thumb|Taalstrijd in Voeren. Dit soort vandalisme is typerend voor de taalstrijd: plaatsaanduidingen in de niet gewenste taal (in dit geval het Nederlands) worden onleesbaar gemaakt. thumb|Franse plaatsaanduiding onleesbaar gemaakt nabij het overwegend Duitstalige Sankt Vith De Belgische taalstrijd tussen Nederlandstaligen, geconcentreerd in Vlaanderen, en Franstaligen, geconcentreerd in Wallonië, is een begrip dat kadert in 's lands algemene communautaire spanningen. Het omvat onder meer de onenigheden omtrent de taalwetgeving, de taalgrens, de verfransing van Brussel, het statuut van de faciliteitengemeentes en de Voerstreek, en de kwestie Leuven Vlaams, en leidde, onder druk van onder meer de Vlaamse- en Waalse Beweging, tot meerdere staatshervormingen en de uiteindelijke federalisering van België.

Ontstaan Ancien régime en Franse tijd (tot 1815) De Belgische taalkwestie is onlosmakelijk verbonden met de Vlaamse Beweging en begon daar ook mee. Zij ving al aan in het eerste decennium van het bestaan van België. De aanleiding tot die strijd, de verfransing, was echter al veel langer aanwezig. Deze was begonnen in de Vroegmoderne Tijd en werd sterk gestimuleerd door de Fransen, die eind 18e eeuw hun centralistische taalpolitiek in de Franstalige gewesten introduceerden. Er heerste een scherpe diglossie: de bovenste lagen van de bevolking van de Zuidelijke Nederlanden verfransten gestaag, terwijl in het informele leven Vlaamse dan wel Waalse dialecten werden gesproken.

Nederlandse tijd (1815–1830)

Tussen 1815 en 1830 probeerde koning Willem I de verfransing terug te schroeven. Deze politiek lukte grotendeels: zij maakte het Nederlands de officiële taal van bestuur en rechtspraak vanaf 1 januari 1823 in de provincies Limburg, Antwerpen, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen (regeringsbesluit 15 september 1819) en het lager onderwijs werd in het gehele Nederlandstalige gebied vernederlandst. Bij sommige Vlaamse intellectuelen zoals Jan-Frans Willems kwam in die korte periode een bewustzijn tot stand dat in het noorden (het huidige Nederland) en in een deel van het zuiden (het huidige Vlaanderen) dezelfde taal werd gesproken en zij waren het die de ‘liefde voor de taal’ in de daaropvolgende decennia warm konden houden. Het ongenuanceerde anti-Franse en anti-katholieke beleid van de koning was evenwel een van de oorzaken van de Belgische Revolutie.

Beginsituatie Belgische Koninkrijk (1830–1840) In het België van de 19e eeuw was het dagelijks leven doordrongen van het Frans. Het secundair en hoger onderwijs, het parlement, het leger en de kerkleiding waren aanvankelijk allemaal eentalig Frans. Nochtans was taalvrijheid in de Grondwet ingeschreven en werd het Nederlands streektalen in de lagere besturen (provincies, gemeenten), het lager onderwijs, het gerecht enz. gebruikt. Een Vlaming die in België iets wilde betekenen moest overschakelen op het Frans, of verhuizen naar Wallonië waar door de industriële revolutie meer werkgelegenheid was. Vandaar dat velen uit de Franstalige elite in de 19de eeuw Vlaams klinkende namen hebben, zelfs Franstalige schrijvers als Emile Verhaeren, Charles de Coster en Nobelprijswinnaar Literatuur Maurice Maeterlinck; ook zo bijvoorbeeld politici als Paul Vanden Boeynants, Jean-Claude Van Cauwenberghe, André Cools, Laurette Onkelinx, Didier Reynders, Guy Spitaels, Rudy Demotte, Claude Eerdekens, Michel Daerden en Christian Van Eyken.

Van een Vlaams nationalisme was in de jaren dertig van de 19e eeuw nog geen sprake; het Belgisch patriottisme was veel sterker: het werd door de overheid gestimuleerd en ook door de Vlaamsgezinden bevestigd. Om de onafhankelijkheid van België te legitimeren, vooral ten opzichte van Frankrijk, waren de oorspronkelijke flaminganten de mening toegedaan dat het land zich precies door het tweetalige karakter onderscheidde van het eentalige Frankrijk.

