Daspletosaurus is een geslacht van uitgestorven vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Tyrannosauroidea, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.
De eerste fossielen van Daspletosaurus werden in 1913 gevonden in Canada. Het geslacht kreeg in 1970 zijn naam die 'afgrijselijke sauriër' betekent toen de typesoort Daspletosaurus torosus benoemd werd. Later werd duidelijk dat bepaalde fossielen die aan Daspletosaurus waren toegewezen en die uit jongere lagen stammen dan D. torosus, aan aparte soorten toebehoren. Die hebben nog geen eigen geslachtsnaam gekregen maar worden soms aangeduid als D. wilsoni of D. horneri. Van D. torosus zelf zijn niet heel veel resten bekend. Toch geven die nog een redelijk compleet beeld van de bouw van het dier.
Daspletosaurus torosus was een grote roofsauriër die negen meter lang kon worden en een kleine drie ton zwaar. Zijn horizontale romp werd in evenwicht gehouden door de staart. Zijn grote kop had een wat stompe snuit en was zwaargebouwd en achteraan erg breed. De voorpoten waren klein. Vermoedelijk waren de achterpoten in vergelijking met zijn directe verwanten binnen de Tyrannosaurinae nogal kort. De gedrongen lage en zware bouw zou erop kunnen wijzen dat Daspletosaurus joeg op de gehoornde plantenetende Ceratopia en die in een frontaal gevecht kon bedwingen. Volgens sommige geleerden was Daspletosaurus de directe voorouder van de grotere Tyrannosaurus rex.
Vondst en naamgeving In 1921 ontdekte Charles Mortram Sternberg bij Steveville in Alberta in Quarry 88 een skelet van een grote theropode. Dit werd door hem toegewezen aan Gorgosaurus.
In 1970 kwam Dale Russell tot de conclusie dat het een aparte soort betrof die hij benoemde als Daspletosaurus torosus. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse δασπλής, dasplès, 'afgrijselijk', 'schrikwekkend'. De soortaanduiding betekent 'gespierd' in het Latijn.
Het holotype is het exemplaar gevonden door C.M. Sternberg, specimen CMN 8506 (later NMC 8506). Het is opgegraven in lagen van de Oldmanformatie die stammen uit het midden van het Campanien en ongeveer zevenenzeventig miljoen jaar oud zijn. Het bestaat uit een vrij compleet skelet met schedel, waaraan echter de onderbenen en het puntje van de staart ontbreken. Het betreft een volwassen exemplaar left|thumb|260px|De schedel van het huidige FMNH PR308, indertijd per vergissing aangeduid als AMNH 5434 in plaats van AMNH 5336 In 1970 wees Russell ook een paratype aan: specimen AMNH 5438, een skelet zonder schedel, maar met achterpoot dat in 1913 door Barnum Brown gevonden was in de jongere Dinosaur Park Formation. In 1970 werd deze formatie nog niet van de Oldmanformatie onderscheiden en evenmin werd het leeftijdsverschil van zo'n twee miljoen jaar als een reden gezien niet te denken dat het om hetzelfde taxon zou gaan. In 2003 stelde Philip Currie echter dat het een aparte soort zou betreffen die hij voorlopig aanduidde als een Daspletosaurus sp. Dit verminderde het aantal bekende exemplaren van Daspletosaurus torosus aanzienlijk. Behalve het holotype was uit de Oldmanformatie namelijk alleen een in 2003 door Currie beschreven fragmentarisch skelet bekend, specimen RTMP 2001.36.1; later zouden nog een losse tand en een bovenkaaksbeen gemeld worden. In de Dinosaur Park Formation waren echter veel vollediger resten gevonden, naast losse beenderen ook de skeletten FMNH PR308 (eerder AMNH 5336, per abuis gemeld als AMNH 5434); RTMP 92.36.1220; RTMP 94.143.1; RTMP 85.62.1; en de schedels CMN 11594, RTMP 82.13.1, RTMP 83.38.1 en RTMP 94.218.1. TMP 1994.143.1, het enige bekende juveniele exemplaar, werd in 2019 toegewezen aan Gorgosaurus; in 2021 werd dit weer ontkend.
