Manuel Antonio Rojo del Río y Vieyra (Huichapan, 24 september 1708 – Manilla, 30 januari 1764) was een rooms-katholieke geestelijke die van 1759 tot zijn overlijden aartsbisschop van Manilla was en van 1761 tot 1764 tevens gouverneur-generaal van de Filipijnen. Na de Britse verovering van Manilla in 1762 oefende hij deze functie echter niet langer feitelijk uit buiten de door de Britten bezette gebieden. Daar trad Simón de Anda op als de de-facto gouverneur-generaal.

Levensloop Jonge jaren en opleiding Manuel Rojo del Río y Vieyra werd geboren op 24 september 1708 in Huichapan in Nieuw-Spanje, als zoon van de Spaanse kapitein Manuel Rojo del Río y de la Fuente, afkomstig uit La Rioja, en Ignacia María de Lubián y Vieyra uit Cádiz. Op achtjarige leeftijd ging hij studeren aan het Colegio Real de San Ildefonso van de Jezuïeten in Mexico-Stad. Aan de Real y Pontificia Universidad de México behaalde hij op 27 januari 1724 de graad van baccalaureus in de artes. Op 29 april 1727 volgde het baccalaureaat in de theologie en op 28 mei 1732 het baccalaureaat in het canoniek recht.

Rojo werd vervolgens tot priester gewijd en vertrok naar Spanje om zijn studie voort te zetten aan de Universiteit van Salamanca. In 1736 behaalde hij daar een baccalaureus in de rechten en een doctoraat in het canoniek recht. Hij verdedigde een proefschrift in beide rechtsgebieden en was later voorzitter bij de verdediging van diverse andere scripties aan verschillende faculteiten. Vanwege zijn academische reputatie werd hij toegelaten tot de Academia de los Ángeles, die was gevestigd in het Colegio Trilingüe. Vervolgens verbleef hij onder meer in Alcalá de Henares, La Rioja, Sevilla en Cádiz, waarna hij zich in Madrid aansloot bij het advocatencollege Colegio de Abogados.

De Raad van Indië bood Rojo een benoeming aan als oidor van de Audiencia van Mexico, maar dit aanbod sloeg hij af. Ook een benoeming tot inquisiteur in Santa Fe de Bogotá wees hij van de hand. Op 12 juli 1737 werd Rojo door koning Filips V uiteindelijk voorgedragen voor een plaats als kanunnik binnen het aartsbisdom Mexico.

Kerkelijke loopbaan in Mexico Rojo keerde in 1738 terug naar Mexico en nam op 30 april van dat jaar bezit van zijn ración aan de metropolitane kerk van Mexico. In 1746 was Rojo prebendado van de metropolitane kerk van Mexico en in 1756 werd hij kanunnik. Binnen het kathedrale kapittel bekleedde hij vervolgens verschillende functies, waaronder vicekapitulair en provisor.

Op 16 september 1746 werd Rojo benoemd tot consultor van het tribunaal van de Inquisitie in Nieuw-Spanje. Daarnaast was hij synodaal examinator en visitator van vrouwenkloosters.

Rojo vervulde daarnaast verschillende andere kerkelijke functies en was betrokken bij het religieuze en juridische leven in Mexico-Stad. Zo trad hij op als visitator van verschillende religieuze instellingen en als rechter in kerkelijke zaken. Ook was hij betrokken bij de oprichting van het Real Colegio de Abogados de México.

Aartsbisschop van Manilla Na het overlijden van aartsbisschop van Manilla Pedro José Manuel Martínez de Arizala droeg de Spaanse kroon Rojo op 27 november 1756 voor als diens opvolger. Op 24 augustus 1758 werd hij in de metropolitane kathedraal van Mexico-Stad tot bisschop gewijd door Manuel Rubio y Salinas, de aartsbisschop van Mexico. Op 6 juli 1759 arriveerde hij in de Filipijnen en op 22 juli nam hij bezit van het aartsbisdom Manilla.

Als aartsbisschop stelde Rojo zich persoonlijk op de hoogte van de toestand van zijn bisdom. Op 13 januari 1760 begon hij vanuit de kathedraal van Manilla aan een pastorale visitatie, die tot juni van dat jaar duurde. Hij bekostigde de reis uit eigen middelen en werd vergezeld door priesters die de plaatselijke talen spraken. Tijdens de visitatie bezocht hij verschillende parochies in en rond Manilla en liet hij onder meer de toestand van kerkgebouwen en de aanwezige kerkelijke bezittingen vastleggen.

