Nooit meer slapen is een in februari 1966 gepubliceerde roman van Willem Frederik Hermans, zijn zesde, over de wetenschappelijke expeditie van de jonge geoloog Alfred Issendorf naar Noors Lapland. In Finnmark, een onherbergzaam gebied zo noordelijk dat 's zomers de zon niet ondergaat, hoopt hij met zijn Noorse gids Arne Jordal meteorietkraters te vinden. Reeds kort na verschijnen werd het boek in brede kring als een meesterwerk beschouwd.August Hans den Boef, over Nooit meer slapen van W.F. Hermans, De Arbeiderspers, Amsterdam 1984, p. 81. De beginzin, 'De portier is een invalide', is volgens biograaf Willem Otterspeer 'een van de bekendste openingszinnen uit de Nederlandse literatuur.'Otterspeer (2015), p. 372 Hella Haasse noemde het boek 'een anti-epos over een anti-held.'Haasse (1971), p. 162 De eerste vertaling, in het Zweeds, verscheen in 1968; bij die gelegenheid opperde literatuurcriticus Rolf Yrlid dat Hermans een serieuze kandidaat voor de Nobelprijs voor Literatuur was.Den Boef (1984), p. 81
De roman is gebaseerd op expedities van de auteur door Zweden en Noorwegen, maar de personages zijn twintig jaar jonger dan de werkelijke en ook viel er in het echt geen dode.
Veel bestudeerde aspecten zijn de vertelsituatie in reportagestijl, de cyclische structuur, de allusies aan (klassieke) mythologie, met name die aan de Aeneis. Ook de functie van Alfreds psychologische theorie over de historische ontwikkeling van het zelfbeeld van de mens heeft de aandacht getrokken: volgens Alfred leidde de uitvinding van het spiegelbeeld en van de fotografie nieuwe stadia in in het zelfbeeld van de mens. Volgens literatuurhistoricus Hugo Brems verwerkelijkte Hermans met dit werk 'ten volle zijn ideaal van een klassieke roman. Er is eenheid van handeling, alle gebeurtenissen zijn doelgericht en ondersteunen het pessimistische thema.'Brems (2006), p. 338.
Het boek werd in 1966 bekroond met de Vijverbergprijs, maar Hermans heeft deze toen niet aanvaard. Het werk is vertaald in onder meer het Noors, Zweeds, Duits, Spaans en Engels. Op 27 januari 2016 ging de Engelstalige verfilming Beyond Sleep in première als opening van het Filmfestival Rotterdam.
Inhoud
Alfred Issendorf is een 25-jarige student geologie die een expeditie naar Noors Lapland (Finnmarken) onderneemt voor zijn promotieonderzoek. Doel van het onderzoek en zijn voettocht is om de hypothese van zijn promotor, professor Sibbelee, te bewijzen, die inhoudt dat de ronde gaten die ter plekke overal in de bodem te vinden zijn, veroorzaakt zijn door meteorietinslagen. De persoonlijke motivatie van Alfred ligt in het verlangen met een ontdekking zijn overleden vader, een verongelukte bioloog, te overtreffen.
Alfred bezoekt de 84-jarige professor Ørnulf Nummedal van het geologisch instituut te Oslo omdat luchtfoto's van het gebied dat hij gaat onderzoeken voor hem klaar zouden liggen. Hoewel Alfred bij hem is aanbevolen door zijn promotor Sibbelee, weet Nummedal, die Alfred in het Duits te woord staat, nergens van. Bovendien herinnert Nummedal zich de dertig jaar jongere Sibbelee vooral als iemand die ooit heeft geprobeerd een theorie van hem te ontkrachten. Nummedal wijst erop dat Nederland voor geologisch onderzoek te klein is, waarop Alfred tegenwerpt dat de bodem gevarieerd is. 'Dat verbeeldt men zich bij u, omdat er op iedere vierkante meter een geoloog staat met een microscoop.' Nummedal meent dat in Nederland nog eens alle zandkorrels geteld zullen worden, maar dat is geen wetenschap meer: 'Wetenschap is de titanische poging van het menselijk intellect zich uit zijn kosmische isolement te verlossen door te begrijpen!' De luchtfoto's zouden bij de geologische dienst in Trondheim zijn. Wel neemt de vrijwel blinde professor Alfred mee op excursie langs lokale geologische verschijnselen, en ook moet hij absoluut de Noorse specialiteit gravlaks proeven. De geologische verschijnselen hebben niets met zijn onderzoek te maken en de gravlaks is helaas uitverkocht. Alfred verneemt van Nummedal, die zich laat ontvallen niet te begrijpen wat Nederlanders met hun kleigrond in de geologie te zoeken hebben, dat Sibbelee in zijn jonge jaren heeft geprobeerd een theorie van Nummedal te ontkrachten.