Dat Currie de vorm uit de Dinosaur Park Formation een aparte soort achtte, had mede te maken met het feit dat hij eerder, in 1991, ook al een Daspletosaurus sp. benoemd had en wel voor de nog jongere aan Daspletosaurus toegeschreven resten uit de Two Medicin Formation van Montana, die dateren uit het Laat-Campanien, ongeveer tweeënzeventig miljoen jaar oud. Het gaat hier voor een belangrijk deel om fragmentarische vondsten waaronder zo'n vijftienhonderd losse botten, maar het materiaal omvat ook het skelet MOR 590 en een exemplaar zonder inventarisnummer uit de collectie van het Rocky Mountain Dinosaur Resource Center dat de bijnaam Pete heeft. In 2017 werd dit materiaal benoemd als een tweede soort: Daspletosaurus horneri waarvan de soortaanduiding Jack Horner eert. MOR 590 is het holotype van deze soort. MOR 1130, een fragmentarisch skelet met schedel, en MOR 553S/7.19.0.97, een onderkaak van een jong dier, zijn de paratypen. De specimina AMNH FARB 5477, een gedeeltelijke schedel; MOR 3068, een onderkaak; MOR 553D.9.19.91, een linkerectopterygoïde; en MOR 553E.7.6.91.196, een rechterectopterygoïde, werden aan de soort toegewezen. Terwijl de oudere vormen een leeftijd hebben van 76,7 tot 75,2 Ma zou D. horneri ~75,1 tot 74,4 miljoen jaar oud zijn. Dat sluit precies aan en zou het waarschijnlijk maken dat de nieuwe soort een directe afstammeling is van D. torosus in een proces van anagenese, verandering in een doorlopende populatie. In 2025 werden de specimina CMN 350 en TMP 2010.121.0001 uit Canada toegewezen aan D. horneri.
Het onderscheid tussen drie verschillende soorten van Daspletosaurus maakt het moeilijk vondsten uit andere formaties toe te wijzen. Dit betreft enkele botten uit Canada waarvan niet meer na te gaan is of ze uit de Oldmanformatie of de Dinosaur Park Formation stammen en verder fragmenten uit de Verenigde Staten van Amerika, uit de Agujaformatie, de Kirtlandformatie, de Mesaverdeformatie en de Fruitlandformatie. Die laatste formaties dateren alle uit het late Campanien en de eerder bij Daspletosaurus ondergebrachte botten zijn ten dele aan andere taxa toegewezen zoals Bistahieversor.
Bij Daspletosaurus loopt het proces van naamgeving dus achter bij de fylogenie, het vaststellen van de te onderscheiden populaties en hun onderlinge verwantschappen. Een nieuwe soortnaam werd echter in 1987 geschapen toen Gregory S. Paul Daspletosaurus torosus in een Tyrannosaurus torosus hernoemde; dit heeft echter geen navolging gekregen en zo'n samenvoeging met Tyrannosaurus staat ook haaks op de bovenvermelde trend tot steeds verdere splitsingen. Een andere samenvoeging die niet aansloeg was die met Gorgosaurus, in 1995 voorgestaan door Thomas Carr.
In 2022 werd een Daspletosaurus wilsoni benoemd. Deze is gebaseerd op het in 2017 gevonden specimen BDM 107 dat weer een tussenvorm zou vertegenwoordigen tussen D. torosus en D. horneri. In 2025 werd specimen CMC VP15826 beschreven dat weer een tussenvorm zou vertegenwoordigen tussen D. wilsoni en D. torosus en daarmee zou aantonen dat die eerste geen aparte soort is.
