Mensen (Homo sapiens) zijn intelligente primaten die gekenmerkt worden door een rechtopstaande houding, een tweevoetige voortbeweging, een fijne motoriek en het gebruik van werktuigen, een complex taalgebruik en geavanceerde samenlevingen. Homo sapiens is de enige overlevende soort van het geslacht Homo, en maakt samen met de chimpansees, bonobo's, gorilla's en orang-oetans deel uit van de familie Hominidae (mensachtigen).
De moderne mens ontstond ongeveer 300.000 jaar geleden in Afrika. Het evolutionaire succes van de mens wordt verklaard door onder meer het grotere brein met een goed ontwikkelde prefrontale cortex en temporale kwabben, die nodig zijn voor het abstract kunnen denken, taalverwerving, probleemoplossing, evenals de ontwikkeling van socialiteit en cultuur. Mensen gebruiken werktuigen vaker en effectiever dan enige andere diersoort: het zijn de enige levende wezens die vuur beheersen, hun voedsel bereiden, zichzelf kleden en in staat zijn tot het uitdenken van technologieën en het vervaardigen van kunst.
De mens gebruikt symbolische communicatie als taal en kunst om zichzelf uit te drukken en ideeën uit te wisselen. Menselijke sociale interactie leidde tot het ontstaan van uiteenlopende waarden, sociale normen en rituelen, die samen de grondslag vormen van samenlevingen. Het menselijke verlangen om de omgeving te begrijpen en te beïnvloeden leidde tot het ontstaan van kennisgebieden als wetenschap, filosofie, mythologie en religie.
De mensheid leidde voor het grootste deel van haar geschiedenis het bestaan van jager-verzamelaar. Ongeveer 12.000 jaar geleden gingen veel samenlevingen over op een sedentaire levenswijze; de mens domesticeerde planten en dieren, waarna nederzettingen uitgroeiden tot de eerste beschavingen. Wereldwijd vormden zich regeringen, religies en culturen, en verenigden menselijke individuen zich in staten en rijken. De moderne tijd vormde het begin van grote wetenschappelijke, technologische en culturele ontwikkelingen, met een snel groeiende wereldbevolking. Menselijk handelen veranderde het milieu in diverse delen van de wereld ingrijpend.
Naam Etymologie Het woord "mens" (Duits Mensch, Zweeds människa, Deens menneske) is een variant van "man" (Duits Mann, Engels man), dat uiteindelijk zou teruggaan op een Indo-Europese stam *man-: "denken" of *ma-: "meten". Deze stam treft men aan in Latijn mens, mentis: "geest, verstand" (vergelijk Engels mind), memoria: "geheugen, herinnering", Grieks menos: "geest", mnèmè: "geheugen", Sanskriet man-: "denken, geest", Russisch mnit''' "menen, denken". Het Iraanse woord voor "ik" (voornaamwoord) is man. In het Oudindisch bestaat tevens Manu: "(oer)mens", modern Hindi manusha: "mens, man". Deze oerbetekenis kreeg de wetenschappelijke naam Homo sapiens (Latijn: "verstandige" of "wijze" mens).
Nomenclatuur De naam Homo sapiens werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus in de tiende druk van zijn werk Systema naturae. (1758). Systema naturae ed. 10: 20. Gearchiveerd op 1 september 2023. Bij publicatie van de naam noemde Linnaeus vijf ondersoorten of variëteiten: ferus (de wilde mens), var. americanus, var. europaeus, var. asiaticus en var. afer. Het onderscheid tussen de laatste vier was voornamelijk de kleur: rufus (rood), albus (wit/blank), luridus (bleekgeel) en niger (zwart). Deze indeling is biologisch niet houdbaar gebleken. Tegenwoordig wordt soms geopteerd om te spreken over de ondersoort Homo sapiens sapiens als het over de mens gaat. Dit laat duidelijker het onderscheid zien met de (mogelijke) ondersoorten Homo sapiens diluvialis (cro-magnonmens) en Homo sapiens idaltu, beide uitgestorven.
