miniatuur|rechts|180px|Het motorkapornament van een Cougar XR-7 uit 1979. De Mercury Cougar was een auto die werd verkocht onder de Lincoln-Mercury-divisie van de Ford Motor Company. De naam Cougar van het merk Mercury werd in 1967 voor het eerst gebruikt. In de drie daaropvolgende decennia zou Ford de naam blijven gebruiken voor veel verschillende modellen van het merk.
Zoals gebruikelijk bij modellen die onder het merk Mercury werden verkocht, deelde de Cougar de basis met een ander modellen van de Ford Motor Company. De eerste modellen gebaseerd op de Ford Mustang; de latere modellen waren gebaseerd op de Ford Thunderbird, terwijl de laatste modellen gebaseerd waren op de Ford Contour en Ford Mondeo.
De Cougar was jarenlang een belangrijk model voor het merk. De modellen vanaf de vroege jaren zeventig hadden een afbeelding van een kat als embleem; de modellen werden ook wel "big cats" genoemd.
De Cougar is van 1967 tot 2002 op de markt geweest in verschillende klassen. De modellen tussen 1967 en 1973 vielen in de klasse van de pony car, gebaseerd op de Ford Mustang; een klasse van betaalbare, compacte, hoog gestileerde auto’s met een sportief karakter. Tussen 1969 en 1973 was hij ook als cabriolet op de markt. Het sportieve karakter werd echter steeds meer verdrongen door de luxe en zo vielen de modellen met de bouwjaren tussen 1974 en 1997 in de klasse van personal luxury cars. De laatste modellen van de Cougar met de bouwjaren tussen 1999 en 2002 vielen in de Sports Compact-klasse, een klasse waarin de auto’s ontworpen werden vanuit een op prestatie gerichte filosofie.
Van het model zijn tussen 1967 en 1997 in het totaal 2.901.806 exemplaren geproduceerd, in zeven verschillende generaties. In het bouwjaar 1978 zijn met 213.270 stuks de meeste exemplaren geproduceerd. Dat jaar was eveneens het topjaar qua verkoopcijfers. In 1997 werden nog slechts 35.267 exemplaren geproduceerd.
Met de introductie van de Cougar kreeg Mercury definitief zijn eigen Pony car. De Cougar was sterk was ingeklemd tussen de Ford Mustang en de Ford Thunderbird, het model waar de Cougar ook steeds meer naartoe kroop, om uiteindelijk meer een personal luxury car te worden. De Cougar zou verschillende decennia het performancemodel en -icoon van het merk Mercury zijn.
De eerste generatie (1967-1970)
1967 De eerste generatie is op de markt geweest van 1967 tot 1970. Dit was een tweedeurs-hardtopcoupé. Hij werd geproduceerd in Dearborn in Michigan en was gebaseerd op de tweede generatie Ford Mustang, echter met een 76 millimeter langere wielbasis. Deze auto werd in 1967 uitgeroepen tot auto van het jaar door het tijdschrift Motor Trend.
Aan de voorzijde werd het model gekenmerkt door een grille die bestond uit een traliewerk waarachter de koplampen verborgen zaten; ook weleens vergeleken met een elektrisch scheerapparaat. De kentekenplaat aan de achterzijde werd aan beide zijden geflankeerd door achterlichten die eveneens waren voorzien van een traliewerk, een stijlelement dat was overgenomen van de Ford Thunderbird. Ook had de Ford Motor Company de Cougar een wat meer Europees uiterlijk meegegeven, tenminste in Amerikaanse ogen.
De Cougar was leverbaar als basismodel en het luxueuzere model XR-7. Voor deze beide modellen was slechts één optiepakket beschikbaar, de Sporty GT. De XR-7 was onder meer voorzien van een houten stuur en een van imitatiehout voorzien dashboard. Het optiepakket GT bestond onder meer uit een grotere motor: een Ford 390 cu in big block in plaats van de 289 cu in Small Block die standaard in de Cougar was gemonteerd. Om het extra gewicht en vermogen goed op de weg te krijgen, beschikte de GT ook over een aangepast onderstel en aangepaste remmen; daarnaast stond de GT op betere banden. Ook het uitlaatsysteem was aangepast.
1968 In het tweede productiejaar wijzigde er niet veel aan de Cougar. De door de Amerikaanse regering verplicht gestelde zijmarkeringslichten was de grootste uiterlijke verandering van het model. De grootste veranderingen vond men onder de kap van de XR-7: hier werden sterkere motoren als optie aangeboden.
