thumb|Vlaamse voetsoldaten doen de Franse cavalerie in chaos wijken. Miniatuur uit de Grandes Chroniques de France, ca. 1390-1401. De Guldensporenslag of de Slag bij Kortrijk is een veldslag die plaatsvond op vrijdag 11 juli 1302 te Kortrijk. De slag was een episode in de Vlaamse Opstand, een conflict tussen het graafschap Vlaanderen en het Franse koninkrijk. Aan de kant van de graaf van Vlaanderen vochten krijgslieden uit het graafschap Namen.
De slag was in militair opzicht opmerkelijk, omdat een leger bestaande uit ambachtslieden een ridderleger versloeg. Vandaag wordt de Guldensporenslag herdacht bij de Vlaamse feestdag.
Aanleiding
Politiek conflict Het graafschap Vlaanderen was hiërarchisch een onderdeel van het koninkrijk Frankrijk, maar het graafschap en de Vlaamse steden genoten een autonome status. Zo ontvingen de drie grote Vlaamse steden Brugge, Gent en Ieper al in de 12de eeuw hun stadsrechten. Deze stadsrechten waren privileges verleend door de Franse koning, zodat zij een autonomere koers konden varen, in strijd met het gangbare feodale systeem. Op economisch vlak was het graafschap Vlaanderen de rijkste regio van het Franse koninkrijk, voornamelijk door de lakenindustrie en de hoge bevolkingsgroei. Ook kwam dit door de economische verwevenheid met Engeland, dat wol uitvoerde naar het graafschap Vlaanderen.
Aan het einde van de 13de eeuw was koning Filips IV van Frankrijk in oorlog met koning Eduard I van Engeland. Hierdoor kozen de Vlaamse steden de kant van de Engelsen. Graaf Gwijde van Dampierre liet zijn dochter Filippa van Vlaanderen huwen met de Engelse koning. Zowel de Vlaamse graaf als zijn dochter werden gevangengenomen door Filips, maar kwamen uiteindelijk vrij in 1297 en de graaf zegde zijn leenmanschap bij de Franse koning op. Hierop viel Frankrijk Vlaanderen binnen, waardoor de Vlaamse steden in Franse handen vielen. Eduard I van Engeland zond hulptroepen om Vlaanderen bij te staan. Maar in 1298 onderhandelden Engeland en Frankrijk een vredesakkoord en werd een wapenstilstand ondertekend in 1297.
Frankrijk nam het feitelijk gezag over in de Vlaamse steden en nam belangrijke edelen gevangen, onder wie graaf Gwijde van Dampierre en zijn zonen, Robrecht III van Vlaanderen en Willem van Dendermonde. De Franse koning stelde Jacques de Châtillon aan als landvoogd. In mei 1301 hield de Franse koning Filips IV een reeks van Blijde Intredes in de Vlaamse steden.
Sociaal conflict Tijdens het politieke conflict vormde zich ook een sociaal conflict tussen de Leliaards en de Liebaards. De Leliaards waren Vlaamse edelen en patriciërs trouw aan de Franse kroon. De Liebaards (later Klauwaards genaamd) bestonden voornamelijk uit de volksklasse van ambachtslieden; zij waren aanhangers van de Vlaamse graaf.
Er ontstond een grote sociale ongelijkheid. De Vlaamse patriciërs werden zeer rijk door de lakenhandel, maar ook ontstond er een grote armoede bij de ambachtslieden. Hoewel de ambachtslieden de uitvoerende kracht waren achter de rijke lakenhandel, kregen zij weinig verloning of macht. De ambachtslieden zouden zich verenigen door de verschillende gilden, maar konden in de praktijk weinig rechten opbouwen. Hierdoor raakte het graafschap verdeeld in twee kampen en ontstond er een sociale strijd. Een populaire wever uit Brugge, Pieter de Coninck, kwam op voor de ambachtslieden en was een sterke publieke spreker. Onder zijn leiding ontstond er een opstand vanuit de ambachten tegen de Vlaamse patriciërs.
Vlaamse Opstand Naar aanleiding van de politieke en sociale onrust kwamen de Vlaamse steden in opstand tegen de Franse aanwezigheid en de Vlaamse patriciërs. Zo ontstond in maart 1302 een opstand in Gent na een belastingverhoging. Als gevolg werden de Fransgezinde leliaards de stad uitgezet en grepen de Liebaards opnieuw de macht. De Franse landvoogd Jacques de Châtillon organiseerde zijn leger om Gent en Brugge weer in zijn greep te krijgen. Uiteindelijk gaf het Gentse stadsbestuur toe uit vrees voor represailles en zou Gent zich verder afzijdig houden.
