Spinosaurus is een geslacht van uitgestorven vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de Spinosauroidea, dat tijdens het midden van het Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Afrika.
Fossiele resten werden in 1912 ontdekt en in 1915 benoemd met de naam Spinosaurus aegyptiacus. Slechts een gedeelte van het skelet is bekend, zodat niet precies is vast te stellen hoe deze soort eruitzag. Wel is duidelijk dat de schedel leek op die van een krokodil en geschikt was om kleinere prooien stevig vast te grijpen. Op de rug stond een enorm rugzeil. Wetenschappers zijn het er niet over eens waarvoor dat zeil diende, of Spinosaurus voornamelijk vissen of landdieren at en hoe lang hij kon worden. Moderne schattingen over zijn lengte liggen tussen de veertien en achttien meter.
Naamgeving en vondsten Vroege vondsten De eerste vondsten van fossielen waarvan we tegenwoordig begrijpen dat ze aan Spinosaurus moeten hebben toebehoord, werden in Algerije gedaan tijdens de grote Franse wetenschappelijke expeditie door de Sahara van 1898 tot 1900, de Mission Foureau-Lamy onder leiding van Fernand Foureau. Tanden van Spinosaurus werden in 1905 door Émile Haug onder voorbehoud als de basale vis Saurocephalus geclassificeerd, een lid van de Ichthyodectidae. Overigens maakte Haug zelf geen deel uit van de expeditie. De fossielen waren daarin 'bijvangst' geweest van het geologische onderzoek. De tanden waren verzameld omdat ze opvielen door hun uitzonderlijke grootte en vreemde vorm. Indertijd had men geen enkel vermoeden dat het om resten van een dinosauriër zou kunnen gaan.
Spinosaurus aegyptiacus thumb|Ernst Stromer met het rechterdijbeen HM 1912 VIII 69, waarvan de identiteit tegenwoordig onzeker wordt geacht In de herfst van 1912 vond de Boheems-Oostenrijkse verzamelaar Richard Markgraf fragmentarische fossiele resten van een grote theropode in de Bahariya-oase in het westen van Egypte. Markgraf deed opgravingen in dienst van de Beierse Academie van Wetenschappen en via dit instituut voor de Duitse paleontoloog Ernst Freiherr Stromer von Reichenbach. Duitse geleerden hadden al op het eind van de negentiende eeuw grote belangstelling gehad voor de westelijke woestijn van Egypte. De geoloog Karl Alfred von Zittel had er opgravingen verricht. Von Zittel zond Stromer voor het eerst naar Egypte uit in 1901/1902, met de opdracht er fossiele zoogdieren te vinden, bij voorkeur voorouders van de mens. Bij die gelegenheid had Stromer de Boheem Markgraf leren kennen als een uitstekend organisator van zulke expedities. In 1910 voer Stromer opnieuw naar Egypte en legde weer contact met Markgraf. Na wat inleidende tochtjes werd die laatste echter ziek zodat Stromer begin 1911 gedwongen was met slechts wat gidsen en kamelendrijvers naar de Bahariya-oase af te reizen. Hij kwam op 11 januari bij de oase aan, een honderd meter diepe depressie van honderd kilometer lang en veertig kilometer breed. Op 17 januari onderzocht hij de kegel van de Gebel-el-Dist en op 18 januari stelde hij vast dat de zuidhelling daarvan bezaaid was met de botten van Sauropoda, de eerste keer dat iemand dinosauriërs uit het Mesozoïcum van Egypte had ontdekt. Ook vond hij een dijbeen van een theropode, dat hij later zou toewijzen aan Bahariasaurus. De Gebel-el-Dist is een tweehonderd meter hoge heuvel die ontstaan is doordat een dikke kap van kalksteen uit het Eoceen de onderliggende lagen tegen erosie beschermde. Op 21 januari moest hij weer afreizen en in februari voer hij terug naar Duitsland. Hij had echter Markgraf opdracht gegeven de opgravingen voort te zetten en in de winters van 1912, 1913 en 1914 bleef deze grote hoeveelheden beenderen bergen. In de zomer werken was onmogelijk wegens de extreme hitte.