Mercury wilde van de Cougar een serieus performance-icoon maken voor het merk.
Ook werd een sportief model geïntroduceerd, de XR-7G, vernoemd naar de voor Mercury racende coureur Dan Gurney. Dit model kwam met allerlei performanceonderdelen, waaronder een luchtinlaat (luchthapper) in de motorkap, mistlampen en een met pinnen te openen motorkap.
Voor de XR-7G had men keuze uit drie motoren: de 302, 390 en de 428 V8. Van de XR-7G werden er in totaal 619 geproduceerd en er werden slechts 14 XR-7G’s geproduceerd met de 428CJ-motor. Halverwege het tweede productiejaar kwam de 7.0L GT-E-uitvoering op de markt. Deze was zowel leverbaar op de basisversie als op de XR-7-versie van de Cougar.
Aan het einde van het tweede productiejaar kwam de gelimiteerde versie 428 Cobra Jet Ram Air op de markt, een uitvoering gebaseerd op de GT-E-versie. Deze had meer vermogen (306 kW) ten opzichte van de GT-E-versie (250 kW).
1969 In het derde productiejaar kwamen er verscheidene nieuwe toevoegingen aan de Cougarmodellenreeks. Vanaf dit productiejaar was de Cougar ook leverbaar als cabriolet.
Aan de voorzijde van de auto viel de nieuwe gril op, waarvan het traliewerk niet langer verticaal was uitgevoerd. Vanaf dit productiejaar liep het traliewerk op de gril horizontaal. Ook op het gebied van opties was er meer mogelijk. Onder andere was een spoiler leverbaar, alsook een luchtinlaat op de motorkap. Er kwamen enkele nieuwe motoren en er verdwenen er enkele uit het gamma. Ook verdwenen de XR-7G en de 7.0L GT-E van de markt.
In dit productiejaar verscheen ook een nieuwe topuitvoering van de Cougarmodellenlijn, de Eliminator. Deze was standaard uitgerust met de 351 V8-motor, maar was ook leverbaar met enkele sterkere motoren. Verder had dit model een speciale gril, strips aan de zijkant van de auto en een voor- en achterspoiler. Diverse opties waren leverbaar.
Twee Cougars werden geproduceerd met de Boss 429 V8-motor; dit zijn de meest zeldzame en sterkste Cougars die ooit gebouwd zijn.
1970 Het vierde en laatste productiejaar van de eerste generatie verschilde weinig van het derde productiejaar. De grootste veranderingen waren aan de voorzijde van de auto, waar opnieuw de gril geplaatst was die in de productiejaren 1967 en 1968 werd toegepast. Ook was de Cleveland V8-motor voor het eerst leverbaar.
Motorenoverzicht De eerste generatie was leverbaar met de volgende motoren: 200 pk (168 kW) 289 in³ V8 335 pk (250 kW) 390 in³ V8 230 pk (172 kW) 302 in³ V8 290 pk (216 kW) 351 Windsor V8 335 pk (250 kW) 428 in³ V8 390 pk (291 kW) 427 in³ V8
Productieaantallen Van de eerste generatie zijn 437.031 exemplaren geproduceerd: 1967 – 150.893 stuks 1968 – 113.726 stuks 1969 – 100.069 stuks 1970 – 72.343 stuks
Filmindustrie De filmindustrie maakt graag gebruik van de Cougar van de eerste generatie. Een Cougar uit 1968 kwam regelmatig in beeld in From Dusk Till Dawn, en ook in de James Bondfilms kwam de Mercury voor. Zo is een Cougar uit 1969 te zien in On Her Majesty's Secret Service.
De tweede generatie (1971-1973)
1971-72 Voor 1971 was de Cougar voor het eerst ingrijpend veranderd en op een hoger niveau gebracht tot net onder de Personal luxury car. De Cougar leek sterk op de middelgrote Oldsmobile Cutlass Coupé. De Cougar leek groter maar was toch lichter. De wielbasis was slechts één inch langer dan zijn voorgangers (112 in plaats van 111 inch), wat gelijk was aan de middelgrote auto’s van General Motors, zoals de Oldsmobile Cutlass. Er werd definitief afscheid genomen van de verborgen koplampen: de voorkant werd nu gekenmerkt door vier zichtbare koplampen. Het middenstuk van de grill, ook wel kattenneus genoemd, was langer en opvallender dan ooit. De achterzijde had nu iets weg van een fastback, een schuin aflopende achterkant. Daarnaast werd de cabriolet weer leverbaar, net als de XR-7 en het GT-pakket.Verder werd definitief afscheid genomen van het Eliminator-pakket, maar de luchtinlaat-optie bleef.
