans van de Gouden Horde bleven delegaties naar de Yuan zenden tot na 1340. De relaties met het kanaat van Chagatai bleven ook na 1304 voortdurend gespannen.
Het bestuur van het rijk
De Yuan deelden de bevolking van het rijk in volgens een aantal categorieën. De eerste waren de Mongolen zelf. Hiertoe behoorden ook Mongoolse groepen die eerder door Dzjengis Khan overwonnen waren, zoals de Keiraïten. De tweede categorie werd de Semuren genoemd. Dat heeft een betekenis als Gemengde categorieën. Dit waren bijvoorbeeld Oeigoeren, Tangut, Perzen, Turken,Naimanen en enkele christenen. Han. Daarmee werden Chinezen uit het noorden van China bedoeld. Chinezen uit het zuiden van China.
De hoogste bestuurlijke en administratieve functies in het rijk werden bezet door vertegenwoordigers vanuit de eerste twee categorieën. In 1315 werd het examenstelsel in China weer hersteld. Iedere categorie kreeg eenzelfde quotum, dat gezien hun veel kleinere aantallen de Mongolen en de Gemengde Categorieën een enorm voordeel gaf.
Anders dan bij de Chinese dynastieën hanteerden de Mongolen geen eerstgeboorterecht als principe voor opvolging. Iedere man die in rechte lijn rechtstreeks van Dzjengis Khan afstamde kon in principe khagan en later keizer van de Yuan-dynastie worden. Tot aan 1311 waren de khuriltais een forum waar ook echt gedebatteerd werd over de opvolging. Vanaf de troonsopvolging van Geegen Khan in 1320 werden ze echter een formaliteit. thumb|300px|Bestuurlijke indeling tijdens de dynastie Veel van de door de Mongolen opgezette administratieve structuur was ontleend aan die van de Jin-dynastie. Een Centraal Secretariaat was het voornaamste orgaan van het civiele bestuur. Het tweede belangrijke orgaan was het Departement voor Militaire Zaken. Er waren daarnaast tientallen onafhankelijk van die twee opererende organisaties die bijvoorbeeld belast waren met de organisatie van de bezittingen, bedrijven, huishoudens, etc. die eigendom waren van de keizerlijke familie alsmede het Ministerie voor Boeddhistische en Tibetaanse Zaken.