Al in 1912 werden de toen gevonden theropode resten naar Duitsland opgestuurd. De opgravingen van de, voornamelijk sauropode, beenderen werden pas in april 1914 afgesloten. Het lukte Markgraf niet de vondsten uit 1913 en 1914 nog naar Duitsland te verzenden door de oplopende politieke spanningen. Stromer probeerde zelfs na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nog de Britten te bewegen ze vrij te geven maar die gingen daar niet op in. Markgraf stierf kort daarop; zijn weduwe gaf twaalf kratten beenderen in bewaring bij de Geological Survey of Egypt. Stromer publiceerde op 6 november 1915 een eerste beschrijving van de theropode fossielen. Door de oorlogsomstandigheden kreeg deze publicatie weinig aandacht. thumb|left|Een replica van de wervels van het holotype De lagen waarin de vondsten gedaan werden, de Bahariyaformatie, stammen uit het Cenomanien en zijn ongeveer 97 miljoen jaar oud. De formatie werd door Stromer zelf benoemd, op basis van de stratificatie van de Gebel-el-Dist. De onderste Gebel-el-Dist-afzetting bestaat uit de lagen die de dinosauriërfossielen bevatten; ze werden door Stromer de Saurierlagen genoemd. Ze zijn afgezet in een lagune. Stromer benoemde de theropode fossielen als een nieuwe soort in een nieuw geslacht: Spinosaurus aegyptiacus. De geslachtsnaam verwijst naar de kenmerkende lange doornuitsteeksels van de wervels; spina betekent 'doorn' in het Latijn. De soortaanduiding verwijst naar Egypte. Het holotype IPHG 1912 VIII 19 bestaat uit delen van de schedel en onderkaken, negentien losse tanden, twee halswervels, zeven ruggenwervels, ribben, buikribben en acht staartwervels. Het gaat om een onvolwassen individu. Niet alle beenderen werden in verband gevonden.
In 1922 werden de nog in Egypte aanwezige kratten na een oproep daartoe door de internationale paleontologische gemeenschap alsnog vrijgegeven en naar Duitsland verscheept. Door de hyperinflatie die dat land toen teisterde, was Stromer zelf niet in staat dit te betalen: het vervoer werd mogelijk gemaakt doordat de Zwitserse paleontoloog Bernhard Peyer £72,- naar Egypte overmaakte. In 1934 beschreef Alfred Romer het materiaal opnieuw, waarbij het gedetailleerd geïllustreerd werd, en gaf toen een aantal in de kratten aanwezige grote theropodenbotten, specimen IPHG 1922 X45, de voorlopige naam Spinosaurus B, een mogelijke aparte soort binnen het geslacht. Hij dacht dat het om twee individuen ging, een grotere en een kleinere. Tegenwoordig wordt soms gedacht dat dit tweede specimen niets met Spinosaurus van doen heeft en misschien behoorde tot Carcharadontosaurus. Anderen zien het echter als een synoniem van S. aegyptiacus. Ook de publicatie uit 1934 kreeg weinig aandacht.
