thumb|275px|Kaart van Centraal-Azië met drie mogelijke afgrenzingen voor de regio De geschiedenis van Centraal-Azië is sterk verbonden met zijn klimaat en geografie. De droogte van het gebied maakt landbouw moeilijk en zijn afstand ten opzichte van de zee zorgde ervoor dat veel handel eraan voorbijging. Hierdoor ontstonden slechts een paar grote steden in het gebied en werd het grootste deel van Centraal-Azië gedurende het grootste deel van zijn geschiedenis gekenmerkt door de nomadische ruitervolken van de steppe.

De relaties tussen de steppenomaden en de inwoners van de nederzettingen in en rond Centraal-Azië werden lange tijd gekenmerkt door conflicten. De nomadische levensstijl was zeer geschikt voor oorlogsvoering en de ruiters van de steppe groeiden door hun vernietigende technieken en de kwaliteiten van hun boogschutters te paard uit tot een van de meest militair daadkrachtige ter wereld.O'Connell, Robert L.: "Soul of the Sword.", page 51. The Free Press, New York, 2002. Van tijd tot tijd zorgden grote leiders of veranderende omstandigheden ervoor dat verschillende stammen zich aaneensloten tot een macht, waardoor een bijna onstopbare kracht kon ontstaan. Hiertoe behoren de invasie van de Hunnen in Europa, de migraties van de Turkse volkeren naar Transoxanië, de aanvallen van de Wu Hu in China en met name de Mongoolse veroveringen van een groot deel van Eurazië.

Nog moeilijker dan het behouden van een stepperijk was het besturen van veroverde landen buiten de regio. Hoewel de steppevolken geen moeite hadden met het veroveren van deze gebieden, waren ze bijna niet in staat om het te besturen. De diffuse politieke structuur van de steppeconfederaties was niet toegerust op de complexe staten van de gevestigde bevolkingen. Bovendien telden de legers van de nomaden grote aantallen paarden; meestal drie of vier voor elke strijder. Het in stand houden van deze grote aantallen vereiste grote graasgebieden, die niet beschikbaar waren buiten de steppes. Lange periodes weg van het moederland zorgden er daardoor voor dat de steppelegers langzamerhand uiteenvielen. Om gevestigde volken te besturen waren de steppevolken dus gedwongen om te vertrouwen op de lokale bureaucratie, een factor die zou leiden tot een snelle culturele assimilatie van de nomaden in de cultuur of van degenen die ze hadden overwonnen.

De macht van de nomadische ruitervolken eindigde in de 16e eeuw toen de plaatsbewoners de beschikking kregen over vuurwapens, waardoor ze de macht konden overnemen. Het Russische Rijk, de Chinese Qing-dynastie en andere grootmachten breidden hun invloed uit over het gebied en tegen het einde van de 19e eeuw was het grootste deel van Centraal-Azië ten noorden van Afghanistan in handen van de Russen. Na de Russische Revolutie werden de Centraal-Aziatische gebieden tot onderdeel van de Sovjet-Unie gemaakt. De Volksrepubliek Mongolië bleef onafhankelijk, maar werd wel een satellietstaat van de Sovjet-Unie. Afghanistan wist zijn onafhankelijkheid min of meer te behouden tot het Sovjetleger het land binnenviel eind jaren 70. De door de Sovjet-Unie bestuurde delen van Centraal-Azië kregen te maken met grootschalige industrialisatie en de aanleg van infrastructuur, maar ook met de onderdrukking van de lokale culturen, honderdduizenden doden door mislukte collectivisatieprogramma's en een blijvende erfenis van etnische spanningen en milieuproblemen.

Met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie riepen de vijf republieken van Centraal-Azië in navolging van andere Sovjetrepublieken ook de onafhankelijkheid uit. In alle staten bleven de voormalige bestuurders van de Communistische Partij echter hun macht behouden als lokale heersers. In geen van de vijf republieken ontstond een vrije democratie, al lijkt Kirgizië de laatste jaren wel deels deze richting te zijn ingeslagen en ook Mongolië heeft zich sinds 1991 in deze richting ontwikkeld.

Prehistorie

Vroege Steentijd De aanwezigheid van neanderthalers is aangetoond in de Tesjik-Tasjgrot in Oezbekistan.