Toen een Frans garnizoen Brugge bezette werd het in de nacht van 18 mei 1302 door de Liebaards massaal afgeslacht. Jacques de Châtillon kon op het nippertje ontsnappen. Later zou men deze nacht de Brugse Metten noemen. Toen werd het duidelijk voor de Vlaamsgezinde Liebaards dat een gewapend conflict onvermijdelijk zou worden. De kleinzoon en zoon van Gwijde van Dampierre, Willem van Gulik en Gwijde van Namen, zouden het verzet organiseren. Zij stelden een leger samen bestaande uit ambachtslieden en boeren, samen met enkele stedelijke milities en ridders.
Strijdmacht Frans leger miniatuur|Het wapenschild van het Franse legerHet Franse leger bestond uit: 2500 man adellijke cavalerie (schildknapen inbegrepen) 1000 kruisboogschutters 2000 piekeniers 3000 andere soldaten. Onder de cavalerie bevonden zich 250 Brabantse ruiters; onder de kruisboogschutters en voetsoldaten vochten honderden Italiaanse en Spaanse huurling-ruiters. Het stond onder de leiding van Robert II van Artesië (Robrecht d'Artois). Dit leger was in aantal ongeveer even groot als de Vlaamse strijdmacht, maar kwalitatief was het veel sterker door het aantal gepantserde ruiters.
Vlaams leger miniatuur|Het wapenschild van het Vlaamse legerHet Vlaamse leger bestond uit: Brugge (volgens de Brugse stadsrekeningen tussen 2600 en 3700 krijgers, waaronder 320 kruisboogschutters) onder leiding van Willem van Gulik, bijgestaan door Hendrik van Lontzen. het Brugse ommeland van de kust (het Brugse Vrije), zo'n 2500 man geleid door Gwijde van Namen, zoon van Gwijde van Dampierre. Ieper; 500 man onder leiding van Phillipus Baelde en Pieter van Belle, en 500 man die in reserve werden gehouden onder bevel van Jan III van Renesse. "Oost-Vlaanderen", 2500 man, onder andere van Oudenaarde en Aalst (Rijks-Vlaanderen) en 700 uit Gent, geleid door Jan Borluut. Het stadsbestuur van Gent daarentegen had de kant gekozen van de Franse koning tegen de daar residerende graaf van Vlaanderen.
In totaal waren er zo'n 9000 man (in elk geval tussen 8500 en 11000, daarvan 2/3 uit Brugge), waarvan vermoedelijk slechts 350 ridders te paard. Er waren ook Brabantse troepen (de meesten wel aan Franse zijde), troepen uit Zeeland en troepen uit het graafschap Namen aanwezig die aan Vlaamse zijde meevochten.
Verloop van de slag miniatuur|De opstellingen in de Guldensporenslag thumb|14e-eeuws miniatuur uit de Grandes Chroniques de France thumb|Vlaamse Infanterie bij de Guldensporenslag (bron: Nuova Cronica) thumb|Vlaamse en Franse cavalerie (bron: Nuova Cronica) Het Franse leger trok rond juni 1302 naar het graafschap Vlaanderen om de slachting in Brugge te wreken en Vlaanderen weer onder Franse controle te brengen. Op 8 juli kwam het leger aan in Kortrijk.
Het Vlaamse leger stelde zich op in een uitgerekte U-vorm achter de Grote Beek en de Groeningebeek, met aan zijn rechterkant de stad Kortrijk en achter zich de Leie, die daar een bocht maakte. Er werden drie vleugels opgesteld: de linkerflank, de "Oost-Vlamingen" (onder leiding van Gwijde van Namen), de rechterflank, de Bruggelingen en in het midden, bij de samenvloeiing van de Grote Beek en Groeningebeek (vlak bij de huidige Sint-Janskerk), de andere "West-Vlamingen". Het leger van Ieper (ongeveer 500 man) bewaakte de burcht van Kortrijk, waar zich nog een klein garnizoen met 334 Franse soldaten bevond. Het Zeeuwse reserveleger van Jan van Renesse werd achter de drie linies opgesteld. Dat moest in eerste instantie ervoor zorgen dat niemand week of wegvluchtte, en hen desnoods doden.J.F. Verbruggen & Rolf Falter, 1302 Opstand in Vlaanderen, Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2001, Het bevel van de Vlaamse legerleiding luidde: "Dood de vijanden. Sla vooral naar de paarden.Lodewijk van Velthem, Spiegel historiael | Vijfde Partie, p. 306Chronicon comitum Flandrensium – Corpus chronicorum Flandriae I, p. 168. "Vlaanderen ende Leu" is onze strijdkreet."Lodewijk van Velthem, Spiegel historiael, Vijfde Partie, pp. 303-306.