Het holotype kreeg in Beieren bij de Bayerische Staatssamlung für Paläontologie und Geologie waar Stromer conservator geworden was een opstelling tegen de muur. In 1937 ging Stromer met pensioen. Zijn invloed was al afgenomen omdat hij zich weinig meegaand opstelde tegenover het naziregime. In 1940 werd de leiding van het instituut overgenomen door de "arische paleontoloog" Karl Beurlen. Dat zou rampzalige gevolgen hebben voor de collectie. Stromer drong er vanwege de Tweede Wereldoorlog op aan de grote stukken veilig op te slaan op het platteland. Breulen weigerde echter koppig de collectie te evacueren omdat dit van defaitisme zou getuigen. Het typespecimen en Spinosaurus B zijn in de nacht van 25 april 1944 verloren gegaan tijdens een Brits bombardement door 260 bommenwerpers op München, waarbij het Deutsches Museum waar de botten waren opgeslagen grotendeels verwoest werd. Ook persoonlijk was de oorlog een tragedie voor Stromer: twee van zijn zonen zouden aan het Oostfront sneuvelen en de derde pas na lange krijgsgevangenschap terugkeren. Beurlen week na de oorlog uit naar Brazilië en zou daar een belangrijke rol spelen in het onderzoek naar de Santanaformatie. Deze connectie leidde ertoe dat Duitse musea illegaal daar gedolven fossielen aankochten en één daarvan was de schedel van Irritator die belangrijke informatie zou verschaffen over de bouw van spinosauriden.
Spinosaurus maroccanus thumb|Een stuk kaak toegeschreven aan S. maroccanus te Parijs Op het eind van de twintigste eeuw doken er in de Maghreb fragmentarische fossielen op van spinosauride herkomst, die op de westerse markt gebracht werden door commerciële fossielenhandelaren. Dit wekte de aandacht van de wetenschap. In 1996 beschreef de Canadese paleontoloog Dale Alan Russell een exemplaar, CMN 50791, bestaande uit stukken onderkaak en ruggenwervels dat een Duitse expeditie al in 1971 had opgegraven in de Kem Kem-formatie van Marokko, als een tweede soort: Spinosaurus maroccanus. Ook andere fossielen werden hiernaar verwezen: CMN 41768, een halswervel; CMN 50790, twee halswervels met nekribben; CMN 50813, een stuk wervelboog van een ruggenwervel; CMN 50832, een stuk onderkaak met tand en CMN 50833, het middendeel van een onderkaak. De wervels zouden veertig procent langwerpiger zijn dan die van S. aegyptiacus. Veel onderzoekers beschouwen S. maroccanus echter als een jonger synoniem van de eerste soort omdat ze de afwijkende vorm zien als een geval van individuele variatie. In 1998 wees Russell een tweede belangrijk specimen aan deze soort toe, MNHN SAM 124, bestaande uit schedeldelen, gevonden in de Gara Samani van Algerije; het gebied leverde verder schedel- en wervelfragmenten op: MNHN SAM 125, 126, 127 en 128. Ander materiaal uit de regio wordt echter als dat van S. aegyptiacus beschouwd, zoals ONM nBM231, een stuk onderkaak uit de Cheniniformatie van Tunesië, in 2002 beschreven door Eric Buffetaut en Mohamed Ouaja. Een probleem bij deze laatste vondsten is dat ze stammen uit het vroege Albien, volgens de huidige inzichten minstens een twaalf miljoen jaar ouder dan de Bahariyaformatie; het is onverwacht dat een diersoort het zo lang uithoudt, een aanwijzing dat of de stratigrafie of de determinering fout is. Een ander mogelijk synoniem is Sigilmassasaurus.
thumb|MSNM V4047 Veel opzien baarde MSNM V4047, in 2005 beschreven door Cristiano Dal Sasso, een voorkant van een schedel van uitzonderlijke grootte, in 1975 gevonden in Marokko, in 2002 van een particuliere verzamelaar verworven en door Dal Sasso gezien als een exemplaar van S. aegyptiacus, evenals UCPC-2, een stuk neusbeen met schedelkam. Ook in andere delen van Afrika zijn vondsten gedaan die met Spinosaurus is verband zijn gebracht, hoewel de identiteit ervan nog niet betrouwbaar is vastgesteld. Het betreft resten uit Libië, wat een verbinding zou vormen tussen de vondsten in de Maghreb en Egypte, maar ook uit Niger en Kenia.