Uit genetische studies is gebleken dat de eerste moderne mensen rond 50.000 tot 40.000 jaar geleden naar de regio kwamen. Sommige studies hebben het gebied aangewezen als de meest waarschijnlijke bron van de mensen die later Europa, Siberië en Noord-Amerika zouden gaan bevolken.The report on the genetic study of Central Asians, A BBC BBC-artikel met een samenvatting van deze uitkomsten

Late Steentijd Van 5500-3500 v.Chr. bevond zich de neolithische Kelteminarcultuur op het grondgebied van het huidige Kazachstan, Turkmenistan en Oezbekistan.

Rond 4500 v.Chr. stichtten kleine gemeenschappen de eerste permanente nederzettingen en begonnen met het bedrijven van landbouw en het hoeden van kudden. Ongeveer rond deze periode begonnen sommige van deze gemeenschappen met de domesticatie van het paard (zie ook: Botajcultuur). Aanvankelijk werden de (oorspronkelijk kleine) paarden alleen gehouden voor hun vlees, als voedselbron. Aangenomen wordt dat ze al snel bereden werden, echter de tegen 4000 v.Chr. voor het eerst voorkomende wagens met wielen waren nog te zwaar voor het trekken met paarden.

Bronstijd Tegen 2000 v.Chr. vindt men bij de Sintasjtacultuur de eerste strijdwagens met gespaakte wielen, licht genoeg voor het trekken met paarden. De beweegbaarheid werd hierdoor vergroot en ze konden het strijdveld overheersen.

Het toenemende gebruik van het paard en de mislukking rond 2000 v.Chr. van de altijd onzekere irrigatiesystemen die uitgestrekte landbouw mogelijk hadden gemaakt, leidden tegen 1000 v.Chr. tot de opkomst en overheersing van het pastorale nomadisme, een vorm van leven die de regio nog vele millennia zou domineren. Een belangrijke rol speelde hier de Karasoekcultuur. thumb|275px|left|Przewalskipaard (Equus przewalskii), ook bekend als het Mongoolse wilde paard of Tachi, was waarschijnlijk een voorvader van de eerste gedomesticeerde paarden

Verspreide nomadische groepen hielden kuddes met schapen, geiten, paarden en (tweebultige) kamelen en reisden jaarlijks van het ene naar het andere weidegebied om nieuwe graasgebieden te vinden (de transhumance). De mensen leefden in joerten; tenten gemaakt uit huiden en hout die konden worden op- en afgebroken en vervoerd. Elke groep had een aantal joerten, die elk ongeveer 5 mensen konden huisvesten.

Waar de semiaride vlakten werden gedomineerd door de nomaden, ontstonden in de vochtigere gebieden van Centraal-Azië kleine stadstaten en sedentaire agrarische gemeenschappen. De Oxusbeschaving uit het vroege 2e millennium v.Chr. was voor zover bekend de eerste sedentaire beschaving in het gebied. Deze cultuur kende irrigatielandbouw met tarwe en gerst en mogelijk ook een vorm van schrift. Men had waarschijnlijk relaties met de toenmalige bronstijdnomaden van de Andronovocultuur die ten noorden van hen leefden, in westelijk Siberië, het Europese deel van Rusland en in delen van het huidige Kazachstan en als cultuur wisten te overleven tot het 1e millennium v.Chr. Deze culturen zijn voorgesteld als mogelijke representanten van de hypothetische Arische cultuur, die als voorouder wordt genoemd van de sprekers van de Indo-Iraanse talen (de Indo-Iraniërs) en mogelijk ook van de Turkse culturen.

IJzertijd Later kregen de Sogdische stadstaten van de Vallei van Fergana steeds meer invloed. Na de 1e eeuw v.Chr. vestigden zich handelaren van de Zijderoute in deze steden, die rijk werden van deze handel. De steppenomaden waren voor een groot aantal goederen, die ze zelf niet konden produceren als rondtrekkende groepen, afhankelijk van deze stadsbevolkingen. De nomaden deden wanneer ze konden aan ruilhandel, maar omdat ze vaak vanuit het oogpunt van de gevestigde bevolking geen interessante producten hadden, namen ze vaak in plaats daarvan hun toevlucht tot aanvallen om hun producten toch te verkrijgen.

