thumb|400px|De koloniale groei van het Russische rijk en de Sovjetunie tussen 1300 en 1945

Dit artikel behandelt de geschiedenis van Rusland.

Hoewel in dit artikel de geschiedenis van Rusland, die van de Sovjet-Unie en die van post-Sovjet Rusland gemakshalve als één continuüm worden beschouwd, zal het zwaartepunt liggen op de oude geschiedenis van Rusland, dat wil zeggen tot 1917, omdat er een afzonderlijk artikel is dat de geschiedenis van de Sovjet-Unie behandelt. De jongste geschiedenis van Rusland komt aan bod in de laatste hoofdstukken.

Prehistorie miniatuur|Centraal- en Oost-Europa omstreeks 750 v.Chr.

De prehistorie van Rusland omvat de periode van de vroege steentijd tot de vroege middeleeuwen op het territorium van het huidige Rusland.

De omvang van het land en de eigenaardigheden van de natuurlijke en klimatologische omstandigheden bepalen de ongelijke ontwikkeling van afzonderlijke delen. De rijke geschiedenis van vroege groepen en culturen die het huidige grondgebied van Rusland bewoonden, wordt weerspiegeld in een grote verscheidenheid aan archeologische culturen.

De vroegste menselijke vestiging op het grondgebied van Rusland dateert uit het Oldowan-tijdperk, aan het begin van het vroegpaleolithicum. Ongeveer 2 miljoen jaar geleden migreerde Homo erectus van West-Azië naar de Noordelijke Kaukasus, vanwaar ze zich verspreidden naar de aangrenzende regio's. Ongeveer 800.000 jaar geleden bereikte een andere tak van migratie door Centraal-Azië de Altaj. In het daaropvolgende Acheuléen-tijdperk nam het aantal sites van vroege mensen toe. De materiële cultuur werd complexer, maar alleen de zuidelijke regio's van Rusland bleven bewoond.

Tijdens het middenpaleolithicum was er verdere vooruitgang bij de vervaardiging van stenen werktuigen. Dit was de tijd van het Moustérien en de neanderthaler, met wie de zogenaamde denisovamens samenleefde in het Aziatische deel van Rusland.

Tijdens het laatpaleolithicum werd het grondgebied van Rusland op grote schaal verkend door de vroege vertegenwoordigers van de moderne mens (Homo sapiens sapiens).

Protohistorie

In vroeghistorische tijden werd het gebied van het tegenwoordige Europese Rusland bewoond door een groot aantal verschillende volkeren. In het noordelijke bosgebied woonden Fins-Oegrische volkeren, in het zuidelijkere bosgebied vermengd met Baltische stammen. In de zuidelijke steppes woonden Iraanse ruitervolken als de Scythen, Sarmaten en Alanen, later de Hunnen en verscheidene Turkse volkeren zoals Chazaren.

De Slavische stammen concentreerden zich aanvankelijk in een gebied rondom de Pripjatmoerassen en zwermden van daaruit alle richtingen uit.

De Slaven waren polytheïstisch en hadden hun eigen goden. Ze waren een volk van voornamelijk landbouwers. In de steppen in het zuiden waagden zij zich liever niet: dat was het territorium van nomadische volkeren als de Scythen en de Hunnen die van tijd tot tijd invallen deden in noordelijker gebieden. Gaandeweg ontstonden er contacten en handelsbetrekkingen met de Griekse koloniën op de Krim en later met de Romeinse en Byzantijnse rijken.

Middeleeuwen Kievse periode

Vroege middeleeuwen thumb|Het Kievse Rijk omstreeks het jaar 1000 In de vroege middeleeuwen zakten Zweedse Vikingen de rivieren van Oost-Europa af en bouwden handelsnederzettingen. Na verloop van tijd begonnen deze Vikingen een elite te vormen onder de Slaven, en noemden zich Varjagen. De Varjaag Rurik zou volgens de Nestorkroniek in 862 een aantal nederzettingen aan de zuidoostkust van de Finse Golf verenigen, en zelfs Constantinopel hebben aangevallen. In de tweede helft van de 9e eeuw gingen de Varjagen op in de lokale bevolking, collectief het volk der Roes genoemd.