Maar tegelijk kwamen er vanuit Vlaams-intellectuele zijde (voornamelijk taalkundigen) stemmen op voor het behoud van het Nederlands in het heersende klimaat van verfransing. Hoewel de grondwet taalvrijheid toeliet, was het Frans de enige officieel erkende taal. Dit is niet verwonderlijk, aangezien de adel en de hoge burgerij (ook de Vlaamse) die het land indertijd leidden, Frans spraken. De overheid toonde zich evenwel gunstig tegenover deze literaire beweging en stimuleerde onder meer het uitgeven van oude Vlaamse teksten.

De eerste politieke eisen (1840-1914) Vanaf 1840 gingen enkele Vlaamsgezinden echter ook politieke eisen formuleren: zij vroegen - voorlopig tevergeefs - een plaats voor het 'Vlaams' in het onderwijs, de administratie en het gerecht in Vlaanderen, naast het Frans. Omdat deze literatoren, behorend tot de lagere middenklasse, geen politiek medezeggenschap hadden, konden zij weinig druk uitoefenen. Dat veranderde in 1848, toen de kiescensus werd verlaagd en deze lagere middenklasse stemrecht kreeg. De flaminganten eisten dat het Nederlands in bestuurlijke aangelegenheden naast het Frans zou kunnen gebruikt worden. Dit Nederlands had een eigen schrijfwijze omdat de Vlaamsgezinden er niet van beschuldigd wilden worden dat zij het 'Hollands' - een 'vijandige' taal - een officieel karakter wilden geven.

Om hun eisen waar te maken, nestelden ze zich in de bestaande partijen (liberalen en katholieken) en maakten daar deel uit van de progressieve vleugels. In de jaren zestig van de 19e eeuw vond een radicalisering plaats. De vrees voor Nederlandse invloed werd losgelaten en in 1864 zou de Nederlandse spelling en dus in wezen het Nederlands aanvaard worden. Het Belgisch patriottisme en de hardnekkige gekantheid van de Franstalige burgerij tegen de Vlaamse eisen bracht vele flaminganten ertoe zich te identificeren met een Vlaams volksnationalisme. Tegelijk ontstond ook een splitsing tussen taalparticularisten die het cultiveren van de Vlaamse dialecten nastreefden, en taalintegrationisten die met de Nederlanders één taalgemeenschap wilden vormen. De Franstalige elite steunde het particularisme omdat het geen aspiraties had voor de erkenning van een met het Frans concurrerende standaardtaal. De taalstrijd zou uiteindelijk toch door de integrationisten en ten behoeve van de Nederlandse taal gevoerd worden. De Vlaamse Beweging behaalde haar eerste kleine en veelal symbolische politieke successen in de jaren zeventig van de 19e eeuw. Onder de katholieke regeringen kwamen taalwetten tot stand, die het Nederlands toelieten in strafgedingen en in gemeentelijke en provinciale bestuurszaken. Later werden de Vlaamse rijksscholen tot op zekere hoogte vernederlandst en werd het taalgebruik in het rechtswezen verder uitgewerkt. Het klerikale hoger onderwijs bleef langer Franstalig onder invloed van de bisschoppen. Het tweetalig statuut van Vlaanderen, zoals geëist door de flaminganten, kreeg uiteindelijk vorm.

In de jaren negentig van de 19e eeuw radicaliseerde de Vlaamse Beweging verder, onder meer onder invloed van de katholieke flamingantische studentenbeweging met Albrecht Rodenbach als belangrijk figuur. De minder radicalen oefenden alsmaar meer invloed uit binnen de katholieke (en in mindere mate) liberale partijen; de socialistische, waarbinnen de Walen in de meerderheid waren, had eveneens weinig oog voor de Vlaamse eisen.

Met de uitvaardiging van de Gelijkheidswet in 1898, werd het Nederlands in principe gelijkgesteld aan het Frans en aldus erkend als officiële landstaal. Voortaan zouden de Kamers en de Koning alle nieuwe nationale wetten stemmen, bekrachtigen en afkondigen zowel in het Nederlands als in het Frans. De Belgische Grondwet echter krijgt pas op 10 april 1967 een volledig officiële rechtsgeldige Nederlandstalige versie. En de Belgische kieswetgeving slechts vanaf 1970.