Tijdens zijn werkzaamheden als aartsbisschop hield hij zich ook intensief bezig met de evangelisatie van de bevolking. Hij wilde Tagalog leren en verspreidde pastorale brieven. Hij stelde catechismussen samen en bewerkte teksten voor de geloofsverkondiging. Daarnaast publiceerde hij een devotieboekje in het Tagalog en werken over moraal en christelijke praktijk. Ook stelde hij twee wekelijkse academische bijeenkomsten in, een over moraal en een over taal, en bevorderde hij de catechese.

Naast zijn pastorale werkzaamheden liet Rojo verschillende werkzaamheden en verfraaiingen aan de kathedraal van Manilla uitvoeren. Hij schonk onder meer een rijk liturgisch gewaad, zes zilveren kelken en de ontbrekende diamanten voor de monstrans. Daarnaast bekostigde hij de aanleg van het atrium, werkzaamheden aan het grote orgel en het altaar van de Santo Cristo. Ook liet hij de klokken van de toren en de koninklijke kapel herstellen. Verder financierde hij werkzaamheden aan de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe en ondersteunde hij de verering van haar op de Filipijnen.

Gouverneur-generaal van de Filipijnen Na het overlijden van gouverneur-generaal Pedro Manuel de Arandía Santisteban op 31 mei 1759 bepaalde de toen geldende regeling dat de aartsbisschop van Manilla het bestuur van de Filipijnen tijdelijk zou overnemen. Rojo maakte daarom direct na zijn aankomst in Manilla aanspraak op het interim-gouverneurschap. De Audiencia van Manilla besloot echter het bestuur over te dragen aan Miguel Lino de Ezpeleta, de bisschop van Cebu. Rojo legde zich hier niet bij neer en legde de kwestie aan de Spaanse kroon voor.

Door een koninklijke besluit van 26 september 1760 werd Rojo alsnog aangewezen als interim-gouverneur en werd Ezpeleta uit zijn functie ontheven. De koninklijke beslissing bereikte Manilla pas in 1761, waarna hij op 9 juli van dat jaar het bestuur overnam. Rojo had zelf al eerder gevraagd om een andere gouverneur-generaal aan te stellen, omdat hij van mening was dat zijn functie als aartsbisschop al een zware verantwoordelijkheid met zich meebracht en hij naar eigen zeggen weinig ervaring had met militair en bestuurlijk beleid.

Als gouverneur-generaal hield Rojo zich onder meer bezig met de versterking van de Spaanse militaire en maritieme positie in de Filipijnen. Hij vroeg de onderkoning van Nieuw-Spanje om extra militairen, liet de haven van Zamboanga versterken en bevorderde opnieuw de houtkap voor de bouw van schepen. Daarnaast liet hij drie galeien en twee champans (Chinese platbodemschepen) aanschaffen. Ook probeerde hij de betrekkingen met de islamitische heersers van Sulu en Mindanao te verbeteren.

Daarnaast liet Rojo verschillende openbare en militaire voorzieningen verbeteren. Hij liet het Hospital Real van Manilla herbouwen, gaf opdracht tot de bouw van het Colegio de Santa Potenciana en liet het Real Seminario de San Felipe verbeteren. Ook liet hij de verdedigingswerken van Cavite en Fort Santiago, het fort bij Manilla, herstellen. De stadsmuren van Manilla werden bovendien van begroeiing ontdaan en hij liet de bewapening en de uitrusting van de troepen verbeteren.

Britse verovering van Manilla

In januari 1762 sloot Spanje zich aan de zijde van Frankrijk aan bij de Zevenjarige Oorlog. De Britse regering besloot daarop de Spaanse bezittingen in de Filipijnen aan te vallen. De expeditie onder bevel van brigadegeneraal William Draper en admiraal Samuel Cornish vertrok vanuit India en bereikte in september de Filipijnen. De Spaanse autoriteiten in Manilla waren onvoldoende op de hoogte van de Britse voorbereidingen. Rojo had wel berichten ontvangen over de komst van de Britse vloot, onder meer van geestelijken uit Castilië en India, maar hechtte hier aanvankelijk weinig geloof aan. Toen de Britse vloot op 23 september 1762 voor Manilla verscheen, werd Rojo hiervan als gouverneur-generaal op de hoogte gebracht. De komst van de vloot was niet aangekondigd en hij vermoedde aanvankelijk dat de Britten mogelijk door een noodsituatie gedwongen waren de baai binnen te varen. Uit voorzorg liet hij de verdediging van Manilla versterken en gaf hij opdracht ook de verdedigingswerken van Cavite in gereedheid te brengen.