Geschiedenis Evolutie en verspreiding
Het geslacht Homo is enkele miljoenen jaren geleden ontstaan in Afrika. Samen met de chimpansees vormt het geslacht Homo een evolutionaire tak binnen de Hominidae (mensachtigen) uit de orde primaten. De moderne mens, met name de ondersoort Homo sapiens sapiens, verspreidde zich over alle continenten en grotere eilanden van de wereld in een periode die ongeveer 150.000 jaar geleden begon. Ongeveer 125.000–60.000 jaar geleden kwam de mens aan in Eurazië, 40.000 jaar geleden in Australië, en 15.000 jaar geleden in Amerika. Meer afgelegen eilanden zoals Hawaï, Paaseiland, Madagaskar en Nieuw-Zeeland raakten bevolkt tussen de jaren 300 en 1280.
Hedendaagse biologische verwanten van mensen zijn chimpansees en bonobo's (Pan). Gorilla's (Gorilla), orang-oetans (Pongo) en gibbons (Hylobatidae) splitsten zich elk eerder af in de evolutie. Op basis van genetische informatie wordt geschat dat de gemeenschappelijke voorouder van de mens en de chimpansee 4–8 miljoen jaar geleden leefde in het late Mioceen. Na de splitsing van deze groepen vormde zich bij de menselijke tak chromosoom 2 door samenvoeging van twee andere chromosomen, waardoor er bij mensen slechts 23 paar chromosomen overbleven, vergeleken met 24 bij andere grote mensapen.
De oudste fossielen waarvan men vermoedt dat ze behoren tot de homininen zijn Sahelanthropus tchadensis (gedateerd op 7 miljoen jaar), Orrorin tugenensis (5,7 miljoen jaar) en Ardipithecus kadabba (5,6 miljoen jaar). Uit deze soorten ontstond ongeveer 4 miljoen jaar geleden een groep met onder meer de robuuste Paranthropus en de slankere Australopithecus. Eén soort in deze laatste groep – mogelijk Australopithecus garhi die 2,5 miljoen jaar geleden leefde – ontwikkelde zich tot de directe voorouder van het geslacht Homo.
Een van de eerste vertegenwoordigers van het geslacht Homo is Homo habilis, een soort die ongeveer 2,3 miljoen jaar geleden verscheen. H. habilis wordt beschouwd als de eerste mensensoort waarvoor duidelijke aanwijzingen bestaan die duiden op het gebruik van stenen werktuigen. De hersenen van H. habilis waren echter niet veel groter dan die van chimpansees. Pas in de miljoen jaar die volgde nam het hersenvolume toe. Met de opkomst van Homo erectus was de schedelcapaciteit verdubbeld. H. erectus was de eerste mensachtige die buiten Afrika voorkwam. Eén populatie, vaak geclassificeerd als de aparte soort Homo ergaster, bleef in Afrika en ontwikkelde zich tot Homo sapiens.
Anatomische aanpassingen De evolutie van de mens omvat verschillende morfologische, biomechanische en gedragsmatige veranderingen die plaatsvonden na de afsplitsing van de mens en de chimpansees. De meest belangrijke fysieke aanpassingen zijn tweevoetigheid, een toename van het hersenvolume, een langere ontogenie (dracht- en zuigelingstijd) en een verminderde seksuele dimorfie. Hoe deze evolutionaire veranderingen precies samenhangen is nog niet geheel duidelijk. Paleoantropologen hebben verschillende hypothesen voorgesteld over de volgorde waarin ze zouden hebben plaatsgevonden en over hun belang in de totstandkoming van de menselijke uniciteit.
Tweevoetigheid of bipedie is een van de meest typerende adaptaties van de homininen. Ze wordt beschouwd als de oorzaak achter een aantal belangrijke veranderingen in het skeletsysteem die alle tweevoetige mensachtigen gemeen hebben. De eerste tekenen van tweevoetigheid zijn teruggevonden bij Sahelanthropus of Orrorin, zo'n zes miljoen jaar geleden. Ardipithecus, een latere homininisoort, was waarschijnlijk al volledig tweevoetig. Het rechtop lopen bood verschillende voordelen. Een tweevoetige soort had zijn handen vrij om voedsel te pakken en te dragen, was in staat zich snel voort te bewegen over lange afstanden (wat jagen begunstigt), en had een manier om oververhitting te vermijden door het oppervlak dat wordt blootgesteld aan direct zonlicht te verkleinen.