Bij de geologische dienst blijkt men midden in een verhuizing naar een gloednieuw pand. Er moeten wel ergens luchtfoto's opgeslagen liggen, maar iedereen is druk met de verhuizing, en niemand zou kunnen zeggen welke luchtfoto's waar te vinden zijn. Zijn mededeling door professor Nummedal gestuurd te zijn maakt geen indruk: Nummedal is een oude man die niet meer serieus wordt genomen. Alfred reist zonder luchtfoto's door naar het expeditiegebied.
Daar voegt hij zich bij zijn drie Noorse expeditiegenoten, eveneens promovendi, van wie hij er een, Arne Jordal, al kent van een eerdere expeditie. Deze zoon van een rijke vader legt zichzelf materiële beperkingen op. Qvigstadt en Mikkelsen zijn oudere, goed uitgeruste en zelfbewuste figuren. De expeditie is een lange voettocht over de Laplandse toendra, een heide- en moerasachtig gebied met grote hoogteverschillen. Alfred merkt dat hij zijn collega's nauwelijks kan bijhouden door gebrek aan training, en de altijd aanwezige muggen houden hem uit de slaap. Zonder luchtfoto's kan hij de gaten die hij moet onderzoeken niet eens vinden. Als Arne van zijn onderzoeksonderwerp hoort, schrikt hij: dat is die idiote hypothese waar Sibbelee al twintig jaar de risee van de geologie mee is. Nu voelt Alfred zich totaal belachelijk.
Wanneer Mikkelsen de luchtfoto's in zijn bezit blijkt te hebben, wakkert deze constatering niet alleen Alfreds gevoelens van onzekerheid aan, maar ook diens achterdocht. Hij vraagt zich af of Nummedal zijn onderzoek soms met opzet probeert te dwarsbomen. Mikkelsen laat hem de luchtfoto's zien, en daarop ziet Alfred meteen dat er voor meteorietinslagen geen enkele aanwijzing te vinden is. Hij kan het wel opgeven. Hij realiseert zich dat geoloog-worden hem eigenlijk helemaal niet interesseert: het is niet zijn eigen droom, maar die van zijn moeder, die hij verafschuwt.
Het gezelschap splitst zich en Alfred gaat alleen met Arne verder. Na onenigheid over de te volgen richting raakt hij Arne kwijt. Als ook zijn kompas in een rotsspleet verdwijnt, weet Alfred niet waar hij is of naartoe moet om Arne terug te vinden. Dan merkt hij dat het hem toch lukt zijn weg te vinden, vooruit te komen en in leven te blijven, door vis te vangen en rauw op te eten. Zijn zelfvertrouwen keert terug. Later vindt hij Arne inderdaad, maar die blijkt verongelukt. Kennelijk uitgegleden, heeft hij in een ravijn de dood gevonden.
Alfred gaat te voet terug naar de bewoonde wereld, waar hij totaal uitgeput aankomt, om Arnes lichaam te laten ophalen. Lopend ziet hij een lichtflits en hoort een harde klap. Het is de inslag van een meteoriet, maar hij heeft er in tegenstelling tot de Noorse geofysische dienst geen enkele belangstelling voor. Wanneer Alfred thuis is heeft zijn moeder een verrassing voor hem: een stel manchetknopen, gemaakt uit een doorgesneden meteoriet, een cadeau dat Alfreds vader hem voor zijn zevende verjaardag had willen geven.
Autobiografische achtergrond Van 28 juli tot 5 augustus 1960 woonde de auteur te Abisko (Noord-Zweden) een aardrijkskundig symposium over glaciale morfologie en periglaciale processen bij.Van der Valk (2002), p. 28Otterspeer (2015), p. 264-265 Doel van de excursie was, in de woorden van publicist Arno van der Valk, 'inzicht te krijgen in de ijsrecessie in de subarctische omgeving van de rivier de Lule'.Van der Valk (2002), p. 29 Elke deelnemer deelde een hotelkamer met één andere deelnemer; de kamergenoot van Hermans was Torbjörn Fjellang, door Otterspeer omschreven als 'een aimabele, rustige, eenvoudige aardrijkskundeleraar'.Otterspeer (2015), p. 265
Aansluitend woonde Hermans van 6 tot 13 augustus 1960 in Stockholm het negentiende Internationaal Geografisch Congres bij.