De motorreeks werd eveneens enigszins aangepast voor 1971. Er waren nog slechts drie varianten leverbaar: de standaarduitvoering met een 351 Windsor V8-motor van 240 pk (179 kW) met dubbele carburateur de 351 Cleveland V8-motor van 285 pk (213 kW) met viervoudige carburateur de 429 Super Cobra Jet V8-motor van 370 pk (276 kW) met viervoudige carburateur
Door de hoge verzekeringspremies en stijgende benzineprijzen kwam er een eind aan het tijdperk van de muscle cars en verdwenen de grotere motoren met veel vermogen. Gedwongen door de omstandigheden leverde Ford de Cougar nu met motoren met aanzienlijk minder vermogen. De standaardversie was de 351 Cleveland V8-motor met dubbele carburateur, die nu 163 pk (122 kW) leverde. Dezelfde motor maar met viervoudige carburateur leverde 262 pk (195 kW) en de Cobra Jet V8 met viervoudige carburateur leverde 266 pk (198 kW).
Verder werd de 1971 Cougar niet ingrijpend veranderd. In 1972 werden slecht enkele details veranderd. De grote motoren verdwenen in 1972 en 1973.
1973 In 1973 veranderde de Cougar niet noemenswaardig, afgezien van kleine veranderingen aan de grille en achterlichten. Dit was het laatste jaar dat de Cougar gebaseerd was op de Ford Mustang. De nieuwe milieuwetgeving maakte een aanpassing van de V8-motoren noodzakelijk, maar de opties van leverbare motoren bleven vooralsnog onveranderd. De standaardmotor bleef de 351 Cleveland V8 van 168 pk (125 kW) met dubbele carburateur. Als alternatief was de 351 Cobra Jet V8 van 264 pk (197 kW) leverbaar. De jaren hierna werd overgegaan op het chassis van de Ford Thunderbird/Ford Torino.
Productieaantallen In totaal zijn van de tweede generatie 177.194 exemplaren geproduceerd: 1971 - 62.864 stuks 1972 - 53.702 stuks 1973 - 60.628 stuks
Film- en televisie-industrie De tweede generatie Cougar is te zien in diverse televisie- en filmproducties. Een Cougar uit 1973 verschijnt in de film A Little Trip to Heaven uit 2005.
De derde generatie (1974-1976)
1974 Vanaf 1974 werd Cougar een klasse hoger geplaatst. Oorspronkelijk viel de Cougar in de categorie pony car (een betaalbare, compacte wagen met het imago van een sportieve of goedpresterende auto), vanaf 1974 werd de Cougar gezien als een personal luxury car.
Het oorspronkelijke onderstel van de Ford Mustang werd vervangen door het onderstel van de grotere Mercury Montego/Ford Torino. Hiermee werd de Cougar een gelijke van de nieuwe Ford Elite. De wielbasis werd verlengd tot 114 inches (289,6 cm), wat vrij uniek was in een periode waarin de meeste nieuwe modellen kleiner werden. De Cougar werd nu niet langer gezien als een luxe Ford Mustang maar als een kleinere Ford Thunderbird en later zelfs als een broertje van dit model.
De Cougar werd op de markt gebracht als een middelgrote personal luxury car om de concurrentie aan te gaan met de Chevrolet Monte Carlo en Pontiac Grand Prix, beide van General Motors. Tegen 1974 had elke GM-divisie een model in dit marktsegment en was deze markt te groot om te negeren.
Met een driedelig rooster aan de voorkant deed de nieuwe Cougar denken aan zijn kleinere voorganger. Op de motorkap werd een nieuw ornament geplaatst met daarin het zijaanzicht van een poemakop. Dit ontwerp zou tot 1983 standhouden. Daarentegen leek de Cougar aan de achterkant veel op de Mercury Montego. In de C-stijl werden patrijspoortachtige raampjes (opera windows) geplaatst. In de jaren zeventig waren deze zeer geliefd bij de personal luxury cars. De carrosserie werd drie jaar lang niet aangepast. Gedurende deze periode was uitsluitend de XR-7-versie leverbaar; het basismodel en de cabrioletversie waren (tijdelijk) uit het programma genomen.