Oudheid De steppes werden bevolkt door een grote variëteit aan mensen. Tot de nomadische groepen van Centraal-Azië behoorden de Tocharoi, Perzen, Scythen, Sarmaten en andere Indo-Europese volken, de Hunnen, Turkse volkeren, en een aantal Mongoolse groepen. Ondanks deze etnische en taalkundige verschillen leidde het leven op de steppe tot de aanname van een sterk overeenkomende cultuur door de regio.

Scythen

In het eerste millennium v.Chr. ontstond een aantal grote en machtige staten aan de zuidelijke rand van Centraal-Azië. Een voorbeeld hiervan wordt gegeven door de gedetailleerde beschrijving van Herodotus over de kansloze Perzische veldtochten tegen de Scythen. De Scythen hadden net als de meeste eerdere nomadische rijken echter wel permanente nederzettingen van verschillende omvang, die verschillende niveaus van beschaving vertegenwoordigden.Herodotus, IV, 83-144

De Scythen namen deel aan de coalitie die een einde maakten aan het Assyrische Rijk en de val van Nineve in 612 v. Chr.

Van de uitgestrekte versterkte plaats bij het huidige Oekraïense stadje Kamjanka-Dniprovska aan de rivier de Dnjepr, die werd bewoond sinds het einde van de 5e eeuw v.Chr., wordt gezegd dat het de hoofdstad vormde van het Scythische koninkrijk dat werd geregeerd door Ateas, die in 339 v.Chr. stierf in de strijd tegen Philippus II van Macedonië.Central Asia, history of, Encyclopaedia Britannica

Hellenisme thumb|300px|Tetradrachme van de Grieks-Bactrische koning Eukratides I (171-145 v.Chr.) Sommige rijken, zoals Perzië en Macedonië, wisten diep door te dringen in Centraal-Azië en stichtten er steden en verkregen de controle over de handelscentra. De rijken van de Meden en de Achaemeniden heersten beiden over delen van Centraal-Azië. De veroveringstochten van Alexander de Grote brachten de Hellenistische beschaving helemaal naar Alexandria Eschate (letterlijk: "Alexandrië de Verste"), dat in 329 v.Chr. werd opgericht in het huidige Tadzjikistan. Na de dood van Alexander in 323 v.Chr., werden zijn Centraal-Aziatische bezittingen veroverd door het Seleucidische Rijk tijdens de Oorlogen van de Diadochen. In 250 v.Chr. scheidde Bactrië, het Centraal-Aziatische deel van het Seleucidische Rijk, zich af als het Grieks-Bactrisch koninkrijk. Dit rijk onderhield tot zijn val in 125 v.Chr. uitgebreide contacten met India en China. Het Indo-Grieks koninkrijk, dat zich voor het grootste deel in de Punjab bevond, maar ook een aardig deel van Afghanistan beheerste, pionierde met de ontwikkeling van het Greco-Boeddhisme.

Chinese invloed Met het ontstaan van het Chinees Keizerrijk ontstond de Zijderoute, die China met Europa verbond. Er ontstond een bloeiperiode, maar ook vond de inval van de Xiongnu en de Yuezhi plaats.

Later zouden machten van uit deze regio de handel gaan bepalen. Een van deze machten, het Parthische Rijk, was van Centraal-Aziatische oorsprong, maar nam de Perzische culturele tradities over. Dit is een vroeg voorbeeld van een terugkerend thema in de Centraal-Aziatische geschiedenis: van tijd tot tijd zouden nomaden uit Centraal-Azië rijken rondom de regio innemen, maar vervolgens namen ze vaak de cultuur over van de volken die ze overwonnen.

Een ander is het Kushanrijk, dat in de 1e eeuw na Chr. een groot deel van India veroverde.

In deze periode vormde Centraal-Azië een heterogene regio met een mengelmoes van culturen en religies. Het boeddhisme bleef de grootste religie, maar was geconcentreerd in het oosten. Rond Perzië kwam het zoroastrisme op. Ook het Nestoriaanse christendom kwam het gebied binnen, maar zou nooit verder uitgroeien dan een minderheidsreligie. Succesvoller was het manicheïsme, dat wist uit te groeien tot het derde geloof van de regio. Veel Centraal-Aziaten praktiseerden meer dan één geloof en bijna alle lokale religies hadden syncretische elementen van de lokale sjamanistische tradities.

Grootmachten uit de steppes Achtergrond right|300px|thumb|Kaart (uit 1923) van de belangrijke handelsroutes van Centraal-Azië in de 13e eeuw