Op 6 oktober drongen Britse troepen de stad binnen via een bres in de stadsmuur. Rojo trok zich terug naar Fort Santiago, waar hij met slechts enkele soldaten achterbleef. Hij liet een witte vlag hijsen en begon een document voor de overgave van de stad op te stellen. Kort daarna kwamen twee Britse officieren bij hem aan om de onmiddellijke overgave van Manilla en Fort Santiago te eisen. Rojo verklaarde daarop dat hij bereid was de stad over te geven en stemde in met een overleg met brigadegeneraal William Draper en admiraal Samuel Cornish.

Capitulatie en plundering De Britten verlangden naast de overgave van Manilla ook de overdracht van Cavite en de overige Spaanse bezittingen in de Filipijnen. Daarnaast eisten Draper en Cornish wapens, goederen, munitie en voorraden en een betaling van vier miljoen pesos, waarvan twee miljoen onmiddellijk moest worden betaald. De onderhandelingen waren erop gericht verdere verwoesting van de stad te voorkomen. De definitieve capitulatieovereenkomst werd op 7 oktober ondertekend. Daarin werd onder meer bepaald dat de bezittingen van de inwoners zouden worden beschermd, dat de katholieke godsdienst kon worden uitgeoefend en dat de inwoners hun handelsvrijheden zouden behouden. Met Rojo's aanvaarding van de capitulatie werd ook Cavite aan de Britten overgedragen.

Tijdens en kort na de inname van Manilla werd de stad door Britse militairen geplunderd. Rojo probeerde de plunderingen te beëindigen en drong er bij Draper op aan de orde te herstellen. Draper gaf vervolgens opdracht gestolen goederen uit woningen en kerken terug te brengen en liet militairen straffen die zijn bevelen om de plunderingen te staken negeerden. Rojo liet bovendien de kloosters van Santa Clara en andere vrouwenkloosters bewaken om de bewoners tegen de plunderaars te beschermen. De plunderingen troffen ook kerken en kloosters buiten de stad, waarbij kerkelijke bezittingen werden buitgemaakt en archieven werden vernietigd.

Rojo probeerde vervolgens het geëiste losgeld bijeen te brengen uit contanten en kostbaarheden van de Spaanse gemeenschap, maar kon het volledige bedrag niet innen. Voor het resterende bedrag werd ervan uitgegaan dat de Spaanse koninklijke schatkist in Madrid zou zorgen voor betaling. Toen de Britse autoriteiten later opnieuw aandrongen op betaling van het resterende bedrag, stelde Rojo voor daarvoor de Mexicaanse subsidie te gebruiken die met het galjoen Filipino naar Manilla zou worden gebracht.

De capitulatie betekende niet dat het Spaanse gezag buiten Manilla verdween. Voor de overgave had Rojo de rechter Simón de Anda van de Audiencia van Manilla benoemd tot luitenant-gouverneur. Anda verliet de stad en vestigde in de provincie Bulacan een Spaans bestuur dat zich tegen de Britse overheersing bleef verzetten. De Britten probeerden hem ertoe te bewegen de Britse soevereiniteit te erkennen, maar Anda weigerde dit. Op 29 oktober 1762 ondertekenden Rojo en de leden van de Audiencia in Manilla een document waarin de gehele Filipijnse archipel aan de Britse Kroon werd overgedragen.

Rojo onder het Britse bestuur Na de Britse machtsovername bleef Rojo in Manilla betrokken bij het bestuur. Op 25 oktober 1762 legden de inwoners van Manilla de eed van trouw aan George III af. De daadwerkelijke overdracht van het bestuur aan Dawsonne Drake vond pas 25 dagen na de verovering van Manilla plaats. Tijdens de daaropvolgende installatieceremonie werd Drake als plaatsvervangend gouverneur aangesteld. Rojo, de leden van de Audiencia van Manilla en andere vooraanstaande leden van de Spaanse gemeenschap waren daarbij aanwezig. Rojo bleef vervolgens de dagelijkse bestuurszaken van de kolonie behandelen en rapporteerde aan Drake en de Manila Council.