De mens heeft in vergelijking met andere primaten sterk ontwikkelde hersenen: het gemiddelde hersenvolume is ongeveer 1330 cm3, meer dan twee keer zoveel als bij een chimpansee of gorilla. Het evolutionaire proces waarbij de hersengrootte geleidelijk toeneemt wordt encefalisatie genoemd. Encefalisatie begon al vroeg in de evolutie van het geslacht Homo: Homo habilis had een hersenvolume van 650–800 cm3, de latere Homo erectus 850 tot ruim 1000 cm3, en de neanderthalers zelfs 1200–1800 cm3. Met name de temporale kwab, die de centra voor taalverwerking bevat, en de prefrontale cortex, die cognitieve en emotionele functies reguleert, zijn bij de mens zeer sterk ontwikkeld. De hersenontwikkeling na de geboorte duurt bij de mens – in tegenstelling tot andere huidige hominiden – vele jaren; jonge kinderen zijn gedurende lange tijd in staat talen te verwerven en complex sociale signalen te leren.
De opkomst van Homo sapiens
thumb|upright=1.2|Migratie van de moderne mens uit Afrika op basis mitochondriale populatiegenetica (aantallen in millennia, de noordpool bevindt zich in het midden). Tijdens de vroege verspreiding van Homo sapiens kwam de mens in contact met verschillende archaïsche medemensen, in het bijzonder Homo neanderthaliensis in Eurazië en Homo denisova in Azië. Sinds de jaren 2010 zijn er, mede binnen de ontdekkingsgeschiedenis van de neanderthaler bewijzen gevonden die duiden op een vermenging van genetische informatie tussen archaïsche en moderne mensensoorten. Na twee golven van migratie uit Afrika verspreidde moderne mensen zich wereldwijd en vervingen daarbij archaïsche mensensoorten, hetzij door concurrentie of door hybridisatie. Met de start van het laatpaleolithicum (50.000 jaar geleden), maar vermoedelijk al eerder, ontwikkelde zich moderniteit in gedrag: taal, muziek en andere culturele universalia deden hun intrede.
Ongeveer 10.000 jaar geleden begonnen de bewoners van de Vruchtbare Sikkel met de domesticatie van dieren en planten, wat leidde tot een grote verandering in levensstijl: de neolithische revolutie.Tudge, 1998 Met zijn nieuwe levensstijl kreeg de mens een grote invloed op andere soorten en het milieu. Hoewel de mens in geïsoleerde gebieden waar weinig domesticeerbare planten konden groeien nomadisch bleef, ontstonden elders permanente nederzettingen. Dankzij steeds effectievere landbouwmethoden konden meer mensen samenleven op kleine oppervlakten, waardoor georganiseerdere vormen van samenleving nodig werden waarin arbeidsdeling optrad.
Culturele ontwikkelingen gaven aanleiding tot het ontstaan van de eerste beschavingen, zoals in Egypte, de Indusvallei en Mesopotamië. Deze beschavingen kenmerkten zich door het gebruik van schrift, een sociale stratificatie, een politiek of cultureel bestuur en een georganiseerde vorm van godsdienst. De groei van de menselijke kennis en technologie ging gestaag door, maar raakte in Europa in een stroomversnelling met de wetenschappelijke revolutie en later de industriële revolutie.McNeill, 1999, p. 317–319 Vanaf de Moderne Tijd kreeg de mens door toegenomen bevolkingsgroei en nieuwe technologieën een steeds grotere invloed op de klimatologische en ecologische processen op Aarde. Globalisering en internationale samenwerking zorgden voor een versmelting van culturen en economieën.
Biologie Anatomie
Een mens behoort tot de gewervelden en beschikt onder meer over twee benen, twee armen en een hoofd. Het geraamte van de mens is inwendig. Voorziening van de cellen van het menselijk lichaam van de juiste voedingsstoffen geschiedt door een apart stelsel, de bloedsomloop, dat wordt 'aangedreven' door het hart. Via de longen wordt het bloed voorzien van zuurstof, en via de maag en darmen van andere noodzakelijke stoffen. Afvoer van afvalstoffen vindt plaats door deze vanuit het bloed door de nieren samen met water af te scheiden via de blaas, en door niet door de darmen opgenomen stoffen af te voeren via de endeldarm.
Biologisch gezien bestaan er naar moderne inzichten binnen de soort Homo sapiens geen rassen en algemeen gelden dergelijke indelingen in de wetenschap als verouderd. De genetische verschillen binnen de soort zijn gerelateerd aan klimatologische aanpassingen. Een blanke huidskleur is bijvoorbeeld een voordelige aanpassing bij het weinige zonlicht in het noorden, dat tot gebrek aan vitamine D leidde (in de tropen is een lichte huid juist in het nadeel).