thumb|250px|right|Bosgezicht met wandelaarster Euphrosine-Joséphine Beernaert (Oostende, 11 april 1831 - Elsene, 7 juli 1901) was een Belgische landschapsschilderes uit de negentiende eeuw.
Korte biografie Zij was de dochter van Bernard Beernaert (Evergem, 1795 - Brussel, 1862), ambtenaar bij de Dienst Registratie en Domeinen, en van Euphrosine-Josèphe Royon (Oostende, 1809 - Elsene, 1888). Zij was de zus van Auguste Beernaert, eerste minister en winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede (Oostende, 1829 – Luzern,1912). Zij bleef ongehuwd.
Van moederszijde was ze nauw verwant met drie schildersfamilies: Hamman, Royon en Van Cuyck. Haar moeder behoorde tot de meest aanzienlijke families van Oostende. Zij was de kleindochter van Thomas Hamman (1751-1826), korte tijd burgemeester van Oostende gedurende de Franse bezetting.
De familie Beernaert was van Evergemse origine. Haar grootvader Pierre-Augustin Beernaert (gestorven voor 1828) was er gemeentesecretaris in de Franse tijd. Zijn zoon Eugène Beernaert werd notaris en was ook dichter. Hij is de auteur van onder andere de bundel "Verlaten Veldbloemen". De andere zoon, Bernard Beernaert, maakte carrière in de ambtenarij. In Oostende was hij lid van de Cercle Littéraire.
Euphrosine Beernaert werd geboren in het ouderlijk huis aan de Albertusstraat te Oostende (na haar dood werd deze straat omgedoopt tot de Euphrosine Beernaertstraat). Ze keerde later nog regelmatig terug naar Oostende. De stad en de omgeving inspireerden haar tot verschillende doeken. De vele promoties die haar vader maakte als verificateur in de Directie voor Registratie en Domeinen brachten het gezin achtereenvolgens in Dinant (1837), Namen (1839), Leuven (1847) en uiteindelijk Brussel (1849).
Opleiding Euphrosine Beernaert werd in het Frans opgevoed door haar ouders in een diep christelijke sfeer. Het tekenen en schilderen behoorde tot de essentie van de opvoeding tot een burgerjuffrouw. Deze lessen werden gegeven door haar moeder, die ook een merkwaardig tekentalent had.
Euphrosine Beernaert voelde zich al van jongs af aangetrokken tot het tekenen en schilderen van landschappen. De Maasvallei en de omgeving hadden een diepe invloed op haar en deden haar liefde tot de natuur groeien. Te Namen kreeg ze als kind enkele private schilderlessen en raadgevingen van de landschapsschilder Ferdinand Marinus (1808-1890), directeur van de plaatselijke academie. Maar zelf heeft ze, naar eigen zeggen in een brief uit 1879, er later weinig belang aan gehecht. Toch kan men een zekere invloed van Marinus terugvinden in haar vroege werken: romantische thema’s (zonsopgangen, avondstemmingen, onweersluchten) en schildertechniek (glad verfoppervlak met effectvolle kleurcombinaties).
Op zestienjarige leeftijd verhuisde zij naar Leuven. In die periode kopieerde ze voornamelijk reproducties van de landschapsschilders Wilhelm von Kobell en Jan Wynants. Toen reeds begon ze door haar iets bredere borsteltrek reeds af te wijken van de techniek van Marinus.
In 1849 werd haar vader bevorderd tot inspecteur-generaal te Brussel. In deze stad, waar de kunstenaarsscene bloeide, kreeg Euphrosine Beernaert verdere adviezen van kunstenaars zoals de landschapsschilder en etser Théodore Fourmois (1814-1871), Pierre-Louis Kuhnen (1812-1877) (een schilder gespecialiseerd in het romantisch landschap, van wie later ook Anna Boch een leerling was) en de realistische landschapschilder Edmond De Schampheleer (1824-1899). Kuhnen beschouwde Euphrosine Beernaert als een van zijn beste leerlingen.Christiaan Kramm, Geschiedenis van de Beeldende Kunsten in de Nederlanden – Hollandse en Belgische School – van den vroegsten tot op onzen tijd, aanhangsel, Amsterdam, 1864, p. 10 Maar het zou de Schampheleer, een wegbereider van de "School van Tervuren" zijn, die daadwerkelijk een invloed had op haar. Door hem kwam ze ook in contact met de stijl van de School van Barbizon. Van enige lijn of regelmaat in hun onderricht was er echter nooit sprake, tenzij adviezen hoe ze haar techniek nog kon verbeteren. Maar haar eigen stijl bleef ze behouden. In die tijd leed ze aan een hardnekkige oogontsteking. Vanaf 1862 werd ze ook geadviseerd door de dierenschilder Louis Robbe (1806-1887).