Beschrijving Algemene bouw, grootte en onderscheidende kenmerken thumb|Daspletosaurus in grootte vergeleken met een mens thumb|De drie soorten zouden licht in grootte verschillen Daspletosaurus is een reusachtige tweevoetige roofsauriër, waarvan de horizontale romp in evenwicht gehouden werd door de staart. In 2010 schatte Paul de lengte op negen meter, het gewicht op tweeënhalve ton. In deze formaten is Daspletosaurus iets omvangrijker dan zijn verwanten Gorgosaurus en Albertosaurus sarcophagus gemiddeld werden. Het grote verschil met die twee soorten ligt hem niet zozeer in de algehele afmetingen maar in de robuuste bouw van Daspletosaurus. Zwaargebouwd is in het bijzonder de schedel die hoger is en vooral achteraan veel breder. Voor de verschillende Daspletosaurus sp. uit het latere Campanien geldt daarbij dat ze opvallend kortere achterpoten hebben en duidelijk meer op kracht dan snelheid waren gebouwd. Of dat ook waar was voor Daspletosaurus torosus, kan niet betrouwbaar worden vastgesteld doordat bij het holotype de achterpoten ontbreken. left|thumb|MOR 590, het holotype van D. horneri Carr wist in 2005 enkele kenmerken vast te stellen waarin Daspletosaurus zich van zijn verwanten onderscheidt. Het zijvlak van het bovenkaaksbeen is vóór de fenestra antorbitalis ruw. Van de zijkant bezien reikt de voorste tak van het traanbeen tot aan de bovenrand van de uitholling voor de fenestra antorbitalis. De achterste tak van het traanbeen draagt op het zijvlak een hoorntje. Van beneden bezien is de hoorn op het jukbeen breed. Van de zijkant gezien raakt het voorste uitsteeksel van het squamosum de voorrand van het onderste slaapvenster net niet. Het postorbitale vormt een rechte achterrand van de oogkas.
De verschillende soorten van Daspletosaurus zijn voornamelijk onderscheiden omdat ze uit verschillende formaties stammen. Currie kondigde in 2003 aan om de afwijkende kenmerken van de vorm uit de Dinosaur Park Formation apart te zullen beschrijven, maar dat is nog niet gebeurd. Volgens Carr hebben beide soorten uit Canada, D. torosus en de soort uit de Dinosaur Park Formation, met uitsluiting van de zuidelijker vormen gemeen dat de bult op het zijvlak van het postorbitale de rand van het onderste slaapvenster nadert. De vorm uit de Upper Two Medicine Formation zou als eigenaardigheid hebben dat de bovenste tak van het verhemeltebeen ver naar boven is uitgegroeid. Volgens Currie zijn verdere onderscheidende kenmerken van deze zuidelijke soort het bezit van een hoger hoorntje op het traanbeen, zoals getoond door MOR 590, en een grotere variabiliteit in het aantal maxillaire tanden dat zo hoog kan liggen als zeventien.
In 2017 werden verschillende onderscheidende kenmerken van D. horneri gegeven. De tandboog aan de voorzijde van de snuit is breed waarbij de tandrij van zowel de onderkaak als het bovenkaaksbeen duidelijk naar voren en binnen doorlopen terwijl de eerste interdentaalplaat van het bovenkaaksbeen smal is, op de interdentaalplaten van de praemaxilla lijkend op het punt waar de tandenrij overdwars georiënteerd is. Het dentarium van de onderkaak is duidelijk bol naar buiten gebogen. De holte van de fenestra promaxillaris reikt vooraan tot een punt tussen de derde en vierde maxillaire tandkas. De voorrand van het interne neusgat, de choana, ligt ter hoogte van de zevende maxillaire tandkas. Het gezwollen bovenvlak van het traanbeen raakt de binnenrand van het bot niet. De pneumatische uitholling aan de binnenzijde van het traanbeen vormt een hoge en nauwe uitsparing. De achterrand van het traanbeen, dus de voorrand van de oogkas, heeft een holle bovenste helft. De hele omtrek van de pneumatische uitholling van het squamosum is ingesneden en staat duidelijk af. De uitholling van het bovenste slaapvenster op het voorhoofdsbeen heeft in bovenaanzicht een golvende voorrand. Bij het wandbeen bedekt het raakvlak voor het squamosum de basis van de achterste zijtak. De crista tympanica loopt door over het proöticum.
Skelet Schedel en onderkaken thumb|350px|De snuit van Daspletosaurus is stomp, zoals dit afgietsel van FMNH PR308 laat zien