In juli en augustus 1961 trok Hermans met onder meer Fjellang op studiereis door Finnmark in Noorwegen. Deze tocht vormt de basis voor de roman. Op 8 juli kwamen Hermans en Fjellang aan in Skoganvarre, waar hun twee reisgenoten Harald Skålvoll (die model stond voor Qvigstadt) en Per Akselsen (Mikkelsen) al enkele dagen verbleven. Skålvoll en Fjellang hadden deze tocht samen al eerder gemaakt, terwijl Akselsen, die geologie studeerde, de assistent van Skålvoll was.Baartse (1995), p. 55. Het viertal maakte drie tochten. De langste, aldus Fjellang, 'was van 8 tot 18 juli van Skoganvarre via het Lievnasjavrre (Lievnas-meer), de Vuorje en de Rævokløften naar Ravnastua en Assebakte, en vervolgens over het water naar Karasjok. Een afstand van ongeveer honderdvijftig kilometer. Per dag liepen we gemiddeld vijftien kilometer met zware bepakking: rugzakken, slaapzakken, tent, voedsel en instrumenten. Later liepen we nog vijf dagen in het Kautokeino-district en tot slot nog vier dagen in het Solovomi-gebied ten zuiden van Alta.'Fjellang geciteerd bij Baartse en Polak (1994), p. 10. Hermans had aanvankelijk moeite de anderen bij te houden: 'Het was duidelijk dat hij niet gewend was om in deze terreinomstandigheden te lopen met zware bepakking,' aldus Skålvoll. 'Bij het oversteken van een van de riviertjes is hij zelfs gevallen, maar gelukkig raakte hij niet gewond.'Skålvoll geciteerd bij Baartse (1995), p. 55. Net als in de roman bestond het gezelschap ook in werkelijkheid uit twee duo's: Fjellang en Hermans beklommen de Vuorje, de andere twee niet. Wel bezochten ze alle vier de Rævo-kløften (het kloofdal uit hoofdstuk 34 van de roman), terwijl in de roman Alfred en Arne zich dan al van Qvigstadt en Mikkelsen afgesplitst hebben. Tijdens de expeditie beschikte Skålvoll over luchtfoto's, hem ter beschikking gesteld door de Noorse Geologische Dienst te Trondheim, de Norges Geologiske Undersøkelse (NGU). De directeur heette Hvalheim (in de roman Hvalbiff).Baartse (1995), p. 56.
thumb|Noorwegen, Finnmark - Karasjok waar Hermans in 1961 de tocht uit de roman maakte
Na deze drie tochten, waarbij het veldwerk glaciale afzettingen en glaciale erosie tot onderwerp had, trok Hermans in zijn eentje nog verder, vermoedelijk naar de Noordkaap en dan via Bergen en het bergachtige zuiden naar Asker.Baartse en Polak (1994), p. 10-11. Hij meldde zich halverwege augustus weer bij Fjellang thuis. De beschrijving van de tochten in de roman, zoals de muggen, beantwoordt volgens Fjellang in hoge mate aan de werkelijkheid. Ook het Noorse meisje Inger-Marie dat voor Alfred het dagboek van Arne vertaalt is niet verzonnen.Baartse en Polak (1994), p. 11.
Tijdens het Zweedse congres uit 1960 maakte Hermans ook kennis met de Amerikaanse fotograaf en bergbeklimmer Barry C. Bishop, die drie jaar later, in 1963, de Mount Everest zou beklimmen. Na de terugtocht moesten zijn pinken en enkele tenen geamputeerd worden. Bishop stond model voor Brandel die in de roman ter sprake komt.Van der Valk (2002), p. 36-37.afwijkende versie in de Volkskrant
Ondanks de treffende overeenkomsten is het verhaal dat zich in dit decor afspeelt in essentie verzonnen. In 1974 schreef Hermans aan Fjellang: Volgens Skålvoll, in wiens herinneringen Hermans voortleeft als een aardige man met veel humor, zijn er in werkelijkheid tijdens de expeditie geen uitgebreide filosofische gesprekken gevoerd zoals in de roman en ook is er geen dode gevallen. Evenmin is er na het vertrek van Hermans een meteoriet ingeslagen in Finnmark.Skålvoll geciteerd bij Baartse (1995), p. 56.
Schriftelijke bronnen Achterin heeft de auteur enige aantekeningen toegevoegd, waaronder een vermelding van de herkomst van het krantenbericht over de Himalaya-expeditie. Waarschijnlijk door een zetfout staat de datum daar verkeerd vermeld, want het bewuste artikel verscheen niet op 3 maar 30 oktober in het Algemeen Handelsblad.Den Boef (1984), p. 67.