Debuut Euphrosine Beernaert deed een schuchter debuut in 1848 in het driejaarlijkse Salon van Brussel. In het volgende Salon van 1851 werd ze door de kritiek gunstig onthaald met twee burgerlijk-romantische landschappen: een "Herinnering aan de Maas; zonsondergang" en een "Berglandschap met naderend onweer", twee romantische landschappen. Beide schilderijen tonen nog de invloed van Ferdinand Marinus.
Uit die tijd dateert ook een vroeg werk, de potloodtekening "Wagen getrokken door twee ossen" (1853, privéverzameling, Brugge).
Studiereizen In de jaren 1853-1859 ondernam Beernaert enkele studiereizen, dikwijls in gezelschap van haar broer Auguste Beernaert, naar Frankrijk, Italië en Duitsland. Deze hadden blijkbaar geen impact op haar kunst, tenzij op één enkel werkje: "Herinnering aan Ziegelhausen" (1854). Beernaerts motievenkeuze bleef beperkt tot de Kempen, de Ardennen, Gelderland, Holland en de Noordzeekusten - streken waar ze regelmatig kwam.
Doorbraak Tot 1860 had ze het schilderen eerder beschouwd als een tijdverdrijf.
Haar regelmatige deelnames aan de Driejaarlijkse Salons afwisselend te Antwerpen, Brussel en Gent, en aan de talloze tentoonstellingen in de provinciesteden (Brugge, Kortrijk, Leuven, Luik, Mechelen, Bergen, Namen, Oostende, Verviers, Veurne …) en in het buitenland leverde haar hele leven lang een stroom vrijwel unaniem positieve kritieken op, maar nu en dan ook een waarschuwing om het traditioneel-romantische pad niet te verlaten voor modernere tendensen.
Haar "Omgeving van Postel" en "Vieilleville" (1860, Salon van Brussel) betekenden het begin van haar professionele loopbaan. Ze werden bestempeld als haar eerste ernstige werkstukken.E.L. De Taeye, Les Artistes belges contemporains. Leur vie – leurs oeuvres – leur place dans l’art, Brussel, 1894-1897, p. 465 Ook haar "Dijle & Weide te Evergem" (Salon van Antwerpen, 1861) was een successtuk.
Naar eigen zeggen begon Beernaert pas ca. 1862 ernst te maken van haar carrière als gespecialiseerde landschapsschilder. In die tijd verliet ze haar vroegere stijl die nog een aantal romantische invloeden vertoonde: zoeterig, geflatteerd coloriet, geweldige lichtdonkere contrasten, thema’s als onweer, zonsopgang en avondstemming … Onder invloed van haar vriend, de dierenschilder Louis Robbe, kwam ze in enkele jaren tijd tot een zeer mannelijk realisme in haar landschapskunst. Door zijn toedoen begon Euphrosine Beernaert te werken in de vrije natuur om landschappen en dieren op een realistische wijze weer te geven. De sfeerschepping, eigen aan haar werken, zoals het weergeven van melancholische eenzaamheid in bos, heide of duinen, veelal in de herfst of onder bewolkte hemels, was dan de romantiserende inbreng in haar overigens realistische kunst. Vandaar dat Beernaerts rijpe stijl het best als "romantisch realisme" bestempeld kan worden. Via Robbe kwam ze ook in contact met eigentijdse schilders zoals Constant Woutermaertens (1823-1867) en Edouard Woutermaertens (1819-1897), Alfred Verwee (1838-1895), Charles Tschaggeny (1815-1894), Edmond Tschaggeny (1818-1873), Henri de Pratere (1815-1890) en Edmond de Pratere (1826-1888). miniatuur|Vijver in Villers-la-Ville, 1867, collectie M Leuven Van 1864 af tot in de jaren negentig, exposeerde Beernaert geregeld en met succes in zowat alle voorname internationale salons. Ze sleepte er tal van onderscheidingen in de wacht. Ze kreeg haar eerste officiële onderscheiding in 1867 toen ze een zilveren medaille kreeg in Le Havre (Frankrijk).
Toen in 1868 in Brussel de Société Libre des Beaux-Arts door een aantal schilders, waaronder haar vriend Camille van Camp (1834-1891), werd opgericht, sloot ze zich hierbij niet aan. Nochtans waren de doelstellingen ervan nauw verwant met haar eigen schilderkunst.