Ondertussen raakte de Vlaamse Beweging er meer en meer van overtuigd dat de Vlaamse samenleving volledig moest worden vernederlandst (territorialiteitsbeginsel). Men begon bij het universitair onderwijs: de vernederlandsing van de Rijksuniversiteit Gent – opgericht door Willem I en de enige Belgische universiteit onder staatstoezicht – verliep echter niet van een leien dakje. Hoewel reeds in het eerste decennium van de twintigste eeuw een voorstel hiertoe werd uitgewerkt, kwam het pas tijdens en na de Eerste Wereldoorlog tot de uitvoering ervan.

Vanaf 1910 kwam opnieuw een golf van radicalisering op gang, veroorzaakt door onder meer de trage besluitvorming rond de Rijksuniversiteit Gent, maar ook door de stemming in het parlement van twee wetten die allesbehalve tegemoetkwamen aan de Vlaamse eisen. De Legerwet (1913) verwierp de oprichting van Vlaamse legerafdelingen en de Wet op het Lager Onderwijs (1914) wees het territorialiteitsprincipe af. Verder kende het Belgisch staatsnationalisme op het einde van de 19e eeuw een heropbloei en ontstond er een Waalse Beweging.

Die laatste ontstond ironisch genoeg in de grote Vlaamse steden en in Brussel, als reactie op de successen van de Vlaamse Beweging. De Franstalige burgerij zag de suprematie van het Frans in het openbaar leven aangetast en voelde zich op politiek vlak onderdrukt door de flaminganten. Al vlug eisten zij een bestuurlijke scheiding tussen het moderne, welvarende Wallonië enerzijds en het conservatieve, minder ontwikkelde Vlaanderen (1913).

De gevolgen van twee wereldoorlogen (1914-1945) Eerste Wereldoorlog De Eerste Wereldoorlog legde een grote hypotheek op de Vlaamse Beweging. Duitsland had dan geen duidelijke Belgienpolitik, een Flamenpolitik des te meer. Van de radicalisering die was ontstaan vóór de oorlog, maakten de bezetters handig gebruik: zij zochten steun bij de flaminganten en willigden hiervoor talrijke Vlaamse eisen in, onder meer de vernederlandsing van de Gentse universiteit (1916) en de bestuurlijke scheiding van Vlaanderen en Wallonië (1917). Zo zouden ze uiteindelijk België op de knieën krijgen. Bovendien bestond in Duitsland al langer het idee van een groot Germaans rijk, waarvan ook Vlaanderen en Nederland deel zouden uitmaken.

De Vlaamse Beweging werd zo in twee groepen verdeeld: een groep die niet bereid was samen te werken met de Duitsers en die zo mogelijk naar Nederland vluchtte (de passivisten) en een groep die actief wilde collaboreren (de activisten). Ook aan het IJzerfront kwam het tot hevige taalconflicten: de meerderheid van de soldaten was Vlaams, maar kregen bevelen in het Frans. Zij richtten Vlaamsgezinde kringen op, die evenwel verboden werden in 1917. Opnieuw kwam het tot een radicalisering: er ontstond een illegale ‘Frontbeweging’ die contacten zocht met de activisten. Een aantal soldaten werden omwille van hun Vlaamsgezindheid echter gestraft door de Franstalige legerleiding. Zo werden 10 frontsoldaten verbannen naar een tuchtcompagnie in Orne, Normandië. Gekend als houthakkers van de Orne moesten ze dwangarbeid leveren in zeer moeilijke leefomstandigheden.Geert Herman, Nieuwsblad, 7 juli 2014Peter Verplancke, VRT, 15 juli 2018Tom Simoens, CHTP-BEG - / 2011 Van arrangeren tot renseigneren. Smaad en geweld van militairen tegen hun oversten tijdens de Eerste Wereldoorlog Na de Duitse nederlaag werden de Duitse maatregelen ongedaan gemaakt en raakte de Vlaamse Beweging in diskrediet; het is echter onterecht te beweren (zoals door de Belgisch-nationalisten en de wallinganten werd gedaan) dat de hele Vlaamse Beweging heeft gecollaboreerd.

Interbellum De Eerste Wereldoorlog had de spanningen tussen Franstaligen en Nederlandstaligen dus versterkt. De Vlaamse Beweging bleef evenzeer verdeeld. De oud-passivisten wilden binnen de bestaande partijen een ‘minimumprogramma’ doorvoeren, dat voor een eentalig statuut van Vlaanderen ijverde; de oud-activisten stonden een ‘maximumprogramma’ voor, dat de scheuring van België inhield. Deze laatsten richtten in 1919 een eigen partij op, de Frontpartij, die behalve maximalistisch ook antimilitaristisch was ingesteld.