In 882 veroverde de vorst van Novgorod, Oleg de Wijze, de stad Kiev (ten zuidwesten van het huidige Rusland) en stichtte daar het Kievse Rijk (ook wel Kievse Roes'). Zijn domein lag op het snijpunt van de belangrijkste handelsroutes tussen Noord, Oost, Zuid en West. De hoofdstad Kiev was echter zeer kwetsbaar gelegen ten opzichte van de steppen met hun vijandige nomaden. Grootvorst Svjatoslav (regering 961-972) en andere vorsten moesten dan ook regelmatig de Koemanen, Chazaren en Petsjenegen buiten de deur houden. In 988 liet Vladimir van Kiev zich dopen en zo deed het Byzantijnse christendom zijn intrede. In dit verband moet ook het verzoek van de keizer van Byzantium, Basilius II (976-1025) aan Vladimir om militaire hulp genoemd worden, rond het jaar 987. De twee sloten een verbond, waarin overeengekomen werd dat Vladimir Basilius militair zou steunen en dat Vladimir Basilius' zuster Anna tot vrouw zou krijgen - naar verluidt op voorwaarde dat Vladimir zich zou laten dopen. Het Kievse Roes' werd gekerstend, hoewel allerlei overblijfselen van het heidendom nog lange tijd zouden blijven voortbestaan.

Met de bekering tot het christendom deed de Byzantijnse cultuur haar intrede, die de Roes' cultuur voor de komende zeven eeuwen zou bepalen. Er kwamen veel architecten, kunstenaars e.d. naar Kiev om de stad te verfraaien. Er verrezen kerken en kathedralen met fraaie iconen en mozaïeken.

Hoge middeleeuwen Tijdens de regeerperiode van Jaroslav van Kiev kwam de eerste codificatie van het recht tot stand met de zg. Roesskaja Pravda. Dit wetboek heeft voornamelijk betrekking op straf-, erf-, handels- en procesrecht en is het oudste document van de Oost-Slaven waarin juridische, sociale en economische verhoudingen worden gereguleerd. Na de dood van Jaroslav de Wijze in 1054 begon het rijk echter te feodaliseren in kleine vorstendommetjes. Door erfdelingen werd het Kievse Rijk een steeds complexer conglomeraat van staatjes met verder vertakkende adelsgeslachten. De troonopvolging in al die vorstendommen en apanages werd een steeds ingewikkelder zaak, die ook vaak gewapenderhand werd beslecht, waarmee weer een nieuw machtsevenwicht werd gevestigd.

Halverwege 12e eeuw werd het Kievse Rijk gedomineerd door vier clans: in het westen de Izjaslavitsji van Wolynië, in het noorden de Rostislavitsji van Smolensk, in het oosten de Olgovitsji van Tsjernihiv en in het noordoosten de Joeriëvitsji van Vladimir-Soezdal. Dit laatste vorstendom kwam voort uit Rostov-Soezdal, dat in de eerste helft van de 12e eeuw in handen kwam van Joeri Dolgoroeki, die geldt als de stamvader van de Joeriëvitsji (letterlijk "zoons van Joeri"). Volgens sommige historici kan dit gebied, ook wel Soezdalië genoemd, institutioneel gezien worden als de voorloper van het latere tsaardom Rusland.

thumb|250px|De noordoostelijke Roes' vorstendommen van Vladimir-Soezdal en hun buren na de Slag aan de Lipitsa (1216) Nadat de Soezdaliërs in 1169 met het veroveren en deels verwoesten van Kiev nog eenmaal de grootvorstelijke troon voor de Joeriëvitsji van Vladimir-Soezdal opeisten, trokken ze zich geleidelijk uit de zuidwestelijke politiek terug. Dit kwam mede omdat door het uitsterven van bepaalde familietakken zij ook niet meer in aanmerking kwamen voor de troon van Kiev. Vsevolod het Grote Nest (1177–1212) was de eerste die zich niet vorst, maar grootvorst van Vladimir liet noemen, een titel die normaal gesproken alleen voor de troon van Kiev werd gebruikt. Zijn patrimonium in Soezdalië was omvangrijk, maar bij zijn dood begonnen zijn zoons onmiddellijk te vechten om de erfenis, waarmee het weer versplinterde (1212–1216).

In deze tijd speelde de Republiek Novgorod ook nog een belangrijke rol: hij werd soms overwonnen door een vorst van buitenaf, maar wist op andere momenten zelf een vorst te kiezen die de belangen van de stad Veliki Novgorod (grote nieuwe stad) en het omliggende beheerste land zou behartigen. In 1221 werd Nizjni Novgorod (lage nieuwe stad) bij de samenvloeiing van de Oka en Wolga gesticht door Joeri II van Vladimir, een zoon van Vsevolod; deze buitenpost zou in anderhalve eeuw tijd uitgroeien tot een van de drie grootmachten van Soezdalië, naast Tver en Moskou. Het dorpje Moskou (voor het eerst vermeld in 1147) stelde lange tijd nog niet zoveel voor en zou pas in 1283 een vorstendom worden.