Vanaf de jaren 1870 schilderde ze regelmatig in de Kempen, onder andere in Genk, waardoor haar naam, samen met vele andere landschapsschilders uit deze periode ook verbonden is aan de zogenaamde Genkse School.
In 1872 behaalde ze een bronzen medaille in Lyon. Dit wijst erop dat haar kunst ook meer en meer in het buitenland waardering kreeg.
Het buitengewone succes dat Beernaert al die jaren te beurt viel, moet grotendeels verklaard worden vanuit de positie van haar broer als minister van Landbouw, Openbare Werken en Schone Kunsten, later zelfs als eerste minister. Men heeft steeds beweerd dat Euphrosine Beernaert achter de schermen een grote rol speelde bij het toewijzen van staatsopdrachten aan beeldende kunstenaars. Vandaar dat haar persoon en werk doorgaans in ere werden gehouden door belanghebbende kringen. Wat echter niét wil zeggen dat haar kunst van inferieure kwaliteit was: haar landschappen waren vergelijkbaar met die van die vele andere landschapsschilders die België toen kende: Alphonse Asselbergs (1839-1916), Théodore Baron (1840-1899), Joseph-Théodore Coosemans (1828-1904), Alfred Courtens (1854-1943), François Lamorinière (1828-1911), Joseph Quinaux (1822-1895), François Roffiaen (1820-1898) en Rodolphe Wytsman (1860-1927) …
Omstreeks 1872 was Beernaert op reis in Spanje, maar schilderijen met Spaanse gezichten zijn blijkbaar niet aan te wijzen. Ze sprak wel enthousiast over deze reis met haar vriend, de schilder Camille Van Camp.
In 1873 werd haar schilderij "Eikenbos" bekroond met de gouden medaille op de Wereldtentoonstelling in Wenen. In hetzelfde jaar kreeg ze ook een eervolle vermelding in Amiens. miniatuur|Gezicht op de Schelde Van 1873 af werkte Beernaert veel aan de Scheldeoevers nabij Antwerpen. Dan logeerde ze te Hoboken in het Gravenhof, het landgoed van haar neef en nicht Emile en Louise de Harven-Van den Abeele. Daar ontmoette Beernaert geregeld andere kunstenaars die uitgenodigd waren bij de kunstminnende de Harven: Théodore Baron (1840-1899), Emile Claus (1849-1924), Edgard Farazyn (1858-1938), François Lamorinière (1828-1911), Charles Tschaggeny, Camille van Camp en Charles Verlat (1824-1899) … Van Hoboken uit gingen ze olieverfstudies maken langs de Schelde (Burcht, Temse, verder tot Hingene). Allen zagen ze mekaar ook terug op Walcheren, nabij Domburg, waar het gezin Harven een tweede landgoed bezat. De vele Walcherengezichten van genoemde landschapsschilders zijn in feite onrechtstreeks aan de gastvrijheid van de Harvens te danken. miniatuur|De Schelde in Burcht Eind 1874 kwam de jonge schilderes Anna Boch (1848-1933) als leerlinge in het atelier van Beernaert, na enige onenigheid met haar vorige leermeester P.L. Kuhnen. Ook met Beernaert was de verstandhouding niet opperbest: Kuhnen en Beernaert waren te zeer mensen van traditie om het (in hun ogen) te verregaande modernisme van Anna Boch te begrijpen. In 1876 verliet Boch dan ook Beernaert om bij Isidore Verheyden (1846-1905) verder te studeren.
In 1876 werden haar Hollandse en Walcherse landschappen geëxposeerd op het driejaarlijks Salon van Brussel. Ze werd bij de opening hiervan voorgesteld aan koning Leopold II en bovendien nog enkele dagen later ontvangen op het koninklijk paleis. Ze kreeg ook voor haar inzendingen op het Salon de gouden eremedaille. Ze werd vernoemd, samen met Marie Collart-Henrotin (1842-1911), als de twee voornaamste vrouwelijke schilders die het land telde. In 1876 kreeg ze een gouden medaille voor haar inzending op de tentoonstelling in Philadelphia (VS).
In 1876-1877 ondernam Beernaert een reis naar Noorwegen. Ze bezocht onder andere de Noordkaap en onderweg ook Tromsö en bracht vandaar een aantal studies mee die ze later gebruikte voor enkele grootse atelierstukken. Een grote eer viel de schilderes in 1877 te beurt toen koningin Maria-Hendrika bij haar een "Scheldeoevers te Temse" aankocht.