Hoewel er 350 Vlaamse ruiters waren, waarvan een aantal geleverd werd door Jan I van Namen, zoon van Gwijde van Dampierre, en enkele ingehuurde ridders uit de Maaskant en de Rijnstreek, vochten alle Vlaamse strijders te voet. Zelfs Willem van Gulik en Gwijde van Namen stegen van hun paard af, namen een goedendag en een piek en stelden zich op tussen hun krijgers. Alleen Jan van Renesse overschouwde van op zijn paard het strijdgewoel vanuit de achterhoede.
Veel Vlaamse krijgers zonnen op wraak: boeren die zwaar geleden hadden onder de plundertochten van het Franse leger in 1297-1300; ridders, in het bijzonder Gwijde van Namen, met gevangen familieleden; Willem van Gulik, wiens oudere broer gesneuveld was in 1297 nabij Veurne bij gevechten tussen het Engelse leger en de Fransen onder leiding van Robert van Artesië.
Robert van Artesië moest deze omgeving goed kennen, want hij was opgevoed in Kortrijk door zijn tante Beatrijs, de weduwe van Willem II van Vlaanderen, de oudere broer van Gwijde van Dampierre. Ook Rudolf van Nesle had hem gemaand tot voorzichtigheid en aangeraden de Vlamingen uit hun gunstige positie te lokken. Jean de Burlats, de aanvoerder van de Franse kruisboogschutters, stelde voor de hele dag de Vlaamse stellingen te bestoken. Ook Godevaart van Brabant, die zich onderscheidde in de Slag bij Woeringen in 1288, sloot zich aan bij deze mening en stelde dat de Vlamingen vermoeid en ontmoedigd zouden geraken. Robert van Artesië, met zijn reputatie van geduchte aanvoerder, was het daarmee oneens en stelde dat zijn leger de tegenstand gerust aankon, waarbij een beetje weerstand pas een uitdaging vormde.
Robert van Artesië liet daarop zijn troepen oprukken van de Pottelberg naar de Grote Beek en de Groeningebeek.Waar is de Groeningebeek?, Kortrijk gisteren, vandaag en morgen, bezocht 14 juni 2020. Gearchiveerd op 9 april 2023. Tegenover de Bruggelingen langs de Grote Beek stelden zich riddereenheden (bataelge) op, waaronder het Brabantse, en de kruisboogschutters van Jean de Burlats. De troepen van Rudolf van Nesle en Mathieu de Trie stonden tegenover de eenheden van het Brugse Vrije en andere West-Vlamingen. De eenheden uit het hertogdom Normandië, Picardië, graafschap Henegouwen, onder leiding van Jacob van Châtillon, Lorreinen (Lotharingen) en graafschap Champagne stonden langs de Groeningebeek, onder rechtstreeks bevel van Robert van Artesië. Hij hield zijn eigen troepen in reserve achter de eenheden uit Lorreinen.thumb|14e-eeuwse prent van de veldslag (bron: Nuova Cronica)Rond de middag van 11 juli begon de strijd. Eerst werden er van beide zijden pijlen afgeschoten. De Vlaamse boogschutters raakten al snel door hun voorraad pijlen heen. Het omvangrijke Franse voetvolk (de bidauts) rukte op en stak de beide beken over en wierp stenen en speren op de Vlaamse voorlinie. Deze werden opgevangen door de grote schilden en brachten geen ernstige verliezen aan bij de Vlamingen. Hierop rukten de Vlamingen op en dreigden het Franse voetvolk in de beek te drijven. Omdat dit de aanval van de ruiterij zou bemoeilijken, gaf Robert van Artesië het bevel tot terugtrekking van het voetvolk en de trompetten bliezen ten aanval. Onmiddellijk vielen de Franse ridders aan. Maar een deel van het voetvolk had het bevel niet gehoord. De mythe dat de Franse ridders hun eigen voetvolk hebben vertrapt, blijkt overdreven. De meesten hebben kunnen uitwijken naar de flanken. De linkervleugel, onder leiding van Rudolf van Nesle, snelde naar de Grote Beek, maar moest daar afremmen om over de drie meter brede beek te geraken. Nadat de meeste paarden de overkant hadden bereikt, was de aanloop te kort om een bres in de Vlaamse linies te kunnen maken.thumb|Resten van een goedendag (onder) en van een vermoedelijk langere piek (boven) in het museum Kortrijk 1302