Mongoolse hegemonie

De feodale versnippering verzwakte de Kievse Roes', net op het moment dat de Mongolen hun rijk begonnen op te bouwen. In 1223 versloegen deze de Roes en Koemanen vernietigend in de Slag aan de Kalka. De dood van Dzjengis Khan in 1227 bracht uitstel, maar tijdens een nieuwe Mongoolse invasie onder leiding van Dzjengis' kleinzoon Batu Khan tussen 1237 en 1240 werd het Kievse Rijk alsnog onderworpen. Een groot aantal Roes' steden werd verwoest of ernstig gehavend door de Mongools-Tataarse veroveringstochten. Ook de hoofdstad Kiev, die volgens velen destijds een fraaie metropool was, werd zwaar beschadigd tijdens en nadat Batu de stad eind 1240 belegerde en overmeersterde; het zou enkele eeuwen duren voordat het inwonertal van Kiev weer op het oude niveau hersteld was. Met de Mongoolse hegemonie werd het Kievse tijdperk afgesloten en brak een nieuwe periode aan onder de dominantie van de Gouden Horde, geregeerd vanaf Saraj. De Republiek Novgorod en de Belaroesische vorstendommen in het noordwesten kwamen de invasie vrijwel ongeschonden door, maar moesten zich eveneens tot de nieuwe machthebbers zien te verhouden. Novgorod begon enkele decennia later ook tribuut te betalen aan de Gouden Horde.

De Mongolen voelden er echter niets voor om alle vorstendommen stuk voor stuk te bezetten, of de voor hen ontoegankelijke wouden in te gaan. Ze installeerden zich daarom in de voor hen vertrouwde steppen. De Roes' vorsten behielden hun plaatselijke autoriteit, maar moesten zich onderwerpen aan de Khans. Voor de bevolking veranderde er weinig: de Mongolen inden van hen (via de plaatselijke Roes' vorsten) een schatting en lieten hen verder met rust. Maar wanneer een stad tekenen van opstandigheid vertoonde werden er wrede represaillemaatregelen genomen en werd de stad in kwestie zowat met de grond gelijk gemaakt.

De stadstaat Novgorod was in die tijd het belangrijkst, mede door de gunstige ligging in het noordwesten en wist zich grotendeels te onttrekken aan de invloed van de khans. Vanuit het westen kwam evenwel een andere dreiging: de Duitse Orde. Deze wilde Pskov en Novgorod innemen en het rooms-katholicisme invoeren. Vorst Alexander Nevski van Novgorod wist de Duitse Orde in 1242 bij Pskov te verslaan (Slag op het Peipusmeer).

Ook het Mongoolse Rijk hield als eenheid niet lang stand, en viel uiteen in een aantal staten (die slechts formeel verantwoording schuldig waren aan de Groot-Khan te Karakorum). In de Zuid-Russische steppen ontwikkelde zich de Gouden Horde, die langzamerhand geïslamiseerd en geturkificeerd werd. De Mongoolse identiteit van het Jochidische vorstenhuis verwaterde naarmate ze zich meer vermengde met de rest van de bevolking, die voor het merendeel Turkische talen sprekende groepen bevatte en een minderheid aan anderen, zoals de Oostslavisch-sprekende Roes'.

Litouwse expansie

Op het grondgebied van het voormalige Kievse Rijk ontwikkelden zich geleidelijk twee grootmachten. In het westen breidde het grootvorstendom Litouwen zich uit, dat zich met Polen aaneensloot tot het Pools-Litouwse Gemenebest. Litouwen veroverde het Vorstendom Polotsk in 1307, het Vorstendom Galicië-Wolynië in 1349 en vestigde rond 1339 zijn invloed over het vorstendom Smolensk. De bestuurstaal van het Gemenebest werd echter het Oudroetheens (ook wel Kanselarij-Slavisch genoemd). Hier ontwikkelden zich geleidelijk de huidige Oekraïners en Wit-Russen. In het noordoosten viel Vladimir-Soezdal uiteen, werd daarna geleidelijk samengesteld door Moskovië en uiteindelijk het Tsaardom Rusland, waarin het volk der Russen ontstond. De hier gehanteerde bestuurstaal bleef nog ver tot in de 18e eeuw het Kerkslavisch. Taalkundige en culturele verschillen die er al waren tussen oost en west werden hiermee nog verder vergroot.

Tver, Moskou en Nizjni Novgorod-Soezdal